Peeters

13. De kerkinventaris


335
336
337
338
339
340
341
342
343
344
345
346
347
348
349
350
351
352
353
354
355
356
357
358
359
360
361
362
363
364
365
366
367
368
369
370
371
372
Noten
1.Gramaye, hoofdstuk Taxandria, 6; vgl. Oudenhoven, 97; Schutjes, 775-779. In het Centraal Museum te Utrecht bevindt zich een paneel van Jan van Scorel, voorstellende de Bewening van Christus, ca. 1535-1540, waarvan vermoed is, dat het uit de Petrusen-Pauluskapel (middelste straalkapel) van de Sint Jan afkomstig is, op grond van Gramaye's mededeling: 'Extat adhuc insignis pictura de cruce depositionis Salvatoris Altari SS. Petri et Pauli Adriano sic Scorelio Canonico Ultrajectino auctore'. Zie G.J. Hoogewerff in Oud Holland 1929, 197-214 en 1941, 136 vv.
2.Voor het gotische altaartype in het algemeen, zie R. de Lasteyrie, L'architecture religieuse en France à l'époque gothique, iie partie, Paris 1927, 441; J. Braun, Der christliche Altar, Bd 1, München 1924, 238-240, 410 (zij-altaren: eenvoudige blokvorm met nis in de zijkant voor ampullen).
3.Van Hendrick van Steenwijck de Oude (± 1550-1603) een interieur van de St. Pieterskerk te Leuven in de Koninklijke Musea van Schone Kunsten te Brussel en een interieur van de Lievevrouwekerk van Antwerpen in het Museum van Schone Kunsten te Boedapest. Ook Hendrick van Steenwijck de Jonge (1580-1649) schilderde kerkinterieurs. Eveneens in de Brusselse Musea een interieur van de Lievevrouwekerk van Antwerpen door Pieter Neefs de Oude (1578-1657), van wie ook een kerkinterieur in het Rijksmuseum van Amsterdam. Zijn zoon Pieter Neefs de Jonge (1620-na 1675) schilderde ook herhaaldelijk de Antwerpse kerk en van hem is er ook een kerkinterieur in het Rijksmuseum te Amsterdam.
4.Haslinghuis/Peeters, 228, afb. 176; 268, afb. 240; 352, afb. 326 (schilderij in het Centraal Museum te Utrecht). Ondanks Saenredam's tekening heeft het er alle schijn van, dat het derde pijlerpaar van het schip ook zulke altaaraanzetten had. De in 1949 uitgegraven funderingen daarvan althans hadden aan hun westkant rechthoekige uitmetselingen die zulke aanzetten gedragen kunnen hebben. Ibid. 163, fig. 20.
5.Voor de altaren van Sint Jan en hun plaatsen, zie: Schutjes, 775-779 en 785-789; Ms Van Heurn, Beschrijving van St Jans, f 17v-20r; 'Lijst der Altaren', hs., 18de eeuw? bijgebonden in een exemplaar van Hezenmans 1866 in Bibl. Prov. Gen.; Coppens II, 1841, 52-77 = Schutjes, 191-192; Hezenmans 1866, 329-336 (met een 14de-eeuwse altarenlijst die Mosmans 15de-eeuwse acht maar die verdwenen is); Smits 1907, 64, fig. 18, en altarenlijst achterin; Mosmans 1931, 325-338.
6.Voor de gildealtaren zie Van den Heuvel; H.Th.M. Roosenboom, 'De ambachtsgilden in het stadsbeeld', Bossche Bouwstenen III ('s-Hertogenbosch 1980), 73-77 (altaren, feesten, diensten, processies).
7.W. Nolet en P.C. Boeren, Kerkelijke instellingen in de Middeleeuwen, Amsterdam 1951; R.R. Post, Kerkgeschiedenis van Nederland in de middeleeuwen dl 1, Utrecht/Antwerpen 1957, 321-324. Eigenlijk heten beneficiën buiten de gewone parochiële zielenlast kapelanieën, maar Nolet en Boeren merken op, dat een kapelaan niet zonder recht ook wel vicaris genoemd wordt omdat hij indirect toch met de parochiedienst verbonden is, bijvoorbeeld wegens zijn plicht tot deelnemen aan de dagelijkse getijden.
8.G.Th.M. Lemmens, 'De oude inrichting van de Stevenskerk', in: De Stevenskerk, historische bijdragen bij gelegenheid van de voltooiing der restauratie, Nijmegen 1969, 86-130; F. Gorissen, 'De altaren van de Stevenskerk', ibid., 165-193.
9.Post, o.c. (zie noot 7), 323.
10.Rek. 1629-1630, f 91r: 'affgebroocken... drije autaren', 'affgebroecken allen den auctaren ende die sarcksteenen soo in den ganck van de kerck als achter het groot choor geleecht'.
11.Hoe waren in vergelijkbare kerken de vicarie- en gildealtaren gefundeerd? In de Lieve-Vrouwekerk in Antwerpen werden na de grote brand van 1533 de beschadigde profielenbundels van de pijlers rondgemetseld en bepleisterd, waarna er grote triptieken en portiekaltaren tegen opgesteld werden, die in de Franse tijd verwijderd werden. In 1800 wordt gemeld: 'De pilaeren in den middenbeuk, daer de autaren tegen gestaen hadden, en rond bemetseld geweest hebbende, wirden afgekapt, en in hunne eerste gesteltenisse met goten hollijsten gelijk alle de andere pilaeren, gebrogt'. Tijdens graafwerk in 1973: 'Aan de voorkant der zware pijlers van de middenbeuk wordt de fundering zichtbaar van de monumentale ambachtsaltaren die in 1798 afgebroken werden'. J. van Brabant, Rampspoed en Restauratie.
