Petrus Cornelius Boucquet

Kortrijk 1666 - Bokhoven 10 september 1748

 
Biografie

Petrus Cornelius Bou(c)quet S.J., alias Pieters

Deze Jezuļet bediende een schuilkerk, die gelegen was in de Bossche binnenstad, op het achtererf van woningen, achter de woningen van de driehoek Peperstraat, Lange Putstraat en Verwersstraat. Hij begon de bediening, in het geheim in 1698 als Cornelius Pieters.
Eind 1629 vertrokken 22 Jezuļeten uit de stad, maar drie bleven er achter. Na een tiental jaren wisten ze vier staties (i.c. geheime bedehuizen, kerkjes) in te richten, tot grote ergernis van de gereformeerde Kerkenraad. De Jezuļeten werden dan ook op alle mogelijke manieren tegengewerkt door de overheid en de arrestaties kostten de Jezuļetenorde en de katholieke gelovigen grote sommen geld om gegijzelde paters vrij te kopen. Ook de boetes die werden opgelegd vanwege aanwezigheid bij een geheime godsdienstoefening of voor het beschikbaar stellen van een deel van een woning voor zo“n dienst waren niet mals.
De plaatsvervangend schout, Martinus Ackersdijck die belast was met het opsporen van “paepsche conventiculen“ (bijeenkomsten) meldde bij voorbeeld in zijn dagboek over 6 januari (Driekoningen!) 1656: 'gestoort een paepsche conventicule dewelcke wierdt gehouden inde huysinge staende achter Aert Janszn, wever in de Putstraet, is voor het huijs betaelt de volle peene van drie hondert gulden'.
In 1720 moesten alle vier staties (kerkjes) van de Jezuļeten sluiten en werden ze zelf verbannen uit de stad. Boucquet verbleef daarna vaak in de vrije heerlijkheid Bokhoven en correspondeerde veelvuldig met zijn oversten. Ook vanuit Ravenstein waar geestelijken, in deze tijd van repressie door de Staten-Generaal en de stedelijke Gereformeerde Kerkenraad, niet vervolgd konden worden. Hij keerde “in burger“ in de stad terug en slaagde zo erin zijn pastorale arbeid voort te zetten. In 1724 schreef hij over de sluiting van de Jezuļetenstaties: 'en vermits het sluyten van de drije kerken d“andere kerken van Predickheren, Minderbroeders ende Capucienen op Sondaghen en heylighendagen soo vol menschen zyn geweest dat sy malkanderen de kleederen van het lyff drongen en selfs by het wintersaisoen met honderde met ongedeckte hoofden buyten de kercken moesten blyven staen'... mochten op 19 maart 1724 deze kerkjes weer geopend worden, maar zonder dat de Jezuļeten konden voorgaan in de dienst! De overheid had liever te doen met wereldheren dan met de ordegeestelijken.
In 1736 vertrok Boucquet, die zich ook wel eens Frans van Schellenbergh noemde, voorgoed naar Bokhoven. Maar “s avonds keerde hij toch vaak heimelijk terug om zieken en stervenden bij te staan. Van de 45 jaar dat hij in de missie werkzaam is geweest, zo schrijft hij, heeft hij 'maer veertien jaeren openbaerlyck onsen Godsdienst ghedaen, alle andere jaeren hebbe ick en myn collegen in persecutien doorghebracht, doch altyt sonder onse schult, waervoor ick Godt bedancke'. Deze jezuļet bleef bekend onder de naam Boucquet, de familienaam van zijn moeder. Hij was te Kortrijk in 1666 geboren en stierf in Bokhoven op 10 september 1748, waar hij zijn zilveren kelk schonk aan de parochiekerk, die daar nog aanwezig is.
Er is een 'Inventaris van alle het kerckegoet van het kerckehuys van P. Cornelis Boucquet' bekend. Daarin wordt gesproken over zilverwerk, o.a. het kroontje op het hoofd van het mirakelbeeldje van de lieve vrouwe van het St. Geertruiklooster. Het bedoelde beeldje werd in de schuilkerk van Boucquet bewaard na de sluiting van het Geertuiklooster in de stad in 1703. In het jaar 1720 werd het overgebracht naar de schuilkerk Achter de Tolbrug.
In een brief van 11 juli 1743 geeft Boucquet een uitvoerig relaas over het in veiligheid brengen van boeken, een kostbaar geborduurd antependium en een kazuifel, vervaardigd door de Ursulinnen te Roermond. De spullen werden door een voerman naar Roermond vervoerd: 'met alle voorsightighyt en soo heymelijck als het geschieden kost'.
In 1744 ventileert Boucquet zijn mening over de Bosschenaren. Hij antwoordt vanuit Ravenstein zijn overste die hem vroeg of het altaar van de buiten gebruik gestelde schuilkerk Achter de Tolbrug aan een arme buitenkerk geschonken kan worden. 'Ick oordeele dat de Catholycken die voordesen haere kerke gehouden hebben by meneer Doncquers (de Bossche Jezuļet die er dienst deed van 1705 tot zijn vlucht naar Antwerpen in 1734) en syn voorsaeten de eerste souden syn die haer kraghtelyck souden stellen tegen het weghnemen van die autaer (…) dat er groote opspraek soude ontstaen onder de Borghers (…) ik hebbe noyt menschen gekent, die soo praetaghtigh en klapaghtigh syn als de Bossenaers'
Bronnen
•L.H.C. Schutjes, 'Geschiedenis van het Bisdom “s Hertogenbosch' IV (1873) 293
•Ton Vogel, Schuilkerken en hun bedienaren in “s-Hertogenbosch 1629-1811 (2010) 17-38
•F. van Hoeck S.J., 'Eenige bijzonderheden betreffende de laatste Jezuļeten-statie te “s-Hertogenbosch' in: Bossche Bijdragen VIII (1926'27) 124-149
•Ester Vink, 's-Hertogenbosch, O.L.Vrouw van St. Geertrui Zie: www.meertens.knaw.nl
Ton Vogel, mei 2013