|
Deze nederzetting werd al in 814 vermeld. In de middeleeuwen was het in bezit van de Hertog van Brabant. Orthen wordt ook wel de bakermat van 's-Hertogenbosch genoemd (de Sint-Jan was bijvoorbeeld slechts een dependance van de Orthense Sint Salvator-kerk). Omstreeks het rampjaar 1672 werd Orthen vrijwel geheel gesloopt. Net als in 1867, toen de spoorlijn Utrecht-'s-Hertogenbosch werd aangelegd. In de late 19e eeuw was Orthen overwegend argrarisch, met ook wat nijverheid, zoals sigarenmakerijen. De 19e-eeuwse bedrijvigheid is nog te zien ten westen van de spoorlijn. Bij de spoorbaan staat ook het markante neoromaanse gebouw De Meerwijck uit circa 1890. Dit was aanvankelijk een landhuis van de familie Van Meerwijck, daarna een klooster, weeshuis, internaat voor kermiskinderen en bedrijfsruimte van onder meer een orgelmaker. Nu zijn er appartementen. | 55 |
Magazine Open Monumentendag (2010) 55
|
Orthen lag, evenals Den Dungen, binnen het Vrijdom van de stad 's-Hertogenbosch. Oorspronkelijk werd Orthen door een eigen dorpsbestuur bestuurd. Deze werden 'regeerders', 'borgemeesters' of 'schaarmeesters' genoemd. Administratief was men onafhankelijk; echter niet op juridisch gebied ten aanzien van de belastingen. In de roerige 16e eeuw werd Orthen enkele keren verwoest; in 1583 trokken alle dorpelingen naar de veilig ommuurde stad. In 's-Hertogenbosch (men verbleef er tussen 1583 en 1610) was men sterk onder invloed van het stadsbestuur gekomen. Dit benoemde zelfs het dorpsbestuur! In 1610 keerden de Orthenaren terug naar hun eigen plek en men werd weer als een zelfstandig dorp beschouwd.
Op het eind van de 18e eeuw ontstond er een echte dorpsruzie. Het gevolg was dat Martinus en Willem Jonkergauw namens 22 anderen een boze brief schreven aan het Bossche stadsbestuur. De bestuurders zouden niet goed functioneren, de ambtseed werd niet afgelegd, er werd geen goed gebruik gemaakt van het scharen (het gebruiken van de gemeenschappelijke wei door het vee) en bovendien was men al tien jaar in functie terwijl deze dorpsbestuurders ieder jaar nieuw gekozen zouden moeten worden.
Men vroeg het Bossche stadsbestuur om ingrijpen, „Als U ed. Achtb. naar der zelver wijzer doorzicht zullen oordeelen en vinden te behooren.” De Bosschenaren hoefden niet in te grijpen; de ruzie werd bijgelegd.
In de Franse tijd krijgt 's-Hertogenbosch meer invloed. Men had het dorpsreglement goedgekeurd en de stad oefende een soort supervisie uit. Maar toch wordt Orthen vanaf 1814 als een apart dorp beschouwd; ook door 's-Hertogenbosch. Maar de provincie en het rijk oordeelden anders. Dit gaf aanleiding tot langdurige moeilijkheden.
Temidden van deze perikelen ontstond in het midden van de 19e eeuw een nieuwe gemeentewet. Deze bood de mogelijkheid tot een aparte 'afdeling' van de gemeente. Een dergelijke afdeling had een eigen vermogen, afzonderlijke inkomsten en uitgaven. Zo beschouwde Orthen zich: deel uitmakend van de gemeente 's-Hertogenbosch, maar binnen die gemeente een aparte 'afdeling' vormend met onder andere een eigen begroting en rekening.
Het leidde in 1857 tot moeilijkheden toen de nieuwe begraafplaats werd aangelegd, op het grondgebied van Orthen. De Bosschenaren gaven echter geen enkele schadevergoeding voor deze grond en de Orthenaren gingen in beroep bij de provincie. Zij gingen zelfs tot aan de Hoge Raad toe. Het leidde ertoe, dat bepaald werd dat het vermogen van de Afdeling enkel bestond uit bepaalde rechten tot het gebruik van de grond: de grond zelf was eigendom van de gemeente 's-Hertogenbosch. Dit alles werd in een Koninklijk Besluit door koning Willem III op 1 juni 1866 bekrachtigd.