Bijdrage tot de geschiedenis van de uitrusting en restauratie der Onze-Lieve-Vrouwekathedraal van Antwerpen, Antwerpen 1974, 193, 142 en 199-200.
12.Isaias 28:16; Psalm 118:22-23; Mattheus 21:42; Handelingen 4:11; 1 Petrus 2:7. Zie ook J. Sauer, Symbolik des Kirchengebäudes und seiner Ausstattung in der Auffassung des Mittelalters, Freiburg i. Br. 19242, 114, 129, 138, 160 en 177.
13.Adriaen van Wesel een Utrechts beeldhouwer uit de late middeleeuwen, Catalogus tentoonstelling Rijksmuseum Amsterdam, 1980, 34-43.
14.Over de opeenvolgende hoogaltaren in KA en GA een memorandum van J. Mosmans, Het Hoog-altaar in de Sint Jan te 's-Hertogenbosch van omstreeks 1490 tot 1900, maart 1951.
15.Mosmans 1931, 428. In KA losse jaarrekeningen 'Alderhande saecken' over 1566-1571 betreffende veel houtaankoop en arbeid van veel schrijnwerkers, maar zelden het werk nader omschrijvend. Op 20 november 1568: 'Aen bier doenmen het nieuwe portael setten ende het andere aff brack'. Een tochtportaal? Een portaal in het koor?
16.Vente 1958, 194.
17.Mosmans 1931, 429 en de in noot 15 genoemde rekeningen. Van januari 1567 tot 24 december 1568 uitgaven aan Jaen of Jan Schalcken, maar ook aan Jannus Schalcken (zijn zoon?) en knechten, maar geheel zonder enige specificatie van hun werk.
18.Mosmans 1931, 381.
19.Mosmans 1931, 430.
20.Mosmans 1931, 430 en de in noot 15 genoemde rekeningen. F. Vermeulen 1929.
21.Mosmans 1931, 431. Los stuk in ka met betalingen van 5 mei tot 3 september 1569 aan Anthonis van Helmont. In 1569 wordt het kruis door meester Jan Vlammen gepolychromeerd, misschien grotendeels nadat het al in februari 1569 op het oxaal getakeld is; in maart 1569 wordt een steiger op het oxaal geplaatst om de ophanging met ijzer van boven de gewelven af te construeren (rekening 1569-1570).
22.'Verhaal der plegtige uitvaart van Philips ii als Hertog van Braband, te 's-Hertogenbosch, den 8 November 1598', in: Hermans 1848, 665-675, in het bijzonder 671-672. L.J.W. Smit, 'Beschrijving van de plechtige uitvaart van Philips II', HPG 1903-1909, 204-251, met een door Petrus van Vladeracken in 250 hexameters geschreven gedicht Exsequiarum funebrium (...) descriptio, waarin de predikant conscendit pulpita longo usu trita piis sparsurus semina verbi, het door lang gebruik gesleten oxaal bestijgt om over de vromen het zaad van het woord te spreiden. Gesleten, maar meer door brand dan door lang gebruik. De uitvaart van Albertus van Oostenrijk op 13 juli 1621 in de Sint Jan volgt in grote trekken hetzelfde ritueel, maar voor het oog hebben het nieuwe hoogaltaar en het nieuwe oxaal daaraan toch een andere stijl gegeven. Hermans 1848, 732-756. Over de als blijvend bedoelde gedenktekenen voor deze vorsten, zie hierna n. 50.
23.De verwezenlijking van het oxaal is meer een stedelijke dan een kerkelijke zaak. In ka slechts een bescheiden mapje over bijkomende werkzaamheden en enkele kleine geldschenkingen, het werk zelf in de stadsrekeningen verantwoord: Van Zuylen II, 1175, 1187, 1212. Voornaamste litteratuur over het oxaal: Hezenmans 1866, 253-258; Mosmans 1931, 435-440; Buschman; J. Steppe, Het koordoksaal in de Nederlanden, Brussel 1952, 279-286; C. Avery.
24.Neurdenburg 1920 en 1938; Dez., De zeventiende eeuwsche beeldhouwkunst in de Noordelijke Nederlanden, Amsterdam 1948, 93-99; Kannegieter; Avery, 126-130.
25.Hezenmans 1866, 256.
26.Mosmans 1931, 449.
27.Vente 1958, 92.
28.Hess, 44.
29.KA, Map 'Oxaal'.
30.Van Zuylen II, 1212.
31.KA Map 'Hoogaltaar'; Van Zuylen II, 1236; Mosmans, Het Hoogaltaar (zie hierboven noot 14), 4; Hezenmans 1866, 260-261; Mosmans 1931, 443-446; Is. Leyssens, 'Hans van Mildert, 158?-1638, levensbeschrijving', GBK 7 (1941), 103-105.
32.Van Zuylen II, 1227; Mosmans 1931, 441-442.
33.Ophovius, 37-44; Mosmans 1931, 462-466.
34.Hezenmans 1866, 277-290; Mosmans 1931, 470-472.
35.Rek. 1636-1637, f 41v. Zie ook hierboven noot 10.
36.M. van Broeckhoven, Beknopte geschiedenis van de St.-Amandskerk te Geel, Geel 1979 (gestencild), 12-13.
37.Mosmans 1931, afb. op 328. Op p. 527 meent hij ten onrechte, dat de altaren in Geel in de loop van de 19de eeuw uit de Sint Jan gehaald zijn, nadat zij daar in 1815 geplaatst waren, waarschijnlijk afkomstig uit gesloten schuilkerken.
38.Een aankoop dank zij de speurzin van mevrouw W. Halsema-Kubes. Catalogus Adriaen van Wesel (zie noot 13), 36-38 en nrs. 1-10.
39.Rek. 1629-1630, f 74v-75r.
