Rabo Otto Copes

Grave 9 augustus 1610 - 's-Hertogenbosch 21 december 1674

 
Dagboek

Copes, R.O. (1610-1671)

"Uijtgaeff op mijne reijse aende Con. van Vranckriech van wege haer Ho. Mo. (...) mede ene Journael vande reijse voors." Manuscript, pen and ink, on recto and verso, (2), (5 blank), (22), (38 blank), (6), (43 blank), (1) lvs., dated 11 March - 28 May 1660, contemp. vellum wallet binding with green silk tie, 15,5 x 11,5 cm.

Remarkable diary, kept by Rabo Otto Copes, raadpensionaris in Den Bosch, on a journey to the French court on behalf of the Staten Generaal. The cause of this diplomatic mission was a conflict regarding the principality of Orange. Ever since the death of Willem II in 1650, the regents of Willem III, Mary Stuart and Amalia van Solms, quarreled over the power of this principality. To the dissatisfaction of Mary Stuart, the administration was in hands of Frederik van Dohna, a supporter of Amalia of Solms. In order to extend her influence she asked the French King for help. He however used the situation to his own advantage and annexed Orange in 1660. Concerned with the situation the Staten Generaal sent Copes on a mission to France, carrying several letters, i.a. statements of both regents that they had come to a agreement.
After receiving instructions from the Staten Generaal, Copes leaves The Hague on 14 March, heading for Breda. Here he speaks with Amalia van Solms, who hands him several letters. He then travels to Brussels, continuing to Paris a few days later, accompanied by i.a. Lord Jermyn and Walter Montagu. In Paris he speaks i.a. with Mary Stuart in the Palais Royal. He continues to Montpellier where he speaks with Cardinal Mazarin and, several days later, with the French King in Toulouse: "Aldaer den 21. [April] audientie bij de Coninge gehadt, geintroduceert door de Heren Beloil ende Gizaut, die mij des morgens ten 10 uijre met de carosse vande Coninge uijt mijn logement quamen haelen (...) ende hebbe aldaer mijne bevangne ofte propositie gedaen ende dedene, nae eene diepe reverentie willende strecken, trock den Coninck mij bij de mantel om mij te doen staen ende seijde: Monsieur, je liray les lettres et vous pouvez assuerer les S.rs Etats Generaux; que j'auray autant de soing du bien et de l'interest du Monseur le Prince d'Orange qu' aucun pourroit avoir". He continues his journey via i.a. Bajonne, St. Jean de Luz, Toulouse and Bordeaux, reaching Paris again on 10 May and Antwerp on the 28th.
The diary is not only of great historical importance but also gives a lively account of several trips Copes made, visiting i.a. the Notre Dame, the Louvre, Fontainebleu and the rich posessions of Cardinal Mazarin: "des namiddags hebbe ick wesen sien het huijs vande Here Cardinal Masarini sijnde uijttermaete costelijck van binnen hier met schilderien van oude ende leste ook moderne meesters niet schoone ende rare ende van groote prijse (...) ick hebbene er gelijc die loff vande coninge genaemt de Tuilleries." and: "'den 24. hebbe ick gesien de Bibliotheque vande heer Cardinal Masarini, doch sijne niet soo groot als well voorheen is geweest ende meest cleine boucken quaelijck gebonden." Interesting is also the second part of the notebook, containing an extensive account of the expenses made during the journey, i.a. for "huijs vande Cardinal Masarini te sien", "port van brieven ende pacquetten", "stoff tot de reijsmantel", "2 paar pistolen holsters ende cruijdt". Naturally, much of the costs are concerned with transportation, i.a. "van Chalon sur Seine een Barque gehuijrt tot Lions", "met 3 paerden ende eenen guide geweest sien Bois de Vincennes, Vaux Fontainebellau, Essonne" and "voor den carosse om bij de Coniginne te gane ende mij voors. hier andere tot mijne affairen te brengen".
As far as we have been able to establish, this important diary is unknown. Its rich details provide new insights into this important diplomatic conflict (especially when compared to the rather dull and much shorter description of this mission by Lieuwe van Aitzema in Saken van Staet en Oorlogh, The Hague, 1669, vol. 4, p. 629 ff).
Veilinghuis Bupp Kuyper (59/2453)
 
