Zusters Sociëteit van JMJ, van Jezus, Maria en Jozef

Deel I: Algemene geschiedenis

1. Inleiding

In deel I geven we een summier overzicht van de geschiedenis van de congregatie vanaf 1822. De idealen, de spiritualiteit, de explosieve groei van het aantal zusters en huizen, de werkzaamheden in onderwijs en zorg komen aan de orde. In Nederland en enkele ontwikkelingslanden. In deel II wordt in het bijzonder ingegaan op de vestigingen in 's-Hertogenbosch.
Het onderwijs in Noord-Brabant werd tussen 1840 en 1970 grotendeels bepaald door Zuster- en Broedercongregaties die in de 19e eeuw gesticht werden. De Broeders/Fraters/Zusters waren goedkope arbeidskrachten, maar ook goed opgeleide en geïnspireerde leraren die veel generaties kinderen uit alle milieus kansen gaven op persoonlijke ontplooiing in de (standen)maatschappij. De congregatie van JMJ was er daar één van, die voor meisjes bewaarscholen, lagere scholen, mulo- en kweekscholen oprichtte, naast de naai- en breischolen. Hun internaten voor de hogere stand maakten deze laatste activiteiten financieel mogelijk.
De laatste decennia groeit de congregatie alleen nog in enkele ontwikkelingslanden. Dat blijkt uit de volgende gegevens over 2015:
Ongeveer 110 zusters, met een gemiddelde leeftijd van 86 jaar, zijn aangesloten bij de Nederlandse Provincie van JMJ. Ze doen geen apostolaatswerk meer. Het bestuur zetelt in 's-Hertogenbosch. Aan de Indonesische Provincies van JMJ, met elk een eigen bestuur, zijn 270 Indonesische nonnen verbonden. In India werken 680 nonnen, verdeeld over vier Provincies, met elk een eigen bestuur. In Ghana werken 21 zusters van JMJ. Elders wonen nog 8 nonnen.
Volgend jaar, in 2016, zullen de zusters van zowel Indonesië als van India zelfstandige congregaties worden. Daarvoor heeft Rome al toestemming gegeven.
Het Generalaat, waar het algemeen bestuur nu, in 2015 nog werkt, is gevestigd in 's-Hertogenbosch, aan de Sint-Janssingel. Het staat onder leiding van de Indonesische zuster Theresia Supriyati (* Yogyakarta, 1960). Alle buitenlandse afdelingen zijn ooit vanuit Nederland gesticht en veel Nederlandse zusters hebben er jarenlang gewerkt (behalve in Ghana). Het moederhuis, Mariënburg, aan de Sint-Janssingel in 's-Hertogenbosch, wordt komend jaar verkocht. De overgebleven nonnen zijn dit jaar al verhuisd naar het verzorgingshuis De Bongerd/Cunera in Heeswijk en Huize Molenweide in Boxtel.

2. Stichting in 1822 te Amersfoort

Pater Mathias Wolff1, geboren in Diekirch (Lux.) in 1779, werd na zijn priesterwijding Jezuïet. In 1816 werden twee Jezuïeten, onder wie pater Wolff, benoemd om in Culemborg een statie te bedienen, anders gezegd een parochie te leiden. In die tijd werd het de Roomsen niet gemakkelijk gemaakt om het geloof te belijden, maar de man uit het zuidelijke deel van de Nederlanden van na het Weens Congres in 1815, ging onbevangen en energiek aan het werk in het pastoraat. In 1819 en 1820 begeleidde hij enige jonge vrouwen uit zijn parochie die zich tot het leven in een klooster voelden aangetrokken. Ze gingen naar het noviciaat in België, in Gent en Namen, om zich op het kloosterleven voor te bereiden. Dat vond plaats in
1.A.M.A.J. Driessen en G.P. van de Ven, Zusters van JMJ, Geschiedenis van een Congregatie 1822-1962, Hilversum (2015) 33
1

