De volkstelling van 1822


Op 18 oktober 1822 maakten de Burgemeesteren der Stad 's-Hertogenbosch bekend, dat "binnen deze Stad en Jurisdictie" een volkstelling gehouden zou worden1.
Aan deze bekendmaking was een wat kribbige correspondentie voorafgegaan tussen het stadsbestuur en de provinciale overheid. Hieruit blijkt dat de Burgemeesteren helemaal niet happig waren op weer een telling, nadat ze in 1814 het bevolkingsregister opnieuw hadden laten opmaken. Sinds die tijd was er naar gestreefd om de registers nauwkeurig bij te houden.
De burgerij was verplicht om de benodigde gegevens aan de gemeente te verstrekken en op overtreding was een boete van dertig stuivers gesteld2.
Vanaf de volkstelling van 1814 hadden de gemeenten elke drie maanden "opgaven omtrent de bevolking" moeten doen aan de provincie Noord-Brabant; op die manier bleef die instantie enigszins op de hoogte. Dat dit systeem echter niet zo best functioneerde blijkt uit een provinciale circulaire van 22 april 18223, waarin de gemeenten om nieuwe cijfers werd gevraagd, omdat "van de destijds ingezondene staten, thans niet meer met vrucht kan worden gebruik gemaakt". De directe aanleiding tot dit verzoek was gelegen in een schrijven van de Minister van Binnenlandse Zaken en Waterstaat, waarin deze bewindsman liet weten "eene nadere opgave der bevolking van ieder dorp, gehucht of uithoek der gemeenten over het afgelopen jaar" te willen ontvangen. De provincie vond de gegevens waarover zij beschikte dus niet voldoende en verzocht de gemeenten actuele cijfers te verschaffen.
Maar al op 18 september 1822 stuurde de waarnemend-Gouverneur, jhr. E. van Vredenburch, opnieuw een circulaire4. Hij constateerde dat de gemeenten op uiteenlopende wijze gereageerd hadden op het provinciale verzoek om recente gegevens: "Eenige Gemeentebesturen, hebben, ten einde eene naauwkeurige opgave te kunnen inzenden, eene geheele nieuwe telling der bevolking hunner Gemeente doen bewerkstelligen; daarentegen hebben anderen die inlichtingen uit de bij hun voorhanden zijnde Bevolkings Staten getrokken". Bovendien sprak Van Vredenburch op grond van de hem nu verstrekte gegevens zijn twijfel uit over de nauwkeurigheid van de in 1814 gehouden volkstelling5. Daarom vond hij het nodig, "dat er in alle de Gemeenten dezer Provincie een geheel nieuwe telling der tegenwoordige Bevolking in de Dorpen, Burgten, Gehuchten en Uithoeken, onder iedere Gemeente ressorterende, worde bewerkstelligd". Deze omschrijving - blijkbaar ontleend aan de hierboven geciteerde passage uit de ministeriële brief - deed bij de Burgemeesteren van Den Bosch de vraag opkomen "of die telling ook moet geschieden binnen de Stad of maar alleen van de bevolking buiten dezelve onder hare Jurisdictie gelegen"6. Met ander woorden: moet de stad zelf ook opnieuw geteld worden, of alleen maar de gehuchten, uithoeken, etc. die ook nog tot het gebied van Den Bosch horen? Een nauwkeuriger lezing van de provinciale circulaire zou die vraag overbodig hebben gemaakt, omdat Van Vredenburch duidelijk liet blijken, dat hij een algehele hertelling in de provincie op het oog had: hij wilde komen tot een reorganisatie van de controle op het bevolkingsregister en om dat te bereiken was nodig, dat het vertrekpunt (de gegevens van dat moment) in ieder geval een correcte weergave zou zijn van de feitelijke situatie In hun brief aan "den Heere Referendaris der 1ste Klasse, belast met de provisionele waar-neming der functiën van Gouverneur van Noord-Braband" - zoals Van Vredenburch steeds uitvoerig word omschreven - laten de Burge-meesteren blijken, dat hun vraag werd ingegeven door geheel andere motieven: een telling van heel de stad zou "van een zeer omslagtige omvang" zijn, "waartoe tijd zoude worde vereischt en niet zonder buitengewone kosten kunnen worden bewerkstelligt"7 - ze zagen op tegen zo'n omvangrijk werk en met name tegen de kosten die dat met zich mee zou brengen. Boeiend is daarbij te constateren, dat de Burgemeesteren hier exact de zelfde bezwaren naar voren brengen, die de Maire van Bois-le-Duc in de Franse tijd herhaaldelijk aanvoerde om uitstel te krijgen voor een volkstelling in de jaren 1811-'148.