40.Rek. 1632-1633, f 73v; Van Zuylen II, 1358-1359, 1368.
41.Rek. 1632-1633, f 76r en 89r.
42.Rek. 1633-1634, f 101r; f 46v-47r.
43.Resolutien van Stadsregering 1638-1640, 15 nov. 1639, f 180.
44.Ibid., 7 jan. 1640, f 193v-194r; Mosmans 1931, 472.
45.Rek. 1646-1647, f 89r. Ook later is nog wel sculptuur verwijderd uit de Bossche kerken: 'Item betaelt aen Peter Hijnsbergen in qualiteyt als vendumeester een somme van 8 gl. 17 st. wegens den onraat ende verdere oncosten gevallen ten tijde van de vercoopinge van kercken beelden...'. Rek. 1698-1699, f 110v; de opbrengst (f 68v) bedraagt 53 gulden en 12 stuivers.
46.Rek. 1640-1641, f 73v-74v.
47.Van Zuylen III, 1839; Rek. 1780, f 117.
48.KA, map 'oxaal': 'Defecten aen het oxael en hoogen autaer in de groote kerke, opgenoomen door J.H. Alstede', zonder datum. Zie ook Mosmans 1931, 487. In 1783 nog had mr. steenhouwer J.H. Loth 'beeltstukken' in het hoogaltaar vastgezet.
49.Ebeling 1926, 1-16; Van Sasse van Ysselt in Smits 1912, 337-339.
50.Hermans o.c. (zie noot 22), 756.
51.Van Zuylen I, 716-717.
52.Franssen 1917-1918, 200; Munier 1962-1963, 56 en 183.
53.Ebeling 1928-1929, 302-307.
54.J. Leeuwenberg en W. Halsema-Kubes, Beeldhouwkunst in het Rijksmuseum, Catalogus, Amsterdam-'s-Gravenhage 1973, nr. 423. Zie ook noot 90 hierna.
55.Mededeling van deken G. Vrins te Geldrop, 27 september 1978.
56.KA, Rek. 1828, f 13r.
57.Rek. 1822, f 4r, 9, 11v; 1823, f 11.
58.Rek. 1837, f 7v; Coppens II, 56-57, Van Dijck 1973, 398.
59.Notulen der vergaderingen van het kerkbestuur, 27 februari 1878.
60.Ibid., 9 augustus 1854 en 6 augustus 1858.
61.Ibid., 6 augustus 1858; Mosmans 1931, 334; Ebeling 1907.
62.Notulen, 23 mei 1866, 27 juni 1866.
63.KA, Brief van P.J.H. Cuypers (poststempels Amsterdam 26 juli en 's-Hertogenbosch 27 juli 1866) aan plebaan C.N. van Amelsfoort.
64.Notulen, 19 september 1866; de tekening van P.J.H. Cuypers thans in het archief van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg te Zeist. Zie Van de Kant; Peeters 1973, 193-144 en afb. 5.
65.Van Zuylen I, 416.
66.Blijkens het bestek bij het eerste nieuwe oxaalontwerp in 1610 was de dwarsmuur van het oude oxaal met trappenopgang nog aanwezig: 'Item tegens het meur van het choir', 'item de trappen van den opganck van het oxael zal gerepareert worden, die gebroecken zijn nae behoiren' Buschman, 31-32.
67.Provinciale Noordbrabantsche en 's-Hertogenbossche Courant, Dingsdag 24 Julij 1866.
68.KA, Voorwaarden en Bepalingen waarnaar Koopers zich te hebben gedragen (sic) bij den afbraak der Jubé in de Cathedraal te 's-Hertogenbosch, ongedateerd, maar klaarblijkelijk van rond 23 october 1866.
69.Notulen, 5 november 1866.
70.Rek. 1867, Uitgaaf Arbeidsloonen en Bouwstoffen.
71.Notulen, 28 augustus 1867.
72.Avery, 110; Tillema 1973, 117-130.
73.Notulen, 22 januari 1869; 20 september 1876.
74.Notulen, 17 juli 1867, 28 augustus 1867, 2 october 1867. Voor de verkoop van het schilderij van Bloemaert heeft de bisschop later ook machtiging gegeven (Notulen, 14 october 1868), maar die is niet doorgegaan. Zie ook Mosmans, Hoogaltaar (zie noot 14), 9-11.
75.Rek. 1867, Uitgaaf Arbeidsloonen en Bouwstoffen.
76.Beide heren maakten architect H.F. Teering en schrijver dezes op de fragmenten attent, waarna het fotograferen plaats vond door de Rijksdienst voor de Monumentenzorg. Opmeting van de stukken voor een reconstructietekening is nog een desideratum.
77.Rijksmuseum, Lijst van Bouwfragmenten, nr. 10 199 (1894).
78.Mosmans, Hoog-altaar (zie noot 14), 10.
79.Notulen, 9 maart 1869: J. Bolsius wordt belast met de verkoop van het marmer, beelden enz. afkomstig van het hoogaltaar. Welke beelden?
80.KA, Gedrukte tekst van de Prijsvraag, 22 october 1867.
81.KA, Proces verbaal der beoordeeling der ingezonden plans.
82.De ontwerptekeningen van Hezenmans zijn bewaard gebleven; die van H. Peeters Divoort zijn onlangs teruggevonden en gelijken enigszins op die van Hezenmans, hetgeen niet verwondert bij de stricte voorwaarden van de prijsvraag. Wèl de gotische bouworde, maar niet de liturgie van na Trente liet een altaar van middeleeuwse gedaante toe: het is een 'modern' altaar, zelfs zonder retabel. Hezenmans' inspiratiebron is onmiskenbaar het illustratiemateriaal van Viollet-le-Duc, Dictionnaire raisonné de l'architecture francaise, t. II, Paris 1856, fig. 8-9, 14, 17, s.v. 'Autel'.
