afb. G.J. Bos, W.C. van Heusden, 1860
Vanaf 1822 werd er een kanaal in de stad gegraven. Dat betekende, dat er vanaf 24 augustus 1826, de verjaardag van koning Willem I de naamgever van het kanaal, schepen in zuidelijke richting konden doorvaren. Niet alleen de bekende zeilschepen, of schepen die getrokken werden door paarden of zelfs mensen, maar ook stoomboten. Het stadsbestuur had al in december 1825 een reglement gemaakt op het varen met boten vanaf de Maas naar de stad. Stoomboten kregen daarbij voorrang op andere schepen. Alle trek- en zeilschepen moesten voortaan aan de westzijde van de Dieze varen. Deze kant stond dan ook bekend als 'de paardzijde'. Als zeilschepen een stoomboot zouden ontmoeten, of indien een stoomboot hen passeerde, moest het zel gehalveerd worden. Werd het zeil niet gedeeltelijk gestreken, dan moest er een boete van 25 gulden betaald worden. Dit alles 'ter voorkoming van ongelukken'.
Want stoomboten waren inderdaad gevaarlijk. Er konden ongelukken mee gebeuren, zoals 's-Hertogenbosch ondervond op zondag 28 oktober 1849. Die morgen, om 7 uur, lag de stoomboot Jan van Arkel 2 in de Haven gereed om uit te varen naar Rotterdam. De passagiers waren al aan boord gegaan, toen met een verschrikkelijke klap, die de hele stad wakker schudde, de ketel sprong. De stoomboot brak letterlijk in tweeën, onderdelen van het schip kwamen op De Plein en zelfs op de Orthenseweg terecht. De schoorsteen kwam op een aak neer die ook zonk. Verschillende passagiers waren in het water terecht gekomen, anderen werden door brokstukken van de boot getroffen. Al spoedig was er hulp ter plaatse en de plaatselijke verslaggever kon in zijn krant schrijven: „Maar vreeselijker dan dit alles is het verlies van zoo veel menschenlevens, die het slagtoffer geworden zijn van deze geduchte uitbarsting. Van acht menschen liggen de verminkte overblijfselen in het gasthuis. Anderen worden nog vermist. Hoe velen> Men kan het niet zeggen.”
Het bleek dat tien personen direct de dood gevonden hadden bij de ramp; één overleed er later in het ziekenhuis. Onder hen waren de Bosschenaren Schnitler (een aannemer), Van Gool (een schoenmaker) en Van Maaren (een andere aannemer). De dekknecht Hagens en hofmeester Gerritsen verloren eveneens het leven. Twee kinderen van de hofmeester, die de conducteur zouden assisteren bij de reis, bleven gespaard. Ook advokaat Schiffer, die in het water terecht kwam.
's-Hertogenbosch kwam op 28 oktober 1849 tot de ontdekking dat de vooruitgang (een sneller vervoer per stoomboot) toch niet altijd in de hand te houden was.
|
Het reizen in de achttiende eeuw was niet altijd even comfortabel. In een koets ging het weliswaar snel, maar slechts met hotsen en botsen kon je je einddoel bereiken. Gerieflijker, maar veel langzamer, werd men vervoerd per schuit. Met een door een paard getrokken trekschuit reisde je gestadig in de goede richting. In een dergelijke trekschuit zat men langere tijd met hetzelfde gezelschap bijeen. Er konden gemakkelijk discussies of twistgesprekken ontstaan. Het is dan ook niet verwonderlijk dat er op het eind van de achttiende eeuw en in het begin van de daaropvolgende eeuw gedrukte werkjes verschenen onder de titel 'Schuitpraatjen' waarin een aantal denkbeeldige reizigers een onderwerp besprak of kritiek op de samenleving leverde. Een dergelijk boekje kwam ik onlangs tegen. Het dateert van omstreeks 1806. In de trekschuit van Rotterdam op Delft leverden enkele reizigers ondermeer commentaar op wat er juist tevoren in Den Bosch was gebeurd.
Een van de reizigers stopt een pijp en de tabak haalt hij uit een tabaksdoos. Dat doet een ander denken aan de watersnoodramp in het Gelderse. Hulp biedende Bosschenaren kregen van de overheid een cadeau. En of daar toen de juiste mensen beloond werden met een zilveren tabaksdoos...?