kloosters van de ´Soeurs de Notre Dame´. De dames leerden er de Franse taal, kregen godsdienstige opvoeding en werden gevormd tot onderwijzeres. (In de loop van 1823 zouden ze terugkeren en zich aansluiten bij de zustercongregatie in Amersfoort).
Tijdens dat verblijf van de Culemborgse religieuzen in Gent en Namen, deden zich nieuwe ontwikkelingen voor in de noordelijke Nederlanden. Invloedrijke katholieken zagen kansen om aan de achterstandspositie van katholieken een eind te maken. Ze richtten in 1820 te Utrecht de ´Roomsch-Catholijke Maatschappij´ op, als tegenhanger van de neutrale ´Maatschappij tot nut van het Algemeen´. Le Sage ten Broek was één van hen, ook pater Wolff, een zestal pastoors en enkele invloedrijke gefortuneerde katholieken waren initiatiefnemers. Boekjes en brochures over de katholieke godsdienst werden op grote schaal verspreid. Al na drie jaar werd de R.C. Maatschappij echter verboden, want ´ze vormde een bedreiging voor de openbare orde´.
Enkele dames van goeden huize uit Utrecht met een onderwijsbevoegdheid waren via de R.C. Maatschappij op het idee gekomen om religieus te worden. Onder hen waren Maria van Werkhoven en Jeanette Pijpers. Er werd een stichting opgericht te Amersfoort, de Pédagogie Chrétienne, die zich met onderwijs aan meisjes wilde belasten. Dat gebeurde op 29 juli 1822. (deze datum wordt nog steeds als stichtingsdatum van de congregatie beschouwd, zowel van de zusters van Amersfoort als die van JMJ). Pater Wolff was er bij betrokken. Maria van Werkhoven en Jeanette Pijpers traden in 1822 als postulanten in. Wolff schreef in de lente van 1823 een kort reglement voor de Pédagogie Chrétienne. Het werd op 12 juni 1823 goedgekeurd door de kerkelijke overheid. De werkzaamheden werden gestart met het huren van een huis in de Muurhuizen (van de stadsmuur) in Amersfoort. Christina Dubois voegde zich bij hen. (Nadat haar moeder die ze had verzorgd, was overleden).
Het pand met erf in de Muurhuizen werd niet alleen gebruikt als klooster, maar ook voor het geven van onderwijs aan ´jonge dochters in de gronden der Rooms Katholieke Religie´.1 Vanuit Culemborg begeleidde pater Wolff de jonge communiteit: geestelijke oefeningen, meditatie en gebed, naast het onderwijs en de huishoudelijke zorg. Dit alles wekte aanvankelijk wel achterdocht bij de burgerlijke autoriteiten. Op 23 oktober 1823 kwam bij de burgemeesters van Amersfoort het verzoek binnen van de Pédagogie Chrétienne voor de stichting van een nieuwe armenschool voor meisjes. De ´geheime naspeuringen´ van de overheid naar het doen en laten van de jezuïet Wolff en de betreffende dames werden toen beëindigd. Vanuit het klooster in Namen (B) kwam de bekwaamste Culemborgse ´soeur´ met een aldaar gekopieerd kloosterreglement naar Amersfoort. In het najaar van 1824 telde de gemeenschap zeven leden. Op 8 juni 1825 werden de geloften van gehoorzaamheid, kuisheid en armoede afgelegd door 7 kandidaten ten overstaan van pater Wolff.
De congregatie had aantrekkingskracht onder burgerjuffrouwen met een ideaal. In 1828 waren er reeds 21 leden, vaak zeer begaafde dames, uit hogere standen. (Het charisma en de werfkracht van pater Wolff hadden grote invloed). Voor het oprichten van een internaat voor jonge juffrouwen kreeg één van hen, de eerder genoemde Maria van Werkhoven, al in 1824 toestemming van het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Deze Soeur Ignace van Werkhoven had de bevoegdheid tot het geven van onderwijs, ze was ´schoolhouderesse´. Samen met Jeanette Pijpers en Maria Stichter vormde ze een ´associatie´ onder de naam ´firma Van Werkhoven en compagnie´. Bij het stadsbestuur had zuster Ignace van Werkhoven ook reeds in 1823 het patent van ´naaister´ aangevraagd om een naaischool te kunnen beginnen voor arme meisjes. In 1826 overleed de begaafde non Ignace Van Werkhoven, op 29-jarige leeftijd. De naam ´firma Van Werkhoven en Co´ en de doelstellingen, namelijk het in de kost nemen
1.A.M.A.J. Driessen en G.P. van de Ven, Zusters van JMJ, Geschiedenis van een Congregatie 1822-1962, Hilversum (2015) 49
2

