Peeters

6. De bouwmaterialen


139
140
141
142
143
144
145
146
147
148
149
150
151
152
153
154
155
156
Noten
1.Mosmans 1931, afb. 39 op p. 75 en afb. 53 op p. 98, foto-opnamen van 25 october 1921; afb. 54 op p. 99, opname van 31 october 1921.
2.GA, archief Mosmans, doos 45.
3.J. Hollestelle, De steenbakkerij in de Nederlanden tot omstreeks 1560, Assen 1961, 111, 119-120.
4.Van den Heuvel, 305-306; Hollestelle, o.c. (zie vorige noot), 88 en Bijlage 23 op pp. 315-316.
5.W. Jappe Alberts en H.P.H. Jansen, Welvaart in wording. Sociaal-economische geschiedenis van Nederland van de vroegste tijd tot het einde van de middeleeuwen, 's-Gravenhage 1964, 133.
6.J. Lauwerys, 'De kerk van Hoogstraten', Jaarboek Hoogstratens Oudheidkundige Kring 28 (1960), 22.
7.Enige literatuur en documentatie over natuursteen, waarin ook de Sint Jan behandeld: J.A.L. Bom, 'Natuursteen bij historische bouwwerken', Bull. KNOB 1950, 161-186; Slinger/Janse/Berends. Onderzoek naar de natuursteensoorten van de Sint Jan in het bijzonder: 'Rapport van Ir. A.L.W.E. van der Veen van praeparaten van bouwmaterialen van de St. Jan: 2 october 1920', Vertrouwelijke Mededeelingen over het jaar 1920 en Notulen van de Vergaderingen der Rijkscommissie voor de Monumentenzorg gehouden in het jaar 1920, 318-322, met aanvullingen ibid. 1933, 26 en 1936, 26; H.E. Teering, Natuursteenrapport kathedrale basiliek van St. Jan 's-Hertogenbosch, 1954 (Overzicht in tabellen op één groot blad in het archief van de Bouwloodsen); A. Slinger, Sint-Janskathedraal 's-Hertogenbosch, natuursteen, Zeist 1978 (typoscript in beperkt aantal gefotocopieerde exemplaren, Rijksdienst voor de Monumentenzorg).
8.BBDU 2; W. Jappe Alberts, 'Leveranties van steen uit het Rijnland voor de Dombouw te Utrecht en tolheffing op de Rijn', in: W. Jappe Alberts en F. Ketner, Nederrijnse Studiën XIIIe-XVe eeuw, Groningen 1954, 1-48; H. Voort, 'Die Holländischen Steinhandelsgesellschaften in der Grafschaft Bentheim', Vereeniging tot Beoefening van Overijsselsch Regt en Geschiedenis, Verslagen en Mededelingen 85 (1970), 164-185 (tegen het eind van de 15de eeuw neemt de import in de Nederlanden af: uit de prijsontwikkeling valt af te leiden, dat de Bentheimer toen niet 'konkurrenzfähig' was). In 1563 wordt dit materiaal nog aan de Sint Jan geleverd: Cornelis Reyersz. van Haarlem zendt een schip met 1200 voet Bentheimer steen.
9.Een ander dorp Lede ligt ten noordwesten van Oudenaarde en ten oosten van Waregem, maar de Ledesteen ontleent zijn naam aan het dorp bij Aalst, vgl. Haslinghuis/Peeters, 197. Zie ook J. de Brouwer, 'De uitbating van de steengroeven te Lede', Het Land van Aalst 1963, 1-9. Over steenwinning in België, met name in de 19de eeuw: L'industrie de la pierre de l'Ancien Régime à nos jours, de teksten van het colloquium op 20 november 1976: Ath 1979, de catalogus van de bijbehorende tentoonstelling: Maffle 1977.
10.Van Brabant, 20 en 22.
11.Slinger/Janse/Berends, 69-70.
12.Van Brabant, 22.
.13De steenleveranciers, beeldhouwers en bouwmeesters Jacob en Hendrik van Tienen, van wie de laatste mogelijk een tijd lang aan de Sint Jan werkzaam was, heetten naar hun plaats van herkomst aanvankelijk 'van Gobbertingen'.
14.Van der Veen, L.C. (zie noot 7), 1933, 26 en 1936, 26.
15.Gerlach 1971 a, 88; Mosmans 1931, 155. Over de hoedanigheden en spreiding van de hierna nog te noemen mergel: G. Overeem en J. Querido, 'Mergel', Monumenten 2 (1981), nr. 6, 17-25.