De burger vertelt: „Ik zal hunne daden u eens vertellen. Fenema, die een lammen arm heeft, wilde zijn Vader zien, die ergens buiten de stad woonde. Hij ging dus gemakkelijk op 's Lands kosten mee. Van Bocholt was zo netjes gekleed, ieder zich verwonderde, en vreesde, dat zijne Spanbroek en spitze schoenen het meest lijden zouden. Wat hij en de anderen verrigt hebben, blijft nog een geheim.” En hij gaat verder: „'t Geen ik zeg is toch de waarheid want zij hebben niets gedaan. Maar daar zijn ook twee anderen, die hebben ieder ook ene Doos gekregen, namelijk de Gebroeders Ruigers. De een schipper op Rotterdam, de andere Arbeider aan de Kraan. De schipper Ruigers is in de Revolutionaire tijd op ene onwettige wijze aangesteld, zijnde zijn schip aan enen anderen zeer braven Schipper ontnomen. Hij wierd bij het Departementaal Bestuur ontboden, en gevraagd of hij ook Schuiten konde leveren, om de noodlijdende te helpen. Hij antwoordt ja! Hij stelt enige Schuiten in requisitie, bij welke de Schippers gaarne hun Knegten gaven, om hunne Schuiten niet kwijt te raken. Ruigers gaf order om uit te vragen, maar bleef zelf stilletjes in de Stad. Dit is alles wat hij gedaan heeft. Onlangs heeft hij, zoo mij gezegd is, een Gereformeerde Schipper, die hem niets misdeed, zo mishandeld, dat hij een stijve arm heeft. En hij heeft tevens de zwangere Vrouw van dien Schipper zo getrapt en geslagen, dat zij van een dood kindjen verlost is. Hij vaart en loopt nog vrij en vrank, zonder enige straf te ontvangen. Zou dit dan ook een verdienstlijk werk zijn? Dat denk ik niet!”
Ongetwijfeld zullen vele Bosschenaren dergelijke verhalen van 'de schandaalpers' met rode oortjes gelezen hebben. Voor betrokkenen was dit minder aangenaam. Maar toch: noch schrijver, noch uitgever was bekend. Op de titelpagina van het drukwerkje staat enkel vermeld: 'Alom te bekomen'.
|
De afgelopen weken heeft het vaak gewaaid en veel geregend. De straten van Den Bosch en omgeving zijn desondanks niet oneder water gelopen. In vroeger jaren stond de gehele omgeving van de stad wel blank bij zware regenval. De Dommel, de Aa en de Maas traden dan buiten hun oevers en zorgden voor een maandenlange overstroming. De stad was slechts via twee of drie wegen bereikbaar. Verschillende dorpen in de omgeving konden slechts per schip bereikt worden. Om goede verbindingen tussen hoofdstad en dorpen in de omgeving te garanderen, waren er reglementen opgesteld tussen gemeentebesturen betreffende het veer (ook wel genoemd: 'nood-veer'). Den Bosch heeft deze onder andere gesloten met Hintham, Rosmalen, Vlijmen, Onsenoort en Nieuwkuijk, Orthen, Deuteren, Den Dungen en Vught.
Laten we het reglement uit 1761 tussen Den Bosch en Vlijmen eens nader bekijken.
Er waren zestien schippers die vanuit de stad vracht naar Vlijmen mocht brengen. Echter: zij moesten leeg teruhkeren. Hetzelfde gold voor de Vlijmense schippers: die mochten vracht naar Den Bosch brengen maar moesten eveneens leeg de terugreis aanvaarden. Beunhazen kregen een bekeuring, evenals zij die met een kar trachtten goederen of passagiers te vervoeren gedurende de watersnoden.
De schipper moest minstens 18 jaar oud zijn, een goede schuit hebben, voorzien van mast, spriet, zeil, fok, touwen, bomen, haken en een paar riemen.
's Morgens als de St.-Janspoort bij de Dommel open ging, moesten de schippers al aanwezig zijn. Indien er passagiers waren, dan hadden die voorrang boven het goederenvervoer. De laatste vaart vanaf Den Bosch zou plaatshebben drie uur vóór het sluiten van de stadspoort, omdat anders de schipper niet meer in de stad zou kunnen. Indien er daarna toch vracht en passagiers de tocht naar Vlijmen wilden maken, mocht de schipper dubbel tarief vragen omdat hij in Vlijmen moest overnachten.
Het tarief voor een passagier was zes stuivers en acht penningen. Het vervoeren van een paard kostte acht stuivers. Het overbrengen 'voor iedere ton bier, azijn of ander nat' drie stuivers.
Behalve dubbele tarieven voor de late tochten, was er ook een tarief voor de 'extraordinaire vragt-loonen'. Dit mocht gevraagd worden bij hard of onstuimig weer. Dat was als de zeilen van de wieken van de molens op de stadswallen werden ingekort omdat deze anders te hard zouden draaien. Dit hoge loon mocht eveneens gevraagd worden bij zware ijsgang. Dan moest er voor een passagier twaalf stuivers betaald worden: het paard kosste zestien stuivers terwijl er voor een ton zes stuivers in rekening werd gebracht. Indien het weer echter bijzonder slecht was, dan waren de schippers niet verplicht uit te varen.