en verzorgen, opvoeden en onderwijzen van jonge juffrouwen, bleven gehandhaafd.1 Hetzelfde jaar (1826) werd er een succursaalhuis, d.w.z. een nieuwe onderhorige afdeling, van de Pédagogie Chrétienne, in Engelen opgericht.
Er werd gestart met lagere schooltjes bij het succursale huis te Nijmegen in een huurhuis op de Oude Varkensmarkt in 1829. Het werd St. Aloysiusgesticht genoemd. Op de begane grond was een lagere school voor arme meisjes en twee nonnen woonden boven. Ook in Zevenbergen kwam een vestiging, in 1830. Een oud weeshuis werd gekocht door het parochiebestuur. Het werd nu St. Antoniusgesticht genoemd. Drie zusters gaven les aan zo´n honderd meisjes. Naaiwinkels, d.w.z. schooltjes waar naast nuttige handwerken ook elementair onderwijs werd gegeven, kwamen in Geertruidenberg, Vlijmen en in 's-Hertogenbosch. (van 1830 tot 1840, in de Ridderstraat).
Het elitair pensionaat van Amersfoort nam in 1824 drie internen op, in 1825 weer tien nieuwe pensionaires en het jaar daarop twintig. In 1832 kwam het pand in de Muurhuizen in eigendom van de ´firma Van Werkhoven en Co.´ voor ƒ 4000,- . In de tuin werd een fraai leslokaal gebouwd. Matthia Stichters was toen kloosteroverste, maar het leven dat ze leidde als non was bepaald niet passend, tamelijk mondain. De religieuzen die kritiek hadden op haar levenswijze werden door haar overgeplaatst naar Nijmegen, teruggestuurd naar Engelen of verbannen naar het ouderlijk huis. De onrust in het land vanwege de Belgische opstand kwam haar hierbij goed van pas. De overste achtte vijf zusters voldoende in haar klooster om aan de macht te blijven en het werk te doen, nieuwe kandidaten werden niet meer aangenomen. De congregatie telde in 1830 dan ook niet meer dan twintig leden. Pater Wolff werd onwetend gehouden. Bovendien had de leiding van de Jezuïetenorde hem opgedragen de bemoeienis met de congregatie te staken, nu die eenmaal op eigen benen kon staan. Pastoor G.A. Vermeulen in Amersfoort die aan de stichting ook veel had bijgedragen, werd door moeder overste evenmin in de arm genomen. Pater Wolff werd door de kerkelijke overheid in 1834 op afstand gezet; hij werd benoemd tot pastoor van de Nijmeegse Molenstraatkerkparochie.2 In 1839 schoof de overste, Matthia Stichters, hautain en aan een luxe leventje gewend, zelfs haar biechtvader/docent godsdienst van het internaat aan de kant. De overste was niet te corrigeren, mede ten gevolge van de te onderdanige gehoorzaamheid van haar medezusters. Nadat haar bestuursperiode van tien jaar voorbij was, regelde ze geen nieuwe verkiezing, maar bleef zelf besturen. Pas in 1840 volgde een revolte binnen de associatie, dank zij gesprekken van enkele nonnen met hun biechtvaders tijdens een retraite.
Mère Matthia Stichters moest wel vertrekken. Ze deed in 1841 nog een poging om in het huis in Engelen opgenomen te worden. Ze was niet welkom en bracht vanaf 1842 de rest van haar leven door in het huis dat ze van haar ouders had geërfd. Het juridisch gevolg was evenwel dat vanaf 1840 twee congregaties naast elkaar bestonden. De Amersfoortse pastoor G.A. Vermeulen schreef in 1840 in een brief aan een vertrouweling dat de vereniging feitelijk was ontbonden. Dan volgt een nieuwe ontwikkeling.
In Amersfoort zetten de drie overgebleven zusters het onderwijsinstituut voort onder de naam: ´Associatie Van Werkhoven en Co.´. Bij pastoor Vermeulen legden ze in 1841 nieuwe geloften af. Mère Marie Joseph Kisters werd overste van de Amersfoortse ´Congregatie van Onze Lieve Vrouw´. Medezusters waren soeur Marie Agnes Kisters en soeur Brigitte Hans. De eerder naar een convent van de derde orde van St. Franciscus, in Maarssen (U.), uitgewekenen kwamen in 1843 nu terug: Theresia Weysenfeld en Louise van der Leeuw.
1.A.M.A.J. Driessen en G.P. van de Ven, Zusters van JMJ, Geschiedenis van een Congregatie 1822-1962, Hilversum (2015) 80.
2.Idem, 85.
3

De ontwikkelingen in Engelen, waar rond 1840 vijf zusters woonden en werkten en nauwelijks contact hadden met Amersfoort, worden dadelijk geschetst.
Gedurende de jaren 1845/1850 werden vier pogingen ondernomen om beide congregaties, die nu verschillende constituties en huishoudelijke regels hadden, nader tot elkaar te brengen. Maar Johannes Zwijsen die de rechterhand van de apostolisch vicaris was en vanaf 1845 het toezicht had op JMJ, hield vast aan de regels die hij JMJ in Engelen had opgelegd. Die waren voor Amersfoort niet acceptabel. De nonnen van beide huizen waren meer genegen tot toenadering, maar hadden geen macht tegenover Zwijsen. Toen Pater Wolff wilde bemiddelen, bleek de vrees van de zusters voor Zwijsen zo groot, dat overste Marie Joseph Kisters van Amersfoort het volgende besluit nam: ´Wij zijn wel twee onderscheidene takken, maar toch uit één en dezelfden boom1 Zo ze aan Pater Wolff en is de discussie gesloten. Op 7 april 1851 toonde Pater Wolff zich dankbaar vanwege ´zijn´ oprichting van de congregaties en het werk van de voorafgaande dertig jaar. Hij meldde dit in een brief: ´Overigens kan ik God niet genoeg danken, dat hij mij zo lang heeft laaten leven dat ik de beyde takken van het instituut goedgekeurt en met zoo veele voorregten versierd nog mag beleven.´ De beide congregaties kwamen hierna afzonderlijk tot grote bloei.