De Mooij

Op bezoek bij de familie Copes
Een rondgang door de woning van een Bosch regentengezin (1704)

door Charles de Mooij

78
79
80
81
82
83
84
85
86
87
88
89
90
91
92
93
94
95
96
97
98
99
100
Noten
1.Volgens de boedelinventaris was deze grafstede reeds in 1644 door de (toen nog ongehuwde) Otto Copes aangekocht: GAHt, NA 2963, fol. 44ro.
2.CBG, dossier 'Copes', inv.nr. 004, hs. genealogie Copes, XVIIIc. Blijkens het gereformeerde doopboek van Grave werd Otto niet in deze plaats gedoopt.
3.Bots e.a. (1979), nr. 2866.
4.BW, Lidmaten Waalse Kerk 's-Hertogenbosch 1633-1810, index nr. 312 (kopie register in GAHt).
5.Wijnaendts van Resandt (z.j.), 360-363.
6.GAHt Aanvulling OA inv.nr. 8086, Poortersboek 11. Otto Copes werd gratis toegelaten als poorter.
7.GAHt OA inv.nr. A 574A, fol. 75.
8.Bots e.a. (1979), nr. 2866. Over Copes' activiteiten als scholarch: vgl. De Haas (1926), 20-21, 171-172.
9.GAHt OA inv.nr. A 42, fol. 33 en 76. Vgl. Plomp (1976), 283; GAHt corr. Stadsarchief 1960, nrs. 2651 en 2734. 's-Hertogenbosch kende in Copes' tijd twee pensionarissen. Pirenne noemde Copes 'een man, die een biograaf verdient': Pirenne (l980), 167.
10.GAHt, NA 2963, fol. 44ro.
11.Plomp (1976), 284-285; Bosman (1992), 96-98.
12.Van deze huwelijksvoorwaarden wordt melding gemaakt in: GAHt NA 2740, testament 23 oktober 1674.
13.GAHt DTB inv.nr. 81.
14.Plomp (1976), 285.
15.Moralla Catharina zou zijn geboren in 1645; zij wordt in alle bronnen als eerstgeborene aangemerkt: vgl. GAHt corr. Stadsarchief 1960, nr. 2651; Roy (1991),200. Het tweede kind, Aemilie, werd reeds gedoopt op 3 juni 1646: GAHt DTB inv.nr. 88.
16.GAHt OA inv.nr. A51, fol. 65.
17.GAHt, OA inv.nr. 46, Bijlagen politierekeningen 1674/1675; GAHt OA inv.nr. B 180 (Politierekeningen), fol. 28vo; vgl. GAHt corr. Stadsarchief 1961, nr. 2906. Citaat: Hezenmans (z.j.), 303-305.
18.Geciteerd bij: Van Sasse van Ysselt (1911-1914), I, 253.
19.Ibidem, I, 245-255.
20.GAHt NA 2963, fol. 43ro-65vo.
21.Ibidem, fol. 44vo, 64vo-65ro. In dit vertrek bevonden zich in 1705 slechts enkele meubels en een kleine hoeveelheid huisraad. Voor de schoorsteen hingen schilderijen van een herder en een herderin, terwijl de wanden versierd waren met een groot schilderij met de voorstelling van een tolhuis en vijf landkaartjes die samen de kaart van Brabant vormden. Twee groene gordijnen, een ovale klaptafel, beddengoed voor één persoon en vijf tinnen lepels en vier tinnen vorken vormden de overige inventaris. Wellicht was een deel van de oorspronkelijke inventaris reeds naar 's-Hertogenbosch gebracht; wellicht ook behoorde een deel van de inventaris toe aan de pachter.
22.Een deel van dit bezit was na Otto's dood verkocht voor een bedrag van 3300 gulden: GAHt NA 2963, fol. 45ro, 48ro.
23.Bosman (1992), 96-97.
24.GAHt, NA 2963, fol. 47vo.
25.Van Kollenburg (1969), 4, 9.
26.Zie over dit kapittel: De Mooij (1994/1995).
27.GAHt NA 2963, fol. 45vo-48vo.
28.Ibidem, fol. 47ro,48vo, 63ro-64vo.
29.GAHt NA2740, testament 23 oktober 1674.
30.Ibidem.
31.Bots e.a. (1979), nr. 2865.
32.Ibidem, nr. 2867.
33.Ibidem, nr. 2864.
34.Bloys van Treslong Prins (1924), 172; CBG, dossier 'Copes', inv.nr. 004, hs. genealogie Copes, XVIIIc.