Sedertdien heeft binnen de gemeente 's-Hertogenbosch de Afdeling Orthen jaarlijks een eigen begroting en zorgt een commissie uit de ingezetenen van Orthen mede voor het beheer van het Orthense 'kapitaal'. Vanaf 1871 is deze samenvoeging van Orthen met 's-Hertogenbosch in de praktijk een feit geworden; in theorie was dat reeds gebeurd met de gemeentewet.
Momenteel wordt er hard gewerkt aan het totstandkomen van een nieuwe gemeentewet. Dan zal ook de aparte status van Orthen, als een 'juridisch reservaat' (woorden van de toenmalige staatssecretaris Vonhof) waarschijnlijk verdwijnen.
|
Brabants Dagblad, vrijdag 23 maart 1990
B. Blondé, De sociale structuren en economische dynamiek van 's-Hertogenbosch 1500-1550 LXXIV (1987) 4, 5, 11n
H.F.J.M. van den Eerenbeemt en L.P.L. Pirenne, 's-Hertogenbosch op de drempel van een nieuwe tijd (1960) 50, 181, 190
J.J.M. Franssen, De Bossche arbeider in zijn werk- en leefmilieu in de tweede helft van de negentiende eeuw XXXIV (1976) 323, 390, 394, 396, 402
C.J. Gudde, 's-Hertogenbosch geschiedenis van vesting en forten (1974) 8, 13, 18, 19, 36, 37, 43, 60, 61, 63, 64, 85, 90, 91, 94, 95, 96, 97, 98, 105, 124, 125, 126, 129, 132, 138, 144, 145, 146, 167, 197, 213
Henk Henkes, Van den Raethuys tot Stadhuis (2016) 158, 168, 169, 170, 219, 226, 246, 249, 263
J.A.M. Hoekx e.a., Vruchten van de goede en de slechte boom : Heyman Voicht van Oudheusden over de godsdiensttwisten in zijn stad 's-Hertogenbosch en in Breda (1577-1581) (2008) 144
F.L. Jansen, Kledinghandel in transitie LXXXVIII (1991) 124, 254
F.P.M. Jespers, "Het loflyk werk der Engelen" LXXVIII (1988) 176, 247-248, 253, 284, 291, 294
A.C.M. Kappelhof, De belastingheffing in de Meierij van Den Bosch gedurende de Generaliteitsperiode (1648-1730) LXIX (1986) 250
A.F.J. van Kempen, Gouvernement tussen Kroon en Statenfacties LXXVI (1988) 179
L. van de Meerendonk, Het klooster op de Eikendonk te Den Dungen II (1964) 6
L. van de Meerendonk, Tussen reformatie en contra-reformatie IX (1967) 2, 3, 14, 15, 19, 47n, 53
Charles de Mooij, Eindelyk uit d'Onderdrukking (1988) 20, 45, 62, 96
M.A. Nauwelaerts, Latijnse school en onderwijs te 's-Hertogenbosch tot 1629 XXX (1974) 12, 28n, 98n, 208, 288
Noordbrabants Historisch Jaarboek 16 (1999) 16, 19, 20, 21, 23, 30, 34, 37, 38, 40, 43, 44, 55, 72, 73, 75-77, 82, 94; 17-18 (2000-2001) 84; 33 (2016) 28, 66, 79, 81, 209
Jan van Oudheusden, Geschiedenis van Brabant van het hertogdom tot heden (2004) 49, 61, 67, 79
L.P.L. Pirenne, 's-Hertogenbosch tussen Atrecht en Utrecht (1959) 122
M.H.M. Spierings, Het Schepenprotocol van 's-Hertogenbosch 1367-1400 LIX (1984) 14, 14n, 16, 19, 20, 22, 43n, 50n, 76, 82, 83, 87, 145, 216, 245, tabel 2
G.M. van der Velden, De kosterij van Bokhoven 1369-1969 XXXVI (1976) 1, 44, 67
Aart Vos, 's-Hertogenbosch : De geschiedenis van een Brabantse stad 1629-1990 (1997) 52, 57, 206, 296, 414
Th. A. Wouters, Van bedeling naar verheffing XI (1968) 97, 163n, 286, 347, 349, 385
Th. A. Wouters, Van verheffing naar begeleiding XII (1968) 94, 153, 178, 195, 218, 219, 220