3. Engelen: moederhuis van JMJ (1840-1871)

In oktober 1826 kwam een tweetal ´jonge juffrouwen´ van de Amersfoortse ´Pédagogie Chrétienne´ naar Engelen om er een naaischool voor arme meisjes te beginnen. Dit gebeurde op verzoek van de plaatselijke pastoor, de pater norbertijn Jacobus van Hooff. Die had hiervoor pater Mathias Wolff s.j. benaderd. Wolff ging direct in op het verzoek, want ´zijn´ huis in Amersfoort raakte overvol. In 1827 volgden nog twee dames, in Amersfoort opgeleid als onderwijzeres, om in Engelen een pensionaat te beginnen voor jonge juffrouwen onder de firmanaam ´Van Engelen en Compagnie´. Deze schuilnaam achtten ze nodig vanwege de zeer anti-klerikale elite in de bestuursorganen. (zie over ´Engelen´ ook hierna in deel II, par. 1).

(De dames Leysen, Jansen en Smits uit België die door pastoor van Hooff ook uitgenodigd en verwelkomd werden, namen liefdewerk op zich in de parochie: de zorg voor ouderen. Maar ze vertrokken na enkele jaren naar Tilburg en richtten onder leiding van J. Zwijsen in 1832 een andere congregatie op. Die van de Zusters van Tilburg, de Zusters van Liefde, van O.L. Vrouw, Moeder van Barmhartigheid).2

Zowel de burgemeester, de gouverneur van de provincie, als de minister stonden afwijzend tegenover de oprichting van katholieke onderwijsinstellingen. Zeker nu een nauwe relatie bleek met de jezuïet Wolff die kapelaan in Culemborg was, maar regelmatig in Engelen gesignaleerd werd. Toch kwam het tot een goedkeuring in december 1827 van Gedeputeerde Staten voor de oprichting van ´een kostschool voor jonge jufvrouwen waarin onderwijs zoude worden gegeven in de beginselen der Nederduitsche en Fransche talen en hetgeen verder tot eene beschaafde opvoeding behoort, welke kostschool zich enkel en alleen zal bepalen tot onderwijs van jonge jufvrouwen die van elders komen3
De argumentatie van Van Hooff, dat de kostschool tot ´meerder vertier en welvaart in de gemeente zal strekken en niet het minste nadeel zal hebben voor de plaatselijke school´ zullen zeker meegewogen hebben.
Engelen was een dorpje met ca. 50 woningen en 299 inwoners. Het gehuurde huis raakte snel te vol met jonge dames en nieuwbouwplannen voor een betere huisvesting werden door Van Hooff en Wolff voortvarend aangepakt. Het bedelen ging hen goed af. De cruciale steun
1.A.M.A.J. Driessen en G.P. van de Ven, Zusters van JMJ, Geschiedenis van een Congregatie 1822-1962, Hilversum (2015) 98.
2.Zuster Seraphine Gommers, En het zaad groeide op, geschiedenis van de congregatie der zusters van de H. Maagd Maria genaamd het gezelschap van Jezus Maria Jozef van af haar stichting in 1822 tot 1940, Moederhuis Mariënburg ´s-Hertogenbosch (1957) 42-43, 59.
3.Idem, 102.
4

