Jo van Hoek, een Bosschenaar in de oorlog

In Bossche Kringen van januari en maart 2015 was een verslag te lezen, dat een anonieme zuster maakte van de bevrijding van 's-Hertogenbosch eind 1944. Daarop kregen we een mailtje van Jo van Hoek. Hij vertelde daarin dat hij een van de mensen was, die bij de zusters in de Hinthamerstraat ondergedoken had gezeten. Reden om eens met hem om de tafel te gaan zitten. Hier volgt een korte weergave van het lange gesprek dat we met hem hadden.

Jo van Hoek was 14 jaar, toen de Tweede Wereldoorlog ook Nederland bereikte. "Het was voor ons jongens eigenlijk best wel een spannende tijd. Gevaar zagen we meestal niet, daar waren we te jong voor." Dat was een van de nuchtere opmerkingen die Jo maakte.

Voor en tijdens de oorlog

Jo werd in 1926 geboren in de Stoofstraat waar nu nieuwe appartementen zijn verrezen. Zijn opa woonde in de Postelstraat, in de Drie Slotels. De jonge Jo ging naar de fratersschoot van de Sint-Cathrien, later naar de schoot van de Sint-Jacob op de Zuid-Willemsvaart. Zijn schoolcarrière rondde hij af op de Angelusmulo op de Wolvenhoek. Daarna werd hij administratief ambtenaar bij het parket van justitie.
Zijn schooltijd ervoer hij niet altijd als onprettig. "In de eerste klas hadden we les van frater Florides. Die was zijn tijd ver vooruit met aanschouwelijk onderwijs: hij bakte brood op de kolenkachel, die toen nog in elk lokaal stond," zo vertelt Jo, "en in het laatste jaar hadden we frater Licetas, die onder de naam N. Doumen een aantal boekjes heeft geschreven." Een van de Leraren van de Angelus, die Jo zich nog herinnert, was de heer Wouters. "Hij zat kennelijk in de illegaliteit, maar liet dat natuurlijk niet merken. Toen ik in 1944 met tuberculose en pleuritis een maand of acht, negen op bed moest blijven - we woonden toen in de Van Paeschenstraat -, lag ik bij mooi weer voor het open raam en verveelde me kapot. Op een dag kwam Wouters langs die me een aantal enveloppen met distributiebonnen gaf. Hij vertelde dat die door een ander opgehaald zouden worden. Dat gebeurde een aantal keer. Dat waren natuurlijk bonnen voor het verzet. Zo heb ik toch nog een beetje meegeholpen aan de goede kant," zegt Jo met enig understatement. Ook zijn oudere broers zijn de oorlog redelijk doorgekomen: "Ze hadden een soort vrijstelling, waardoor ze niet naar Duitsland hoefden om te werken. Alleen Wim is door de Kin opgepakt, waarna hij in Zeeland moest helpen bij het palen heien."

Bij de zusters

Zondag 22 oktober 1944 viel een Engels vliegtuig met bommen op de Graafseweg. Omdat Jo van Hoek in de nabij gelegen Van Paesschenstraat woonde, "gingen we daar helpen om spullen te redden." Ook het Eikendonkplein werd beschoten. Zo vertrok hij naar de zusters in de Hinthamerstraat die velen onderdak boden. Hij kende het klooster al een beetje, omdat hij acoliet was bij de zusters (daarnaast was hij misdienaar van de Sint-Jacob).
Hij vertelt over gebeurtenissen die hij meemaakte. "Er was een granaatinslag in de kapel. Ik diende de mis - later bleek het zo'n beetje de laatste mis daar te zijn geweest en was dus bij het altaar bezig. Ik vluchtte de gang op, waar pater Bernardinus me richting de kelder dwong. Zelf maakte de pater de mis eerst af. Op de keldertrap stonden de mensen stijf recht overeind, zo druk was het. Een van de mensen die er ook zat, was Jan Sliphorst. Die heeft nog een
48

granaat - die als blindganger op de plaats was terchtgekomen, in de Zuidwillemsvaart gesmeten. Op een ander moment zaten we in de gymzaal van de school. Er hing een bom in het plafond en mensen zaten vlak bij die bom in een hoek. Toen heeft een man van de Luchtbescherming de bom meegenomen. Via de Hinthamerstraat ging hij richting de Markt. Op de hoek met de Torenstraat zaten Duitsers, die bij het zien van de bom maakten dat ze wegkwamen. Hij heeft de bom uiteindelijk in de Sint Josephstraat in de Binnendieze gekieperd."
Zo blijven de anekdotes maar komen. "Vanuit een zolderraam zagen we een Britse tank uit de Van Bernestraat komen. Daar op de hoek zat Lewin, maar in 1944 was dat een magazijn van de Duitsers. De tank kreeg een voltreffer, de bemanning sprong eruit. De tank stond in brand en de munitie zorgde voor de nodige ontploffingen. Later vertelde de commandant dat het al zijn derde tank was in twee dagen die kapot ging, maar steeds had de bemanning het er levend afgebracht. Daarna werd de brug bij het Kardinaal van Rossumplein door de Duitsers opgeblazen: de hele omgeving ging mee de lucht in."
Hij gaat verder over de Britten: "De Engelsen kwamen via Sluis 0 de Zuidwillemsvaart over. De andere morgen wilden we kennis maken met de geallieerden, dus we liepen naar Sluis 0. Een tolk, die ook Duits sprak, stuurde ons weg: het was te gevaarlijk. Even Later werd de tolk zelf geraakt en bleef op de grond liggen. Wij jongens zagen geen gevaar."
Op de vraag of de zusters goed voor de mensen waren, antwoordde Jo: "Ja, ze hadden ook meestal geen last van ons." En meteen komt het volgende voorval: "Bakker Verhoeks, die op de hoek van de Mgr. Prinsenstraat zat, waar nu een snackbar is, had geen brood gebakken. Gelukkig kwam er brood van bakker Eickholt, zodat de mensen toch te eten hadden."
We danken Jo van Hoek voor zijn bijzondere verhalen over een gewone jongen in de oorlog.

Nik de Vries en Ton Vogel | Bossche Kringen 4 (2015) 48-49
49