83.Rek. 1869. Aan Veneman totaal ƒ 7.500,-, aan Graven ƒ 1.300,-. Tegelijk levert A. Sopers voor ƒ 750,- de beelden van de H. Maagd en Johannes Evangelist voor de koorpijlers achter het altaar, die daarmee samen één compositie vormen.
84.In de Provinciale Noordbrabantsche en 's-Hertogenbossche Courant van dinsdag 13 december 1910 het verslag van de eeuwfeestviering met grote pontificale processie en speciaal gecomponeerde liederen. C.F.-X. Smits en Vincent Cleerdin hadden liever een ander altaar geplaatst gezien, zie hoofdstuk 4, noot 170.
85.J. de Bosschere, La sculpture anversoise aux xve et xvie siècles, Bruxelles 1909; Catalogus der Nationale Tentoonstelling te 's-Hertogenbosch 1913, nr. 15; W. Vogelsang in: De oude kerkelijke kunst in Nederland, Gedenkboek van de Nationale Tentoonstelling te 's-Hertogenbosch in 1913, 's-Hertogenbosch 1914, 98-99. De Borchgrave D'Altena 1938, 1957 en 1958; In paradisum. Het altaar van Sint Anthonis in de kathedrale basiliek van Sint Jan te 's-Hertogenbosch. Inleiding van Th. van Velzen met informatie van C. Peeters, foto's van Martien Coppens, Eindhoven 1965. Catalogus Beelden uit Brabant, nr. 76; Catalogus Zingende Kathedraal, nr. 53; Openbaar Kunstbezit, televisie-katern sept. 1971: H. van Haaren, G. Lemmens, E. Taverne en Th. van Velzen, 'Herfsttij der Middeleeuwen'.
86.De Smedt 1971, met verdere litteratuur.
87.Ibid., 277.
88.H.P. Hilger und E. Willemsen, Farbige Bildwerke des Mittelalters im Rheinland, Düsseldorf 1967.
89.Galland, 152 en 613; Horst, 148; Mosmans 1931, 400-402; Bierens de Haan, pl. 125-128; Witsen Elias 1949.
90.Leeuwenberg en Halsema, o.c. (zie noot 54), nr. 191. Voor het Nederlandsche Museum van Geschiedenis en Kunst op de Prinsengracht in Den Haag werden in 1874-1875 van het kerkbestuur van de Sint Jan aangekocht: een bas-relief in hout, uit de 16de eeuw, voorstellend het opzamelen van het manna; een haut-relief uit de 17de eeuw, voorstellende de Hemelvaart van Maria. Mededeelingen van de Rijks-Adviseurs voor de Monumenten van Geschiedenis en Kunst, dl l, afl. 2, 's-Gravenhage 1878, 21 (verslagjaar 1 juni 1874-1 mei 1875). De catalogus daarentegen spreekt over: 'in 1876 door de kerkfabriek geschonken'. Het eerste kwam uit de Kruiskerk, het tweede uit de schuilkerk in de Postelstraat.
91.Mosmans 1931, 220; Van Dijck 1973, 143-144.
92.Ibid.
93.Van Dijck 1973, 306-314.
94.Stadsresolutien, 1637: 'om een auditorium te maaken in St. Janskerk'; 1671: 'Het auditorium te verplaatsen uijt de groote kerk in het choor der Kerke vanden grooten Bagijnhof'; in 1731-1787 is de westelijke Lieve Vrouwekapel van de Sint Jan als auditorium in gebruik.
95.Stadsresolutien, 10 januari 1685; Van Dijck 1973, 397.
96.Rapport der kerkmeesters van 19 september 1701 aan de stadsregering, afgedrukt bij Van Lanschot 1947, 28.
97.Stadsresolutien 1716, f 127r.
98.Ibid., 1717, f 136r.
99.Bestek in GA, zie ook Mosmans 1931, 220.
100.KA, Rek. 1716-1718, f 136.
101.Rek. 1718-1719, f 119: totaal voor 1381 gl. 15 st. 8 p.
102.Zoals Mosmans 1931, 476, afb. 276, niet geheel compleet weergeeft.
103.Zie afb. 136 op p. 220 bij Mosmans.
104.Zie noot 57.
105.Rek. 1823, f 12v en 13r. Op een onderdeel van de vurehouten kroonlijst met acanthusbladeren staat in potlood geschreven: A. Bouwens 1823. In één vak zijn de koperen spijlen hol.
106.Notulen vergaderingen kerkbestuur, 26 mei 1862.
107.Hezenmans 1866, 68, heeft ze daar nog gezien. Witsen Elias 1949, 30-31.
108.Hezenmans 1873 beschrijft ze als zich in het koor bevindende.
109.Van Sasse van Ysselt 1909.
110.Fraaie fotografische afbeelding: J.J. van Ysendyck, Documents classés de l'art dans les Pays-Bas du xe au xviiie siècle, Bruxelles 1880-1889, fasc. 'Porte' (1888-1889), pl. 5 (665).
111.Rek. 1839, f 17r.
112.Ibid. 1839, f 17r.
113.Ibid. 1876, 1879.
114.Hezenmans 1866, 68-76; Smits 1907, 209-213; Mosmans 1931, 375-382; Coppens/Concordius; P. Gerlach, 'Laatgotische Noordbrabantse beeldhouwers', in: Aspecten van de laatgotiek in Brabant, Catalogus tentoonstelling Stedelijk Museum Leuven 1971, 467-468, oppert als namen van de makers Aert Willems houtsnider uit Deurne en Willem Hubrechtssoen die houtsnider, die in 1432 lid van de Lieve Vrouwe Broederschap worden. De beeldsnijder Wouter Deseler, die volgens dezelfde auteur in 1495-1497 aan de 'sittens en de leesbancken' van het koor werkt, zou reparatie- of vernieuwingswerken hebben kunnen verrichten: zulke zitmeubels zijn nu eenmaal aan slijtage onderhevig. Hetzelfde ook in: Pater Gerlachus Septuagenarius 1971, 11-34. Voor datering en stijlvergelijking van koorbanken, zie De Borchgrave D'Altena 1937; Bierens De Haan 1921, 49-51; Witsen Elias 1946, 17-22, H. Meurer, Das Klever Chorgestühl und Arnt Beeldesnider, Düsseldorf 1970, 25 en 29.