op politiek vlak kwam van de notabele Henri (Hein) de Wijs uit 's-Hertogenbosch, een vurig katholiek en fel tegenstander van het antikatholieke overheidsbeleid.
In 1828 kwam het mooie pensionaat langs de Dieze gereed voor de prijs van ƒ 60.000,-. Het aantal pensionaires nam snel toe: rond 1830 woonde er een dertigtal jonge dames, uit vooraanstaande families uit ´s-Hertogenbosch (o.a. van De Wijs, Van Rijckevorsel, Luyben) en dochters van notabelen uit het hele land. Toch bleef er ´grote ongerustheid´ leven bij de koning, ministers, gouverneur en burgemeester die onderzoek na onderzoek instelden en de school onder bijzonder toezicht hielden.1 Engelen lag in die tijd betrekkelijk geïsoleerd, beurtschippers zorgden wel voor een geregelde verbinding over het water.
Het onderwijs aan juffrouwen van de gegoede stand werd de primaire taak. Algemeen vormende vakken als Nederlands, Frans, rekenen, schrijven en vrouwelijke handwerken werden gegeven. Piano- en tekenlessen waren mogelijk op verzoek. De apostolisch vicaris van 's-Hertogenbosch, H. den Dubbelden (1769-1851), gaf ook toestemming nieuwe huizen op te richten. Wolff zorgde dat spiritualiteit een belangrijke plaats innam in het dagelijks leven. Het ging voorspoedig met de congregatie, nieuwe postulanten werden aangenomen, kerkelijke goedkeuring volgde en de burgerlijk-juridische status werd geregeld. Op 30 september 1842 vond in 's-Hertogenbosch ten overstaan van notaris H.A. Bijvoet de oprichting plaats van het Zedelijk Lichaam ´Vereeniging van Vrouwen tot het geven van Onderwijs´, gevestigd te Engelen. De oprichtingsakte regelde - in zestien artikelen - zeer stringent het doel, het bestuur en de organisatie en financiën van het Zedelijk Lichaam. In het bestuur zat ook Catharina Margarethe Buissink, na 1840 ingetreden, en nu al schoolhouderesse van het in 1841 opgerichte succursale huis in 's-Hertogenbosch, in de Kerkstraat 59.2 (zie hierna, in deel II, par. 2).
In 1840 telde de congregatie van JMJ in totaal twaalf zusters. Vijf in Engelen, één in 's-Hertogenbosch, drie in Nijmegen en in Zevenbergen ook drie. De crisis in Amersfoort, eerder vermeld, ging goeddeels aan hen voorbij. Pater Wolff adviseerde, enthousiasmeerde en zorgde ervoor dat het huis in Engelen zelfstandig verder zou gaan. De huizen in 's-Hertogenbosch, Nijmegen en Zevenbergen zouden hieraan onderhorig blijven. Pater Wolff mocht zich van de orde-overste van de jezuïeten niet meer bemoeien met Amersfoort. Hij concentreerde zich op Engelen. Zuster Clara Lantman werd op voorstel van Wolff door de medezusters tot overste gekozen. Wolff redigeerde ook de Constituties en de Regel van het klooster.
Samengevat: de vestiging in Engelen, aanvankelijk het succursale huis van Amersfoort, werd het moederhuis van JMJ, onder algemeen overste Clara Lantman. Pater Wolff had een belangrijke rol in deze ontwikkeling, maar werd na 1845 door de coadjutor van apostolisch vicaris Den Dubbelden op een zijspoor gezet. Deze coadjutor was Johannes Zwijsen, die in 1832 de congregatie van zusters van Tilburg had gesticht. (Zusters van Liefde, van O.L. Vrouw, moeder van Barmhartigheid). Hij reorganiseerde de congregatie JMJ te Engelen en vanaf 1845 nam hij de leiding over van pater Wolff. Moeder overste Clara Lantman en assistente soeur Adrienne Pijpers hadden het er maar moeilijk mee. Wolff was meer een spiritueel adviseur, Zwijsen meer een bestuurder.

4. Zusters van JMJ onder leiding van Mgr. Joannes Zwijsen

De congregatie van Engelen was vrij klein, vergeleken met de door pastoor J. Zwijsen in 1832 in Tilburg opgerichte congregatie van O.L. Vrouw, moeder van Barmhartigheid. (de
1.Zuster Seraphine Gommers, En het zaad groeide op, geschiedenis van de congregatie der zusters van de H. Maagd Maria genaamd het gezelschap van Jezus Maria Jozef van af haar stichting in 1822 tot 1940, Moederhuis Mariënburg ´s-Hertogenbosch (1957) 104-110.
2.A.M.A.J. Driessen en G.P. van de Ven, Zusters van JMJ, Geschiedenis van een Congregatie 1822-1962, Hilversum (2015) 117.
5