35.Dat zouden we kunnen afleiden uit hun inschrijvingen als lidmaten met attestatie: GAHt, AKGG inv.nr. 57, lidmatenregister 1684-1717 (index), fol. 153ro, 61ro. Vgl. Wijnaendts van Resandt (z.j.), 362.
36.Hij blijkt ouderling te zijn bij zijn toetreding tot de Illustre Lievevrouwe Broederschap in 1642 en bij de doop van zijn dochtertje Henriëtte Maria in 1668: Van Dijck (1973), 321-322, 350-353, 358,366; BW, Lidmaten Waalse Kerk 's-Hertogenbosch 1633-1810, index nr. 312 (kopie register in GAHt).
37.GAHt, Inventaris schutterijen, p. 8; vriendelijke mededeling drs. A. Vos. Vgl. Kuyer (1973), 36-37.
38.Van Dijck (1973), 321-322, 350-353, 358,366.
39.GAHt NA 2963, fol. 481ro.
40.GAHt NA 2740, testament 23 oktober 1674.
41.De nu volgende beschrijving van het interieur is gebaseerd op de boedelinventaris uit 1705: GAHt, NA 2963, fol. 43ro-65vo. Met dank aan ir. H. Boekwijt voor diens aanwijzingen bij de reconstructie van de indeling van het huis.
42.Hermanus Herberts, in de inventaris aangeduid als 'Harman', trad op als getuige bij de opening van Otto's en Josina's gezamenlijke testament in 1699: GAHt NA 2740, akte 9 mei 1699.
43.Van Sasse van Ysselt (1911-1914), I, 254.
44.Vanuit bouwkundig oogpunt bezien hebben we hier slechts te maken met het achterste gedeelte van het linkervoorhuis (gezien vanaf de Postelstraat).
45.In de middelkamer werden vier rode, uit het voorsalet afkomstige armstoelen aangetroffen. Gaat het om dezelfde stoelen of stonden er oorspronkelijk acht armstoelen in het voorsalet?
46.Blijkens de boedelinventaris bleek dit in 1705 toe te behoren aan de oudste zoon, mr. Hendrick Copes.
47.Molhuysen e.a. (1911-1937), V, 961-964.
48.Vos (1997), 60.
49.Roy (1991), 200.
50.Bij de inventarisatie in 1705 wordt op de grote voorkamer op de eerste verdieping een stuk tapijt uit de tapijtenkamer aangetroffen.
51.Vgl. Verhoeff (1983), 36-37. De inhoud van een kinneke bier bedroeg te 's-Hertogenbosch in deze periode 40,25 liter.
52.Vgl. Verhoeff (1983), 36-37. De inhoud van een kinneke boter (waarmee een kwart vaatje werd bedoeld) bedroeg te 's-Hertogenbosch in deze periode 4,7 liter.
53.Vgl. GAHt NA 2963, fol. 48ro.
54.Werden deze kippen gehouden om de eieren, voor de slacht of voor beide doeleinden? Wellicht ook waren de kooien bestemd voor hoenders die op de Bossche markt of aan de deur waren gekocht en hier slechts verbleven in afwachting van de ophanden zijnde slacht: vgl. het artikel van Ester Vink, hiervoor p. ***.
55.Het is niet duidelijk welke maat in dit geval bedoeld werd: een gewicht van 2,823 of van 3,764 kilo. Vgl. Verhoeff (1983), 36-37.
56.Vgl. Kuyer (1973), 23. De maliënkolder bevindt zich thans in het Noordbrabants Museum.
57.Vriendelijke mededeling dr. P. Biesboer, Frans Halsmuseum Haarlem. We vonden de volgende patroon-aanduidingen: paveije (schaakbordmotief), lavendelblom, kattenpootje, Franse molen, zoutelandswerkje, roosje, roosjes met blokje ertussen, kapittelstokje en lindenblom. Ook de aanduiding 'Vlaamse servetjes' werd aangetekend.
58.Het betreft Theodorus Casparus van Berckel, werkzaam te 's-Hertogenbosch vanaf 1692 tot aan zijn dood in 1734: vgl. Koldeweij (1985), 59.
59.Van de inname van Breda in 1637 zijn geen gouden penningen bekend. Vgl. Van Loon (1723-1731), I, 407-410, 567-571 en II, 176-185, 237-240.
's-Hertogenbosch binnenskamers (Zwolle 1999) 78-82
 