115.L.C. Hezenmans, handgeschreven voorwerk voor de Voorlopige Lijst van de Monumenten in Noord-Brabant: gemeente Oirschot, 1905, Archief Rijksdienst voor de Monumentenzorg, Zeist. Witsen Elias 1937, 99-103 (met gebruik van het contract van 1508, Rijksarchief 's-Hertogenbosch, Kapittel Oirschot, D 139 f 78-79); P. Concordius van Goirle, De koorbanken van Oirschot, Eindhoven 1941; Frenken 1956-1957, 91-92 en Bijlage XV op 154-156, waar in extenso het contract uit 1508.
116.Mosmans 1931, 381 en 430.
117.Mosmans 1931, 376 n. 4.
118.Steppe/Smeyers/Lauwerys, afb. 1 tegenover p. 72; de banken, borden en ook de plechtigheden daar beschreven op 57-59; L. Devliegher, Kunstpatrimonium van West-Vlaanderen dl 8: De St.-Salvatorskathedraal te Brugge, Inventaris, Tielt/Amsterdam 1979, 209-211. Over de plechtigheden van een Gulden Vlieskapittel ook: Van Heurn I, 1776, 378-381; Gerlach, 1969, 82-85.
119.Van Heurn, o.c. (zie vorige noot), 378-381; Hermans 1845, 28; HPG 1916-1927, 57.
120.Catalogue raisonné Saenredam, nr. 118.
121.Zie noot 49.
122.All the Paintings of the Rijksmuseum in Amsterdam. A Completely Illustrated Catalogue, Amsterdam/Maarssen 1976 824, nr. A 4641: paneel 112 × 68 cm. Het andere wapenbord aldaar, nr. A 4642, is dat van Jacob van Luxemburg, heer van Fiennes: 93 × 58 cm. Beide zijn in 1896 te 's-Hertogenbosch aangekocht uit de verzameling van Jhr. van den Bogaerde te Moergestel. De twee andere borden bevinden zich, samen in één lijst, in de verzameling van dr. J.B.V.M.J. van de Mortel te Oostelbeers en bevatten de wapens van Jean de Melun, heer van Antoing en Epinay (± 1398-1484), benoemd in het tweede kapittel, 1432, te Brugge, en van Philippe de Croy (1395-1483), graaf van Chimay, benoemd in het twaalfde kapittel, 1473, te Valencijn. De borden meten respectievelijk 94,5 × 58,5 en 94,5 × 58 cm. Zij werden als bezit van de heer M. de la Court van Onsenoort tentoongesteld te Brugge in 1907 (Catalogue Exposition de la Toison d'Or, Bruges 1907, nrs 97-98), waar toen 181 van zulke wapenborden te zien waren uit Brugge, Mechelen, Gent, Den Haag en Barcelona, en waren weer te bezichtigen op de tweede Gulden Vlies tentoonstelling (Catalogus Het Gulden Vlies, Groeningemuseum, Brugge 1962, nr 21, pp. 101-102). Niet onderzocht is, in hoeverre de Bossche wapenborden nog werk zijn uit 1481 of van Ambrosius Visscher uit 1690-1695.
123.V. Vermeersch, Brugges Kunstbezit dl I, Brugge/Utrecht 1969, 172-175.
124.Elisabeth Dhanens, Inventaris van het Kunstpatrimonium van Oostvlaanderen: Sint-Baafskathedraal Gent, Gent 1965, 176-180, 178-190 en afb. 157-159.
125.Van de Velde, 15-16.
126.Rek. 1690-1691, f 78v-79, 1694-1695, f 59v.
127.Cuperinus, 375; Hoekx: zie volgende noot, voorlaatste titel; H. Hanssen, Inventaris van het Oud-Archief der Stad Venlo, Venlo 1919, 294, nr. 1640: Brieven van de magister van Venlo, 1616 en van Adolf Creeft te 's-Hertogenbosch over de doopvont met extract uit de kerkrekening van 1491.
128.Mosmans 1931, 391-395; verdere literatuur over de doopvont: Hezenmans 1866, 162-166; J. Helbig, La sculpture et les arts plastiques au pays de Liège et sur les bords de la Meuse, 2e éd., Bruges 1890, 148-149; J. Destrée, 'Les dinanderies aux expositions de Dinant et de Middelbourg', L'art flamand et hollandais 3 (1905), 53, fig. 24-28; Dez., 'Het oude koperwerk op de tentoonstellingen te Dinant en te Middelburg', Onze Kunst 4 (1905), 37-82, afb. 24-28; Catalogus Tentoonstelling van Oude Koperwerken, Middelburg 1904; J. Helbig et J. Brassinne, L'art mosan depuis l'introduction du christianisme jusqu' la fin du xviiie siècle, t. II, Bruxelles 1911, 166; Catalogus der nationale tentoonstelling van oude kerkelijke kunst te 's-Hertogenbosch, juni-september 1913, 60, nr. 220; De oude kerkelijke kunst in Nederland, gedenkboek van de nationale tentoonstelling te 's-Hertogenbosch in 1913, 's-Hertogenbosch 1913, 80 (tekst over het koper van J.A. Frederiks), pl. LVII, fig. 105; F. Rutten, 'Maastrichtse kunstenaars der XVde eeuw', De Nedermaas I, afl. 8, febr. 1923, 97; M. Devigne, La sculpture mosane du xiie au xvie siècle, Paris/Bruxelles 1932, pl. XXIX; Leurs 1939, 645 en afb. 379 (in hoofdstuk van H. Nicaise en S. Leurs); J.F. van Agt; 'Niederländische Taufbrunnen des 15., 16. und frühen 17. Jahrhunderts', Oesterreichische Zeitschrift für Denkmalpflege 3 (1949), 49-55; Suzanne Collon-Gevaert, Histoire des arts du métal en Belgique, Bruxelles 1951, t. I (Texte), 259-261, t. II (Planches), pl. 57-58; Yvonne Hackenbroch, 'Two Dinanderie Figures by Aert van Tricht', The Connoisseur 139 (1957), 219-221; Müller 1966, 161; G. Lemmens, 'Doopvont Aert van Tricht (eind 15de eeuw)', Openbaar kunstbezit 14 (1970), nr. 11; J.J.M. Timmers, De kunst van het Maasland, dl. II, Assen 1980, 219-221; De doopvont, 1981; Catalogus Zingende Kathedraal, nr. 87.