Het antwoord van de waarnemend-Gouverneur is bijzonder duidelijk: óók binnen de stad zal geteld moeten worden. Van Vredenburch merkt vervolgens fijntjes op: "Ik ben het met U.Ed.A. eens, dat dit werk, althans in groote gemeenten, van veel omvang is, doch ik vertrouwe tevens, dat het aan de opmerkzaamheid van U. Ed. A niet zal ontglipt zijn, dat juist daarom voor het doen dier telling en het opmaken en inzenden van het resultaat derzelve eene ruime tijd is gelaten...". Die "ruime tijd" bedroeg overigens maar anderhalve maand. Ook ten aanzien van de financiële consequenties van telling heeft Van Vredenburch weinig clementie met de Bossche bestuurderen: "Ik vermeene overigens, dat de buitengewone kosten die daarvoor, volgens U. Ed. A., zullen moeten worden aangewend ruim zullen worden opgewogen door het nut, hetgeen eene naauwkeurige telling der bevolking uwer Stad bij verschillende gelegenheden voor de administratie zal te weeg brengen."9. Daar konden de heren het mee doen. De brief werd op 4 oktober door de Burgemeesteren besproken10 en er werden niet veel woorden meer aan gewijd: al vijf dagen later nam de Raad het besluit om "opnieuw eene algemeene opschrijving van de Inwoners der Stad te doen door twee Leden van de Raad in iedere Wijk, geadsisteerd met een Klerk of Schrijver en de Wijkknegt (een soort wijkagenten)"11. Drie dagen voor de telling zouden de wijkknechten aan ieder huis een biljet afgeven, waarop door de bewoners zelf een aantal gegevens zouden moeten worden ingevuld, zodat bij de eigenlijke telling volstaan kon worden met het in ontvangst nemen en controleren van de ingevulde biljetten. De bevolking zou hierover vooraf worden ingelicht via aanplakbiljetten. Voor de verschillende wijken werden de volgende heren als gecommitteerden aangewezen.
voor de Markt: Van Lanschot, Gordon en Secretaris Van de Ven;
voor de Ortenstraat: Van Thije Hannes en Van Rijckevorsel;
voor de Hinthamerstraat: Bonebacker en Sopers;
voor het Hinthamereind: Losecaat, Coppens en Den Appel;
voor de Kerk- en Verwerstraat: Versfelt en Vermeulen;
voor de Weversplaats: Mulders en Mollerus;
voor de Vischmarkt: Deckers en Secretaris Ackersdijck;
en voor de Vuchterstraat en Vuchterdijk: De Jong en Van der Horst12.
Een opvallende bepaling was voorts, dat de huiseigenaars werd gelast om "dadelijk de ontbrekende Letters en Nummers der Wijk op den bovenstijl, en die der Verponding (een rijksbelasting op vaste goederen) op den stijl ter zijde der deur met zwarte olie verw (verf) te doen stellen", dit om verwaaring te voorkomen13.
Tot zover de voorgeschiedenis van de volkstelling van 1822. Het zal duidelijk zijn, dat het hier slechts gaat om een provinciaal initiatief, dat niet thuishoort in de rij van landelijke tellingen (de Wet op de Volkstellingen kwam pas in 1830 gereed); bovendien had deze "opschrijving van alle de inwoonders" een veel beperkter doel dan de latere "echte" volkstellingen: hier ging het er slechts om het bevolkingsregister kloppend te krijgen.