Ondanks de grote wateroverlast konden Bosschenaren tegen flinke betaling in Vlijmen komen. Prettiger was het echter als het hard vroor; dan konden per schaats lange tochten gemaakt worden naar dorpen in de omgeving.
|
Aan het Bossche station zal binnenkort stevig gewerkt worden. De sporen worden verbreed en er komt een nieuw station. Hopenlijk blijven de overkappingen gespaard en zal een nieuwe loopbrug naar het westelijk gebied leiden, waar een hoogeschool, de rechterlijke macht en andere instanties een onderkomen kunnen krijgen. Echter, nu lijkt de intercity 's-Hertogenbosch met een snelheid van 115 kilometer per uur te passeren: in- en uitstappen is dan niet meer mogelijk! Daarvoor was men 170 jaar geleden ook al bevreesd, toen de Zuid-Willemsvaart werd aangelegd: de boten zouden de stad passeren zonder, dat ze aan hoefden leggen.
Nu was het met het vervoer vanuit de Hertogstad naar elders in de 18e eeuw niet zo gemakkelijk gesteld. Er waren niet veel mogelijkheden. En het duurde lang voor men in Amsterdam of Den Haag aangekomen was.
De stad kende een aantal beurtschepen, die tussen twee steden heen en weer voeren. Soms werden ze ook wel 'marktschip' genoemd, als de aankomst verband hield met de weekmarkt. Ieder dag van de week voer er een schip naar Rotterdam; kennelijk de meest drukke route. Twee dagen eerder was er de schipper op Gorcum: deze voer niet op maandag en dinsdag. De boot naar Dordrecht vertrok van woensdag tot en met zaterdag. Op zondag vertrok er ook een schip naar Amsterdam. Op maandag werd er gevaren naar Den Haag en Middelburg en de volgende dag naar Delft, Nijmegen en Tiel. Op woensdag ging het ook naar Leiden. Op donderdag - naast Rotterdam, Dordrecht en Gorcum - eens in de veertien dagen naar Utrecht. Vrijdags vertrokken vanuit de haven de boten naar zes steden, waaronder Den Haag, Gouda en Haarlem. Op zaterdag naast de drie bekende steden een boot naar Schiedam.
Voorts waren er postwagens en voerlieden, die hun vaste route reden. De postwagens reden naar Grave, Nijmegen, Breda, Antwerpen, Turnhout en Maastricht. De voerlieden brachten hun vrachten vanuit 's-Hertogenbosch in hoofdzaak naar steden en dorpen in de Meierij: Helmond, Eindhoven, Oss, Waalwijk, Drunen, Oisterwijk, Tilburg, Boxtel, Oirschot, Hilvarenbeek, Sint-Oedenrode, Bladel en Heeze en Leende. Vanaf de herberg 'de Tarton' aan het Hinthamereinde vertrok op maandag en vrijdag de voerman naar Aarle-Rixtel, Beek en Donk en Lieshout.
Volgens de almanak van 1764 waren dit de routes van waaruit men naar en van 's-Hertogenbosch vertrok. Opmerkelijk is, dat men naar het noorden en westen over het algemeen met boot reisde, terwijl naar het zuiden en oosten de koets favoriet was. Vanzelfsprekend kon er onderweg 'overgestapt' worden, zodat er meer steden te bereiken waren. Maar een nauwkeurig onderzoek zal aan moeten tonen langs welke rivieren men zich verplaatste. Er kon (snel) gezeild worden, maar bij windstilte moest de boot getrokken worden door paarde- of mensenkracht. Een aanmerkelijk verschil met de duizenden paardekrachten, die iedere trein in werking stelt om passagiers binnen een korte tijd naar een verre afstand te brengen.
|
1989 |
Henny MolhuysenVerhalen en legenden : Stoomboten![]() |
|
1989 |
Henny MolhuysenVerhalen en legenden : Schuitpraatjen![]() |
|
1990 |
Henny MolhuysenVerhalen en legenden : Veer naar Vlijmen![]() |
|
1993 |
Henny MolhuysenVerhalen en legenden : Marktschepen![]() |
|
2012 |
Bram Steketee en Hans WillemsStoomboot ontploft in 1849 : De ondergang van de 'Jan van Arkel no. 2'![]() |
|
2015 |
Domien van der Meijden'Schepen Engelen elders aan de kade'![]() |
|
2015 |
Huber van WerkhovenDecember 1813: een boottocht van 's-Hertogenbosch naar Gorinchem![]() |
A. van Sasse van Ysselt, 'Scheepvaartverbinding tusschen Luik en 's-Hertogenbosch' in: Taxandria (1936) 144-148