129.Rek. 1632-1633, f 87v.
130.Resolutiën van Stadsregeering, Notulen 7 januari 1640, f 193, over de lijst opgesteld op 31 december 1639.
131.Resolutiën, Notulen 30 maart 1647, f 177; 12 april 1649, f 165v.
132.Register Stadsresolutiën, 14 april 1657, f 135v.
133.Notulen vergaderingen kerkbestuur, 14 october 1868.
134.Ibid., 22 januari 1869.
135.NDB, Cuypers' Brievenboeken 10, 108-109.
136.Beknopte catalogus der pleisterafgietsels en andere reproductiën van kunstvoorwerpen in het Rijksmuseum te Amsterdam, Amsterdam 1915, nr. 449 op p. 44, met afb.
137.Mosmans 1931, 403-405 en 430; Schutjes, 218; Galland, 113-114, 132-133, 149-152 en 613; Horst, 202-203; F. Ewerbeck, Die Renaissance in Belgien und Holland, 2. Aufl. Leipzig 1891 Lieferung 6 (17-18), Blatt 1-11; R. Ligtenberg, 'Materialen voor een studie over de beeldhouwers De Nole en hun werken', Oud-Holland 36 (1918), 53-131, vooral 90-91; Bierens de Haan, 137-140; Witsen Elias 1949, 57-58; Dez. 1946, 63-66; De preekstoel preekt, 1980.
138.Vgl. Nauwelaerts 1974, 79.
139.J.J. van der Harst, Voorlopig historisch rapport groot orgel Sint Jan, Hilversum, september 1978, typoscript in archieven Restauratiecommissie Sint Jan en Rijksdienst voor de Monumentenzorg. Voor de dispositie van het gerestaureerde orgel zie hierna de bijlage op p. 469.
140.Cuperinus, 116; F. Peeters en M.A. Vente, De orgelkunst in de Nederlanden, van de 16de tot de 18de eeuw, Amerongen 1975, 75.
141.Van Dijck 1973, 158.
142.Hezenmans 1876, 259; Vente 1958, 18-19; Van Dijck 1973, 159.
143.Smits 1907, 93.
144.Vente 1958, 80, 85 en 184; Van Dijck 1973, 272; Hermans 1846-1848, 58 en 88.
145.Mosmans 1931, 449. Over het groot orgel: Hess, 43-44; Van Zuylen 1864; Hezenmans 1866, 262-268; Hill, 17 (met fraaie lijntekening); Galland, 247; Het gerestaureerde orgel der kathedraal van St. Jan te 's-Hertogenbosch en zijne inwijding, 's Bosch 1902 (brochure, 23 pp.); Smits 1907, 218-219; Mosmans 1931, 447-452 en 482-485; Van der Mueren; L.C. van Gulik, 'Het orgel van de St. Janskathedraal in Den Bosch', Mens en Melodie 1951, 275-278; Vente 1956, 88-95; Vente 1958, passim; Bouman 1953 (brochure); Dez. 1964, 120, 136; Martijnse; Van der Harst 1980; Dez. 1981. Zie ook de bijlage op p. 469.
146.Vente 1958, afb. 30: detail uit schilderij van J.V. Génisson, 1845, en afb. 29: ontwerp voor de neogotische wijziging. Thans is er een moderne orgelarchitectuur naar ontwerp van Willy Weyres.
147.Mosmans 1931, 449.
148.Hezenmans 1866, 266.
149.Van der Harst 1982 (zie noot 145), dl ii, Bijlage 7.
150.M. Mialaret, Geïllustreerde beschrijving van de monumenten in Noord-Limburg, 's-Gravenhage 1937, 155, 162, 178-179.
151.Van Zuylen II, 1264. Symons kreeg op 22 october 1619 betaling voor een 'formelier van hout by hem gemaeckt vanden amonitie huys', ibid. 1260.
152.J.H. Besselaar Jr., Het orgel in de Groote Kerk te Rotterdam, Rotterdam 1931.
153.E. Elzenga, 'Portret van een orgel', Bulletin van de Stichting Oude Hollandse Kerken 13, herfst 1981, 14-21 (één schilderij, 1646, in Städelsches Kunstinstitut, Frankfurt a.M., een ander, 1649, in het bezit van de auteur); M.A. Vente, 'Kunstenaars zien orgels', Spiegel Historiael 5 (1970), 434-438.
154.KA, Rek. 1840, f 21r; 1841, f 16r; 1848, f 17v.