In dit dubbelnummer van de Boschboombladeren treft U een gedeelte aan van de resultaten van de telling van 1822. Sinds februari 1970 hebben een groot aantal vrijwilligers zich beziggehouden met het overnemen van dit materiaal uit de officiële registers. De Boschboom is zich voor deze telling gaan interesseren na de publicatie van het eerste kadastrale minuteplan van 's-Hertogenbosch. Aanvankelijk is gezocht naar gegevens aan de hand waarvan de historische achtergronden van deze kaart beschreven zouden kunnen worden. Dat bleek echter niet mogelijk. Vervolgens werd gekozen voor een meer algemene beschrijving van het ontstaan van de eerste kadastrale kaarten in Nederland (zie Boschboomblad/7, september 1971). De volkstellinggegevens, die nu gepubliceerd worden, sluiten in zoverre op het voorafgaande aan, dat zij statistisch materiaal bevatten over de periode, waarin de eerste kadastrale kaart van Den Bosch tot stand kwam. Bovendien verschaffen de af gedrukte registers een schat aan namen en beroepen.
Om de bruikbaarheid van de hierna volgende lijsten te vergroten zijn nog een aantal kanttekeningen nodig. De gegevens zijn ontleen aan het "Bevolkingsregister binnen de Stad 's-Hertogenbosch en Wijk Orten"; dit register dateert van 1814, maar de nieuwe gegevens van 1822 zijn er in opgenomen (vandaar dat het originele titelblad, afb. 2, misleidend is). Van de enorme hoeveelheid namen, die de telling van 1822 heeft opgeleverd is in dit Boschboom blad slechts één naam per woonhuis opgenomen. Daarbij is telkens gekozen voor de eerste naam die in het bevolkingsregister voor een woonhuis wordt vermeld. Deze keuze brengt bezwaren met zich mee, omdat het niet met zekerheid te zeggen is of deze eerst naam aan de hoofdbewoner toebehoort. Bovendien krijgen we zo geen inzicht in de sociale stratificatie per woonhuis; daardoor zij met name ten aanzien van huizen met tientallen bewoners niet in staat interessante conclusies te trekken. Maar de Boschboom heeft gemeend met haar beperkte mogelijkheden een eerste stap te moeten zetten, in de hoop dat anderen voor aanvullingen of zelfs onderzoek zullen zorgen. Zo zou ook de beroepenlijst die hier wordt aangeboden tot onderzoek kunnen uitnodigen.
Bij deze volkstelling is sprake van wijken; hierbij is uitgegaan van één (soms 2) hoofdstraat. De wijk bestond dan uit die hoofdstraten een aantal zijstraten. Bij de telling ging men als volgt te werk: men begon bij no. 1 van de hoofdstraat; vervolgens werden alle huizen in die straat successievelijk afgewerkt tot men aan een zijstraat kwam; dan ging men eerst die zijstraat tellen aan beide kanten, waarna men weer in de hoofdstraat verder ging tot er op nieuw een zijstraat werd bereikt, etc. - de sporen van deze manier van tellen zijn in de registers terug te vinden.
In het bevolkingsregister worden de verschillende wijken met letters (A, B, C, etc.) aangegeven; de cijfers erbij (bv. 3A) geven een onderverdeling aan in "registers" (ongeveer 95 huisnummers). De kolommen in de lijsten zelf geven achtereenvolgens: het huisnummer, aantal bewoners van één woonhuis, familienaam, voornamen, beroep, leeftijd, godsdienst en de geboorteplaats. Ten aanzien van de nummering van de huizen moet nog het volgend worden opgemerkt: het gaat hier om de huisnummers die golden t. t. v. de volkstelling van 1814 en die voor 1822 werden gehandhaafd. Ook al waren er bijvoorbeeld intussen huizen afgebroken, schoven de nummers niet op; daarom ontbreken er in de lijsten een aantal nummers. Uiteraard zijn er ook geen gegevens over niet bewoonde huizen. Omdat de nummering die in 1814 en '22 gold nu niet meer bestaat is het niet gemakkelijk om te achterhalen waar een bepaald huis nu in de stad gelocaliseerd moet worden. Daarom verzoekt de Boschboom lezers, die er zeker van zijn dat hun voorouders in ieder geval vanaf 1814 in hetzelfde pand hebben gewoond, daarvan melding te maken. Aan de hand van dergelijke gegevens kan de Boschboom wellicht komen tot een reconstructie14.
