Inleiding op bijlage I
Deze bijlage bevat biografische gegevens over de notarissen die tussen 1306 en 1531 in de Meierij werkzaam waren. Op enkele na resideerden ze er ook. 1) Voor zover mogelijk, is ook informatie opgenomen over hun verwanten. Alleen zo kon immers inzicht worden verkregen in zaken als de sociale achtergrond en eventuele onderlinge verwantschap van de notarissen. Binnen ťťn familie kwamen bovendien vaak meerdere personen met dezelfde naam voor, zodat deze werkwijze ook essentieel was voor de identificatie van de notarissen. De genealogische gegevens die in de biografieŽn verwerkt zijn, zijn zeker niet volledig. Zo zullen personen vaak meer kinderen hebben gehad dan er in de biografie worden vermeld. Evenmin is het waarschijnlijk dat alle gegevens correct zijn geÔnterpreteerd. Zo kan het voorkomen dat gegevens die bij een bepaalde persoon zijn ondergebracht, feitelijk betrekking hebben op een naamgenoot. De gegevens zijn deels ontleend aan de akten van de notarissen zelf, deels aan andere archiefbronnen en deels aan literatuur. SeriŽle bronnen zijn vaak beperkt tot een bepaalde periode en streek. Zo kan er alleen voor de periode na het einde van de veertiende eeuw gebruik worden gemaakt van schepenprotocollen, aartsdiakenale registers en universiteitsmatrikels. De Bossche stadsrekeningen zijn pas bewaard vanaf de laatste jaren van de vijftiende eeuw. Voor de oudere notarissen zijn er dus relatief weinig gegevens beschikbaar. In het algemeen is de bronsituatie van Den Bosch ook beduidend beter dan die van de meeste andere plaatsen in de Meierij. Anderzijds komen er door de exemptie van het St.Janskapittel maar weinig gegevens over Bosschenaren voor in de aartsdiakenale registers. Daardoor zijn we voor de priesters onder de Bossche notarissen bijvoorbeeld relatief slecht ingelicht over het bezit van beneficies en de overtreding van de celibaatsplicht.
Iedere biografie begint met het nummer van de notaris. Dit correspondeert met het aanvangsnummer van zijn akten in Bijlage II. Daarna volgt de volledige notarisnaam. Deze is in principe weergegeven zoals hij in de onderschriften van de notaris voorkomt. Als er geen akten zijn overgeleverd, dan is de naam overgenomen uit de bron waarin de betreffende persoon als notaris wordt aangeduid. De notarissen zijn alfabetisch gerangschikt op achter- en voornaam. Daarbij is de achternaam steeds vooraan geplaatst. Zijn eigenlijke positie binnen de naam is gemarkeerd door een liggend streepje. Als dit ontbreekt, staat de achternaam in de bron geheel achteraan. Onder de naam volgt steeds een aantal korte gegevens over de notaris. Eerst worden de gegevens die hij zelf in zijn onderschrift vermeldde weergegeven. Deze gegevens beginnen met de stand van de notaris. Daarbij staat cler. voor clericus, presb. voor priester en -- voor het ontbreken van een standaanduiding in het onderschrift. Als de standaanduiding niet ontbreekt, maar om een andere reden onbekend is, is een vraagteken geplaatst. In enkele gevallen wijzigde de notaris zijn stand na verloop van tijd. In dat geval zijn beide standaanduidingen gescheiden door een schuine streep, zoals in cler./presb.. Na de stand wordt het bisdom van wijding vermeld. Achter de komma volgen dan de benoemende instanties. Daarbij staat A. voor de paus en I. voor de keizer. Sommige notarissen waren bovendien beŽdigd of geadmitteerd door het bisschoppelijk hof van Luik, Utrecht, Keulen of Kamerijk. Dit wordt respectievelijk aangegeven met de letters L., T., Co. en Ca.. Als er letters tussen ronde haken zijn geplaatst, dan vermeldde de notaris de betreffende benoeming, beŽdiging of admissie pas na verloop van tijd in zijn akten. Als een notaris geen akten heeft achtergelaten, dan zijn alle voornoemde gegevens doorgaans onbekend. Dit wordt aangegeven door twee liggende streepjes.
Vervolgens wordt vermeld uit welke periode er akten van de notaris bewaard zijn. Als er geen bewaard zijn, wordt dit opnieuw aangegeven door twee liggende streepjes. Daarna wordt tussen ronde haken aangegeven in welke periode de notaris minimaal over de notariŽle bevoegdheden moet hebben beschikt. Deze periode begint doorgaans met zijn eerste vermelding als notaris, en eindigt meestal met zijn sterfjaar of het laatste jaar waarin hij zeker nog in leven was. De regel wordt steeds afgesloten met ťťn of meer plaatsnamen. Normaliter staan hier alleen namen van plaatsen waar de notaris resideerde Ťn als notaris actief was. Als van een notaris geen notariŽle activiteiten bekend zijn uit de plaats(en) waar hij woonde, maar wel uit andere plaatsen, dan zijn alleen deze laatste vermeld onder toevoeging van een sterretje. Op de volgende bladzijde zijn de nummers van de notarissen nog eens per residentieplaats geordend. De tekst van iedere biografie begint met de Middelnederlandse versie van de naam van de notaris. Vetgedrukte namen zijn overgenomen uit Middelnederlandse bronnen. In andere gevallen gaat het om een beredeneerde vertaling uit het Latijn.
Noten
1.Zie hoofdstuk II, ß 2. Drie notarissen die in de betreffende periode eveneens in de Meierij resideerden, maar van wie dit pas na afronding van het onderzoek bleek, zijn: Anthonius Bruninx, ?, Leuven, Oirschot (1488-1529), zie nr.29; Guillielmus de Campo, A., Boxtel (1531), zie nr.210; Johannes Johannis Lants de Leodio, cler. Luik, A.(L.), Den Bosch (1531-1553), zie nr.371.
A.H.P. van den Bichelaer, Het notariaat in Stad en Meierij van 's-Hertogenbosch tijdens de Late Middeleeuwen (1306-1531) (Amsterdam 1998)