155.Lijncliché bij Hill, zie noot 145; ander lijncliché naar een pentekening van Lambert Hezenmans bij Ewerbeck (zie noot 137), Lieferung 2, Tafel 23; fototypieën bij Van Ysendyck (zie noot 110), aflevering B (1888-1889), i.v. 'Buffet', pl. 4; aflevering s (1888-1889), i.v. 'Sculpture', pl. 18 en 19. Potlood- en pentekeningen van onderdelen van het orgel door A. van Lieshout tussen 1860 en 1870, op zes bladen die voorzien zijn van de naam L. Veneman: Map BM 632 in het Prentenkabinet van het Provinciaal Genootschap te 's-Hertogenbosch.
156.Tekeningenarchief Sint Jan, gesigneerd J. de Kroon en getiteld: 'Afteekening Van het Oczaal in de Kerk van S.Jan'. Het is echter geen aftekening van de bestaande situatie, maar een ontwerp om minder hoge jonische zuilen te maken en de galerij ongeveer 0,60 m te doen zakken. Wellicht is dus alleen de balustrade met rugpositief weergave van de werkelijke situatie.
157.KA, Rek. 1672-1675, f 215v: 'Johannes de Langh voor 't schilderen van 't wapen van sijn hoogheydt boven de groot orgel 5-0'. Mosmans 1931, 472 en 485.
158.Peeters en Vente, o.c. (zie noot 140), 105.
159.Ch. Verreyt, Het geslacht Schoeffer later Scheffer en Scheffers te 's-Hertogenbosch van 1541-1796 in betrekking tot de boekdrukkunst, 's-Gravenhage 1888. Deze Jan Jansz. Scheffer, deken van het kramersgilde, werd in 1611 tot kerkmeester benoemd. Aan hem zal gericht zijn, met betrekking tot het orgeluurwerk met dodendans-trommel, het volgend ontvangstbewijs: 'Mr. Henrick Zaren, orologyemaker, wonende tot Goch, bekent mits desen ontfangen te hebben uyt handen van Jan Scheffer, als een van de kerkmeesters, de somme van drye hondert guldens, en dat tot betalinge van 't werck des Oordeels, mettten appendytien van dyen', 4 februari 1613. Verreyt, 35; vgl. Dez. in Taxandria 1908, 227, 234, 131 en 1929, 232. In de kerk ligt nog de zerk van zijn grootvader Jan Scheffers (overleden 1565), waaronder ook hij en andere Scheffersen begraven werden. Veel later vermelden de kerkrekeningen, 1629-1630: 'Franchoijs horologimaker heeft gemaakt het werck waermede gedreven wordt de doot ende het leven, staende boven int groot organen' en ander werk, voor 4 gld.
160.Van Zuylen II, 1247-1248.
161.Cesare Ripa, Iconologia of Uytbeeldinghe des Verstands, Amstelredam 1644, 588.
162.Blijkens de foto Van Ysendyck, afl. B, pl. 4 (zie noot 155) zijn nadien de naamborden verwisseld.
163.Zie noot 15 en Mosmans 1931, 429.
164.Smits 1912. Zie ook het hiervoorgaande achtste hoofdstuk, over fundering en vloeren.
165.Tekening in het Prentenkabinet van het Provinciaal Genootschap. Catalogue raisonné Saenredam nr. 97; Smits 1912, 323-324; Leyssens, l.c. (zie noot 31), 116-117.
166.Smits 1912, 324.
167.Smits 1912, 315; Mosmans 1931, 385.
168.Als plattegrond voor de in potlood getekende en genummerde zerken is benut de losse plaat uit de jong 1847. Tekeningen van recentere situaties door J. Boumans in de Bouwloodsen en door H. van der Wal in het archief van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg.
169.Deze documentatie berust in het Bureau van de Interkerkelijke Stichting voor Kerkelijke Kunst en Geschiedenis in Nederland te Utrecht.
170.Mirakelen waarin: J. van Laarhoven, 'Het beeld kunsthistorisch bezien', 34-39. Smits 1907, 21; Mosmans 1931, 409-415; Kronenburg VI, 236-283; Goossens 1918-1919, 237-284; Smit 1913, 26-33, 105-120 en 186-193.
171.Catalogus Beelden uit Brabant, nr. 67; Catalogus Zingende Kathedraal, nr. 59.
172.Noordbrabants Museum (serie: Nederlandse Musea v), geschreven door de staf, Haarlem 1979, 40 met afb.
173.Catalogus Zingende Kathedraal, nrs. 58 en 56.
174.Rek. 1837, f 17r; 1840, f 17v: L. Veneman maakte er een voetstuk onder, J.C. Dickmans moest 'het in order brengen'.
175.Bor, 3; gramaye, Taxandria, 6-7; Oudenhoven, 24; Van Heurn, II, 25; C. Hermans 1840, 41-53; Hezenmans 1866, 156-162; HPG 1893-1897, 97-98; Smits 1907, 220-221; Mosmans 1931, 396-399; A. Lehr, 'Het astronomisch kunstuurwerk', Klok en Klepel, november 1977, 60-66.
176.Zie noot 159.
177.Mobachius, 53.
178.Stadsresolutiën 1691, f 161-162.
179.Notulen kerkbestuur 9 augustus 1854 en 6 augustus 1858.
180.Mosmans 1947, 41, 60; Mosmans 1950. Recensies daarvan in: Die Weltkunst 20 (1950), nr. 20, p. 8; Oud Nederland 4 (1950), p. 133-136 (H.J.M. Ebeling); Kunst en Kunstleven 2 (1949-1950), p. 313-314 (W.P. Martens); Museum 56 (1951), p. 147-149 (G. Knuttel Wzn); Ch. de Tolnay, Hieronymus Bosch, Baden-Baden 1965 (reprint of the 1937 edition; English edition London 1966). Catalogus Jheronimus Bosch, nr. 89, p. 209-210 (zonder afb.).