Belangstellenden, die nog meer over deze telling of hun huis willen weten, kunnen terecht bij de afdeling Bevolking van de gemeente Den Bosch, waar dit bevolkingsregister kan worden ingezien, en bij het Gemeentearchief, waar de zogenaamde Blokboeken aanwezig zijn, die veel gegevens bevatten over huizen en bewoners van de stad in de jaren 1746 tot 1808.
Tenslotte nog één opmerking: we zeiden reeds dat een groot aantal vrijwilligers de registers heeft overgeschreven; voor het merendeel waren dit geen mensen, die gewend waren oude handschriften te lezen. Daardoor is het mogelijk, dat ondanks controle hier en daar fouten zijn ingeslopen.
We geloven echter dat het enthousiasme waarmee zij dit enorme werk hebben verricht het U gemakkelijk zal maken mogelijke tekortkomingen door de vingers te zien.

Noten:
1. Publicatie van Burgemeesteren der Stad 's-Hertogenbosch, d.d. 18 oktober 1822, GA (Gemeente-archief 's-Hertogenbosch), collectie plakkaten.
2. Publicatie van het Burgemeesterschap der Stad 's-Hertogenbosch.. d.d. 3 januari 1815, GA, collectie plakkaten.
3. Provinciaal Blad van Noord-Braband (no. 35).
4. Provinciaal Blad van Noord-Braband (no. 80).
5. Van Vredenburch spreekt zelf over de ,,volkstelling van 1815"; in dat jaar werd echter slechts de telling van 1814 ,,aan den Gouverneur gesuppediteerd" (overgedragen).
6. Notulen van Burgemeesteren van 's.Hertogenbosch, d.d. 26 september 1822, fol. 290 v., GA.
7. Brief van de Burgemeesteren der Stad 's-Hertogenbosch aan de waarnemend-Gouverneur van Noord- Braband, d.d. 26 september 1822, GA, correspondentieregister 1822
8. Brief van de Préfet van het Departement der Monden van den Rijn aan de Maire van Bois-le-Duc, d.d. 12 augustus 1813, GA, Ingekomen Brieven, 3e kwartaal 1813. In deze brief ontmaskert de prefect allerlei smoesjes die door het Bossche Gemeentebestuur zijn aangevoerd om geen volkstelling te hoeven houden.
9. Brief van de waarnemend-Gouverneur van Noord-Braband aan de Burgemeesteren der Stad 's-Hertogenbosch, d.d. 30 september 1822, GA, Ingekomen Stukken, 4e kwartaal 1822.
10. Notulen van Burgemeesteren van 's-Hertogenbosch, d.d. 4 oktober 1822, fol. 309 v., GA.
11. Notulen van den Raad van 's-Hertogenbosch, d.d. 9 oktober 1822, GA.
12. Idem, fol. 132.
13. zie 1.
14. Een hulpmiddel hierbij is beschikbaar: Lijst bevattende de oude huisnummers in de volgorde van de in 1909 vervallen wijksgewijze nummering, met vermelding van het nieuwe nummer achter ieder perceel, Gemeenteblad van 's-Hertogenbosch, 1909, no. 177, GA, H 225/18.

zie ook: transcriptie volkstelling 1822 door Huub van Helvoort

Boschboombladeren 8-9 (1972)