´Zusters van Tilburg´). In 1845 had de ´Congregatie van Engelen´ 38 leden, 18 geprofeste en 20 novicen, verdeeld over Engelen (het moederhuis), en de huizen in ´s-Hertogenbosch (Kerkstraat 59), Waalwijk, Zevenbergen en Nijmegen.
Johannes Zwijsen vreesde voor het voortbestaan van de congregatie, na de crisis in Amersfoort. En hij had als sociaal voelend pastoor elke zuster nodig om de armen in ´zijn diocees´ kansen tot ontplooiing te bieden. Daarom trad hij voortvarend op, daartoe was hij nu bevoegd. Hij was namelijk in 1842 tot coadjutor (naaste medewerker) van de apostolisch vicaris benoemd, met recht van opvolging. Hij zette zich in voor de toekomst van de congregatie van JMJ. Dat was wel tegen het zere been van Pater Wolff. Zeker toen bleek dat de overste van de jezuïeten - hij was in conclaaf geweest met Zwijsen - begrip bleek op te brengen voor diens standpunt. De generaal-overste droeg Wolff op zich niet meer met de dagelijkse leiding van de congregatie bezig te houden: ´het behoort op geen enkele wijze aan een man van de ´sociëteit der Jezuïeten´. De zusters waren er niet gelukkig mee, maar berustten in de situatie.
Zwijsen schreef een nieuwe Regel, vooral betreffende het bestuur van JMJ. Het toezicht en de jurisdictie kwamen aan de ´ordinarius´, i.c. aan hemzelf, de bestuurder namens de kerkelijke overheid. In 1845 werd mère Clara Lantman volgens de nieuwe Regel herkozen tot overste, maar niet meer voor 10 jaar, voor 6 jaar. Alle zusters legden tegenover pater Wolff opnieuw de geloften af op de Regel die Zwijsen had geschreven. Dat werd hem toegestaan, maar moet extra pijnlijk voor hem geweest zijn. Den Dubbelden en Zwijsen waren zeer tevreden. De burgerkleding van de nonnen, toch zeer sober en stemmig (een zwart kostuum, met neepjesmuts en pelerine), werd verwisseld met uniforme religieuze kledij: habijt met kap en sluier. Nu de tijden zo veel gunstiger waren geworden konden religieuzen, zonder dat ze ergernis van de buitenwereld ondervonden, op deze manier verschijnen. Geloften werden voortaan afgelegd in twee fasen: tijdelijke en eeuwige geloften. Vanaf 1848 werd begonnen met een jaarlijkse statistiek: de z.g. ´staat van het personeel der congregatie en van de veranderingen en bijzonderheden´.1 Na het overlijden van de apostolisch vicaris H. den Dubbelden in 1851 kreeg J. Zwijsen die functie en in 1853 zou hij bisschop worden.
In 1851 sloot de algemeen overste van de congregatie van JMJ te Engelen, Clara Lantman, een contract met de plaatselijke pastoor van Culemborg, de jezuïet P. Corstiëns. Het ging over de vestiging van een huis en bewaarschool in die plaats, per 1 mei 1852. De opening van het huis werd op die datum gevierd ter gelegenheid van het gouden priesterfeest van pater Wolff. Deze was er zeer verheugd over. Zijn patroonheilige, Sint Matthias, werd ook de patroon van het nieuwe huis. Het ging goed in Culemborg, en de algemeen overste begon daar in 1855 ook een pensionaat. En wel in twee woningen aan de Markt die door een rijke familie waren afgestaan. Daar was Zwijsen niet gelukkig mee, zo liet hij haar in een brief verontwaardigd weten. De school lag naar zijn mening veel te dicht bij het kleinseminarie, de priesteropleiding. Hij had geen bezwaar tegen een pensionaat in een ander deel van de stad. Dat kwam er inderdaad, in 1860, Mariakroon.
In de tuin van Mariakroon is honderd jaar na het overlijden van Mathias Wolff, in 1957 een grafkapel boven zijn laatste rustplaats opgericht. Die staat er nog steeds en is onlangs opgeknapt. De weinige stoffelijke resten zijn in 1979, tweehonderd jaar na zijn geboorte, overgebracht naar de begraafplaats van het JMJ-verzorgingshuis in Heeswijk.
Er waren goede vooruitzichten voor de congregatie, dank zij het initiatiefrijke bestuur van Clara Lantman. Toch zou het niet goed aflopen met haar. Tijdens een retraite in 1856, geleid
1.A.M.A.J. Driessen en G.P. van de Ven, Zusters van JMJ, Geschiedenis van een Congregatie 1822-1962, Hilversum (2015) 131.
6

door twee jezuïeten, deden enige zusters een boekje open over haar hoogmoedig optreden. Zwijsen werd op de hoogte gebracht en hij adviseerde haar in een persoonlijk gesprek om af te treden. Ze kon niet anders dan die raad opvolgen. Zuster Clara werd ziek en moest worden opgenomen in het krankzinnigengesticht Reinier van Arkel in 's-Hertogenbosch. Ze overleed daar in 1880 op 74-jarige leeftijd.1 In 1877 overleed bisschop Zwijsen en werd opgevolgd door A. Godschalk. Hij kreeg nu het toezicht kreeg op de congregatie. (Zoals alle volgende bisschoppen van 's-Hertogenbosch dat zouden hebben).