181.C.F.X. Smits, 'Schilderstuk van Abraham Bloemaert', St. Lucas 3 (1910/11), 369; Mosmans 1931, 444-445, 529; Mosmans, Het Hoog-altaar (zie noot 14): daar wordt het schilderij van Bloemaert terecht in 1615 gedateerd, in Mosmans' boek van 1931 echter in 1620. Over de censuur: Frenken 1963-1964, 104 en Bijlage op 115; een voorstudie voor het schilderij, gewassen pentekening en krijt, 41,1 × 30,5 cm, in het Kupferstichkabinett van het Kunstmuseum te Basel; Catalogus Zingende Kathedraal, aanvulling nr. 97. Over het contrareformatorische thema van Maria's voorspraak bij de Drievuldigheid: J.B. Knipping, De iconografie van de Contra-Reformatie in de Nederlanden, Hilversum 1940, dl II, 33-36.
182.Smits 1908 a, 19.
Dr. H. Gerson (Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie, Den Haag) verwierp de toeschrijving van beide schilderijen aan Abraham Janson en achtte een volgeling of leerling van Antonie van Dijck aannemelijker. Correspondentie met de auteur, november 1960.
183.M. Rooses, L'oeuvre de P.P. Rubens, II, Anvers 1888, 218-219, pl. 135 (afb. van de gravure van Clouwet); Knipping, o.c. (zie noot 181), II, 258, noot 2; H. Vlieghe, Saints (Corpus Rubenianum Ludwig Burchard Part VIII), I, Bruxelles 1972, 92-95, fig. 112-113 (afb. van de schilderijen in Pommersfelden en 's-Hertogenbosch); Th.L. Glen, Rubens and the Counter Reformation, Studies in His Religious Paintings between 1609 and 1620, New York - London 1977 (Outstanding Dissertations in the Fine Arts), 276; M. Warnke, Peter Paul Rubens, Köln 1977, 44 en pl. 22 (Pommersfelden).
184.Ophovius, 192.
185.Ibid., 194.
186.Ibid., 19, n. 4; Taxandria 17 (1910), 303, n. 2. De 18de-eeuwse altarenlijst (zie noot 5) noemt Nicolaas de Moij als degene die met de Hoedemakers hun Antheunisaltaar 'regeert'.
187.KA, Map 1 van een reeks in rode cijfers genummerde mappen met allerlei losse notities en brieven; Mosmans 1931, 528.
188.Rek. 1824, f 7: geschonken in 1823 door juffrouw Francheij te Antwerpen en de heren J.B. Vrancken en P.J. Vrancken 'eene schilderij verbeeldende den stervende Heiligen Anthonius den Eremijt, welke schilderij voor de reductie dezer stad in de kerk nog gehangen heeft'.
189.Thieme-Becker 5, 239 en 244; Catalogus Zingende Kathedraal, nr. 51.
190.Van Zuylen II, 1298-1299.
191.Voor het thema: Knipping, o.c. (zie noot 181), II, 57-58.
192.Zie noot 58.
193.Notulen kerkbestuursvergaderingen: voor het hele verloop: 3 juni 1859, 3 juli 1861, 3 september 1862, 10 november 1865, 6 maart 1867; in een map Administratie St. Jan in het KA een notitie van 5 mei 1867, waarin de levering van de drie proefstukken bevestigd.
194.Van Zuylen 1859, 91-92; J. Knoef, Van Romantiek tot Realisme, 's-Gravenhage 1947, 150, 161; J.J.M. Heeren, 'Een vergeten Brabantse schilder, Jac. van Dijck (1817-1896)', Brabantia 4 (1955), 247-251; Scheen I, 1969, 292; Catalogus tentoonstelling 'Het Vaderlandsch Gevoel', Rijksmuseum Amsterdam, 1978, p. 208-209, 211, 296-297, nrs 71, 72 en 74 (stukken uit de Historische Galerij De Vos, Amsterdams Historisch Museum).
195.H. de Laat, 'Kerkelijke en religieuze schilderkunst', Catalogus Naar gothieken kunstzin, 81.
196.Catalogus Oude kerkelijke Kunst, 's-Hertogenbosch 1913, nr. 101; Catalogus Koper, Prinsenhof Delft 1961, nr. 58.
197.Rek. 1665-1666, f 101: 'Cooperslaeger tot Amsterdam' ontvangt restant van 25 gld. 'van de grootte coopere croon in St. Jans kerkcke'. Mosmans 1931, 479.
198.Rek. 1735-1736, f 109v: 'Claudel du Meny geelgieter voor het maecken van een nieuwe Croon', ƒ 324,-; f 110r: W.J. Ouwerkerk schildert er vier wapens boven. In 1756 woonde een geelgieter Demini op het Hinthamereind: J. en A.G.J. Mosmans, Oude namen van huizen en straten te 's-Hertogenbosch, 's-Hertogenbosch 1906.
199.Notulen kerkbestuursvergaderingen, 10 februari 1881.
200.Ibid., 16 december 1885, 17 en 21 maart 1886. Ontwerptekeningen bewaard.
201.De teksten volledig bij Bloys van Treslong Prins 1924, I, 283-284.
202.Ibid., 276-277.
203.Carolien van Gulik, 'Rijk aan glans en goud', de kerkelijke edelsmeedkunst', Catalogus Naar gothieken kunstzin, 83-86; Catalogus Zingende Kathedraal, nrs. 63-85.
204.Catalogus Zingende Kathedraal, nr. 80.
205.Een nauwgezette analyse van materie en inhoud van het boek in de uitgave ervan, genoemd in noot 170 en hierna in de algemene literatuuropgave.
C. Peeters, "De Sint Janskathedraal 's-Hertogenbosch" (1985) 335-384