Genealogie
 
Noordbrabantse studenten

2866. COPES, Otto (Rabo Otto)

437
H. Bots, J. Matthey, M. Meyer, Noordbrabantse studenten XLIV (1979) 437-438
 
Wapenboek I

Namen ende Wapenen der Heeren Beêedigde Broeders

117
Brabants Historisch Informatie Centrum (BHIC)
 
Albuminscripties
1628 Van Otto Copes von Ford (ca. 1610-), voor Matthias Gotslebius, student theologie
Album amicorum M. Gotslebius (Grave augustus 1628) fol. 174r
1634 Van Otto Copes (ca. 1610-), voor Frans van der Linden (ca. 1612-)
Album amicorum Frans van der Linden (Den Haag 4 december 1634) fol. 441r
 
Publicaties
1999

Charles de Mooij

Op bezoek bij de familie Copes : Een rondgang door de woning van een Bosch regentengezin (1704)
's-Hertogenbosch binnenskamers (Zwolle 1999) 78-82
 
 
Vermeldingen
1969

F.L.R. Sassen

Levensberichten van de hoogleraren der Illustre School te 's-Hertogenbosch 1636-1810
Varia Historica Brabantica III (1969) 192
 
1973

G.C.M. van Dijck

Geschiedenis van de Illustre Lieve Vrouwebroederschap te 's-Hertogenbosch 1318-1973
Stichting Zuidelijk Historisch Contact (Tilburg 1973) 321-322, 350-351, 353, 358, 366
 
 
Literatuur en bronnenpublicaties

Album Studiosorum Academiae Groninganae (Groningen 1915) 21

V.A.M. Beermann, Stad en Meierij van 's-Hertogenbosch van 1648 tot 1672 (1946) 14, 19, 92, 173

H. Bots, J. Matthey, M. Meyer, Noordbrabantse studenten XLIV (1979) 437-438

De Nederlandsche Leeuw. Maandblad van het koninklijke genootschap voor geslach- en wapenkunde (1931) 118, (1932) 348

G.C.M. van Dijck, De Bossche Optimaten (1973) 321, 322, 350, 351, 353, 358, 366

G.C.M. van Dijck, Van vroomheid naar vriendschap (2012) 217

H.F.J.M. van den Eerenbeemt, Geschiedenis van Noord-Brabant (1996-1997) I. 34, 36

W.J. Formsma, De archieven van de Raad en Rentmeester-Generaal de Domeinen en der Leen- en Tolkamer in stad en Meierij van 's-Hertogenbosch ('s-Gravenhage 1949) 29

M. de Haas, Bossche scholen van 1629 tot 1795 (z.p. 1926) 37

A.C.M. Kappelhof, De belastingheffing in de Meierij van Den Bosch gedurende de Generaliteitsperiode (1648-1730) LXIX (1986) 36, 228n

Charles de Mooij en Aart Vos, 's-Hertogenbosch binnenskamers (1999) 78-100

G. du Rieu (ed.), Album Studiosorum Academiae Lugduno-Batavae MDLXXV-MDCCCLXXV (1875) 195, 226

A.F.O. van Sasse van Ysselt, De voorname huizen en gebouwen van 's-Hertogenbosch (1900) I. 253

Varia Historica Brabantica III (1969) 192

A.A. Vosterman van Oijen, Stam- en Wapenboek van aanzienlijke Nederlandsche familiën met genealogische en heraldische aantekeningen I (Groningen 1885-1890) 141

R.A. van Zuijlen, Naamlijst en wapenkaart der leden van de regering de pensionarissen, griffiers en secretarissen van 's Hertogenbosch (1863) XXXI

n: vermelding in een voetnoot