5. Moederhuis van JMJ te ´s-Hertogenbosch

Tussen 1850 en 1857 was de congregatie JMJ gestaag gegroeid, met 10 à 15 intredingen van postulanten per jaar. In 1857 telde de congregatie 152 leden, in 1890 was dat aantal 497 en dat jaar werkten de zusters in 47 huizen door het hele land. Tussen 1890 en 1910 verdubbelde weer het aantal. In die periode is de congregatie ingegaan op verzoeken van assistentie van bisschoppen in Oost-Indië en Brits-Indië.
In het jaar 1904 telt de congregatie 66 kloosterhuizen. In het aartsbisdom Utrecht 14, in de bisdommen ´s-Hertogenbosch 27, Haarlem 20, Breda 2, Roermond 1 en in het apostolisch vicariaat Batavia, in Nederlands Oost-Indie, 1 (te Tomohon, op Celebes). In het aartsbisdom Madras, in Brits Indië, ook 1, (te Guntur). Er waren in 1904 precies 1400 nonnen, onder wie 1126 geprofesten, 197 postulanten en 77 novicen. Dank zij de congregatie ontvingen 27.316 kinderen onderwijs, kregen 9.172 leden van allerlei verenigingen Christelijke vorming en begeleiding en werden 949 hulpbehoevende personen verzorgd.
Het blijkt dat er veel verzoeken binnenkwamen om huizen en scholen te stichten. De energieke algemeen overste, Séraphine Pullens (1833-1907), die vanaf 1875 tot aan haar overlijden overste was, kon niet zo veel aanvragen honoreren, door een tekort aan gekwalificeerde hoofd- en hulponderwijzeressen. In 1875 kwam er, nog op aanraden van Zwijsen, een betere opleiding, opdat meer zusters zouden slagen voor de examens. In 1877 kwam die opleiding naar de Postelstraat in 's-Hertogenbosch. Daar studeerden ´educandinnen´, zo werden de dames genoemd die op het internaat verbleven en studeerden voor onderwijzeres. Men hoopte dat ze later zouden intreden in de congregatie. Deze opleiding werd gegeven op de z.g. normaalschool die later (bij voorbeeld in 1898 in ´s-Hertogenbosch) werd omgezet in een ´kweekschool´.
Er werden ook handwerkcursussen door de nonnen gegeven, in z.g. naaischolen, zodat de leerlingen later financieel onafhankelijk konden worden. De zusters bekwaamden zich zelfs in een andere vorm van liefdewerken: de zorg. Uit liefdadigheid stichtten ze - op verzoek - huizen, waar arme oude mannen en vrouwen verzorgd werden.
Het moederhuis werd in 1871 verplaatst van Engelen naar 's-Hertogenbosch. Aan de Postelstraat. Het besluit werd al in 1863 genomen, omdat Engelen zo moeilijk bereikbaar bleek tijdens overstromingen. De nabij gelegen stad ´s-Hertogenbosch lag centraal en was al per spoor bereikbaar. Bovendien bezat JMJ daar al een klooster met scholen in de Postelstraat.
In de jaren 1857, 1878, 1889 en 1919 kwamen onderwijswetten tot stand die uiteindelijk leidden tot volledige gelijkstelling (en subsidiëring) van het bijzonder onderwijs met het openbaar onderwijs. De jaren van bittere armoede van de congregatie, waarbij men moest
1.A.M.A.J. Driessen en G.P. van de Ven, Zusters van JMJ, Geschiedenis van een Congregatie 1822-1962, Hilversum (2015) 138-142.
7

woekeren met de middelen en eigenlijk volledig afhankelijk was van weldoeners en giften in de plaatsen en dorpen waar de congregatie zich vestigde, waren na 1920 voorbij.
De expansie in de eerste honderddertig jaar van de congregatie verliep zeer voorspoedig. Tussen 1829 en 1890 werden 47 kloosters gesticht, in de jaren 1890/1920 nog eens 20. Maar … tussen 1920 en 1945 kwamen echter slechts 9 kloosters tot stand! In en rond ´s-Hertogenbosch ontstonden talrijke succursalen, nevenvestigingen dus, tussen 1840 en 1930. Kloosters met scholen en vormingscentra, klinieken en andere zorginstellingen, bij voorbeeld:

In Waalwijk, in 1844 St. Theresiagesticht. (Kasteellaan 4, bij het ziekenhuis, tot 1970).
In Vlijmen, 1849 St. Franciscusgesticht. (Pastoor van Akenstraat 28, tot 1981).
In Berlicum, 1859 St. Vincentiusgesticht. (Kerkwijk 40, tot 1977).
In Boxtel, 1862 St. Annagesticht. (Duinendaal 12, tot 1972, daarna Achterberghstraat 18).
In Gemonde, 1865 St. Antoniusgesticht. (tot ca. 1965). In Besoyen, 1879 St. Johannesgesticht. (tot 1949).
In Helvoirt, 1882 St. Nicolaasgesticht. (tot 1960). In Lithoyen, 1884 St. Norbertusgesticht. (tot 1949).
In Drunen, 1887 St. Jacobusklooster. (Grotestraat, tot 1962).
In Baardwijk, 1889 St. Antonius van Paduagesticht. (Loeffstraat, tot 1959).
In Heeswijk, 1904 St. Cuneragesticht, diverse adressen, o.a. Zijlstraat, Abdijstraat.
In Nijmegen, 1829 in de Lange Burchtstraat, pensionaat Saint-Louis, dat bij het bombardement in 1944 verloren ging, evenals de scholen aan de Oude Stadsgracht. (24 kleuters en 8 nonnen verloren het leven). Na de oorlog volgde herbouw, aan de Wedren.
In Nijmegen: Mariënbosch: het klooster en meisjespensionaat (voor MMS) uit 1923/´24 op de hoek Groesbeekseweg/Sophiaweg, met een kapel uit 1929 ontworpen door architect Charles Estourgie. Het werd door JMJ verlaten in 1995 en is in 2014 verbouwd en uitgebreid tot onderkomen van 350 studenten.

In de jaren ´50 van de vorige eeuw werden veel huizen en instellingen van JMJ in ons land opgeheven. In de huizen in Boxtel en Heeswijk worden oudere nonnen verpleegd of verzorgd.
In 1940 waren er bijna 2000 zusters lid van in de congregatie in Nederland en er werkten 150 Nederlandse nonnen in de missielanden Indonesië (Oost-Indië) en India (Brits-Indië). Na 1960 traden er in Nederland bijna geen nieuwe leden meer in. De uitbreiding vond wel plaats in de missielanden.

6. Missielanden: de toekomst van JMJ

Vanaf 1898 richtte de congregatie zich ook op ontwikkeling en missionering in andere werelddelen. Eerst in Nederlands Oost-Indië/Indonesië. Groepjes zusters van JMJ werden uitgenodigd om de priesterorden en -congregaties te helpen op Celebes (Sulawesi) en Sumatra. Vooral voor het onderwijs, de zorg en de catechisatie. In 1897 werd door de algemeen overste een oproep gericht aan alle geprofeste nonnen beneden de 45 jaar om zich aan te melden als vrijwilligster voor de missie in Oost-Indië. Er meldden zich 400 kandidaten, zo groot was het enthousiasme. Zes zeer begaafde nonnen werden uitverkoren. Ze arriveerden in 1898. Het doel was ´christelijk onderwijs en de godsdienstige en maatschappelijke opvoeding der vrouwelijke jeugd van Tomohon en omstreken´. Hoe het hen en de volgende groepen zusters verging, wordt boeiend beschreven in de literatuur.1
1.A.M.A.J. Driessen en G.P. van de Ven, Zusters van JMJ, Geschiedenis van een Congregatie 1822-1962, Hilversum (2015) 222-300.
8

In 2013 waren er drie Indonesische Provincies, Jakarta, Makassar en Manado, met in totaal 54 huizen, 296 geprofeste zusters en acht novicen, die werkten in het onderwijs en de gezondheidszorg.
In Brits Indië/India vestigden zich vanaf 1904 Nederlandse zusters van JMJ. Na zo´n veertig jaar blijkt dat het moeizame, maar succesvolle werk in onderwijs en gezondheidszorg tot stand is gekomen door slechts 73 Nederlandse nonnen, die honderden inlandse nonnen opleidden. In het gebied in het zuidoosten van India, in het Teluguland, in en rond de steden Guntur, Bangalore, Kurnool, Hyderabad, Nellore enz.
Er moesten grote problemen overwonnen worden in dit land met zo´n afwijkende cultuur. Het kastensysteem en de ondergeschikte positie van vrouwen in het algemeen, werden pas na vier à vijf decennia gerespecteerd en/of overwonnen. De Engelse missiecongregatie van Mill Hill en de inlandse ´zusters´, de amagaroes, hielpen de Nederlandse nonnen zich aan te passen. Bekeringswerk onder de Telugus was heel complex, omdat kaste, religie en maatschappelijke orde zo nauw met elkaar verweven zijn. De periode van 1904 tot 1962 wordt ook boeiend beschreven in de studie van Driessen en Van de Ven.1 Na de onafhankelijkheid van India in 1947 kon het werk gecontinueerd worden. Dank zij dit ontwikkelingswerk in onderwijs en gezondheidszorg werden de harten gewonnen van de bevolking. Nu zijn er 4 Provincies in India van JMJ, het is een bloeiende tak van de congregatie met 94 huizen, 680 zusters. De provinciale oversten hebben zich gevestigd in Bangalore, Guntur, Hyderabad en Raipur. Er werken geen Nederlandse nonnen meer, maar deze besturen vallen (tot 2016) onder het algemeen bestuur dat in Nederland zetelt.
In Tanzania heeft JMJ gewerkt van 1958 tot 1976, in Australië van 1960 tot 1984 en in Ghana werd vanaf 1990 begonnen door Indiase en Indonesische nonnen.
Wat de duizenden nonnen sinds 1822 heeft bewogen om actief in de wereld te staan, wordt duidelijk in het geschrift dat zuster Laetitia Aarnink, provinciale overste van JMJ-Nederland, publiceerde: ´De Geest die ons beweegt´. Het is ook opgenomen aan het eind van de studie van Driessen en Van de Ven. Het is een bijbelse opdracht, gesteund door de Kerk, en steeds geïnspireerd door de spiritualiteit van Ignatius van Loyola en Vincentius à Paulo.
Het algemeen deel over de geschiedenis van JMJ besluiten we nu en vervolgen met de vestigingen die in ´s-Hertogenbosch werden gesticht door JMJ.
1.A.M.A.J. Driessen en G.P. van de Ven, Zusters van JMJ, Geschiedenis van een Congregatie 1822-1962, Hilversum (2015) 301-405

Ton Vogel, december 2015
9