16.Rapport van J. de Kruijft, 1 december 1864, aan de Minister van Binnenlandsche Zaken (ara, 's-Gravenhage). Gildehauser en vervolgens (vanaf 1866) Udelfanger worden in grote hoeveelheden aan de Sint Jan toegepast: in het verslag van 20 april 1874 van de Commissie voor de herstelling van het uitwendige aan de Minister van Binnenlandsche Zaken (ARA, 's-Gravenhage), staat als verwerkte natuursteen vermeld: 90 m3 in 1860, 120 m3 in 1861-1862, 122 m3 in 1863-1864, 65 m3 in 1865, 40 m3 in 1866, 85 m3 in 1867-1868, 80 m3 in 1869-1870, 90 m3 in 1871, 80 m3 in 1872 en 85 m3 in 1873. De leveranciers waren J.H. Vos Bz. & L. Hoon te Gildehaus en A. Kuhn te Trier.
17.Over de nieuwe oorzaken van natuursteenverwering: K. Schmidt-Thomsen, 'Zum Problem der Steinzerstörung und -konservierung (Steinfestigung mit Kalisilikat und Äthylsilikat)', Deutsche Kunst und Denkmalpflege 27 (1969), 11-23; G. Rönicke und R. Rönicke, 'Über den Mechanismus der zerstörenden Wirkung der Luftverunreinigung am Freiburger Münster', ibid. 30 (1972), 57-64; S. Luckat, 'Luftverunreinigungen als Ursache des Steinzerfalls?', ibid. 31 (1973), 45-50; J. Riederer, 'The Conservation of German Stone Monuments', The Treatment of Stone, Proceedings of the Meeting of the Joint Committee for the Conservation of Stone, Bologna 1-3 Oct. 1971, Bologna 1972, 105-124; M. Dessaer-De Maerschalck et R. Geeraerts, 'A propos des restaurations successives de l'Église Notre-Dame du Sablon à Bruxelles', Bulletin de la Commission Royale des Monuments et des Sites 5 (1975-1976), 17-79, in het bijzonder Chapitre IV: 'Cas d'altération des matériaux: étude préalable'. Zie ook de verslagen en teksten van de internationale symposia of colloquia over de verwering van natuursteen, waarvan het eerste in La Rochelle plaats vond (1972), het tweede in Athene (1976) en van de conferenties over natuursteenconservering in Bologna (1971, 1975, 1981) en in Brussel (1966, 1967). Inmiddels wordt het probleem van de schadelijke gevolgen der luchtverontreiniging internationaal onderkend en zij het nog schoorvoetend benaderd, waarbij thans de emissie van stikstofoxyden (NOx) (vooral door het motorverkeer) ernstiger is dan de uitstoot van zwaveldioxyde (SO2). In 1982 werden er maar liefst twee internationale bijeenkomsten aan gewijd: een congres van deskundigen te Maastricht en een conferentie van regeringsdelegaties te Stockholm.
18.A. Wolff, 'Die Gefährdung des Kölner Domes. Seine Steine und ihre Zustand im Jahre 1972', Kölner Domblatt 35 (1972), 7-28 (= Deutsche Kunst und Denkmalpflege 31 (1973), 17-31); S. Luckat, 'Die Einwirkung von Luftverunreinigungen auf die Bausubstanz des Kölner Domes 1', Kölner Domblatt 36/37 (1973), 65-74, II, ibid. 38/39 (1974), 95-106, III, ibid. 40 (1975), 75-108, IV, ibid. 42 (1977), 151-188; Y. Efes und H.P. Lühr, 'Natursteine am Bauwerk des Kölner Domes und ihre Verwitterung', ibid. 41 (1976), 167-194; K. Kraus und K. Jasmund, 'Verwitterungsvorgänge an Bausteinen des Kölner Domes', ibid. 46 (1981), 175-190. Over de Sint Jan: Rapport van H.E. Teering, Beschadiging door sulfaten, 1971 (getypt, archief Bouwloodsen); 'Zwavel bedreigt welvaart', Natuur en milieu 80/3, maart 1980, 12-13. D. van Ooyen en Th. de la Court, Het zure regen boek, uitgave Vereniging Milieudefensie, Amsterdam 1984.
19.J. Riederer, 'No destruction of stone by air pollution', 1er Colloque International sur la détérioration des pierres en oeuvre, Chambéry 11-16 septembre 1972, La Rochelle 1973, 119-124.
20.Slinger/Janse/Berends, 82-83; E. Worch, 'Aus der Praxis der Steinkonservierung mit Kieselsäureester', Deutsche Kunst und Denkmalpflege 31 (1973), 79-81; A. Arnold, Grundlagen der Steinkonservierung, Zürich 1977; T. Stambolov en J.R.J. van Asperen de Boer, The deterioration and conservation of porous building materials in monuments, een rapport bestaande uit drie delen: A preliminary Review (uitg. icom Committee for Museum Laboratories), Brussel 1967, A Supplementary Literature Review (uitg. icom Committee for Conservation), Amsterdam 1969, en A Literature Review (uitg. International Centre for the Study of the Preservation and Restoration of Cultural Property), Rome 1972, nog gevolgd door een Supplement (uitg. icom Committee for Conservation), Venetië 1975; vertaald als Conservering van poreuze materialen in monumenten (uitg. Bedrijfsschap voor het Stukadoors-, Terrazzo- en het Steengaasstellersbedrijf), 's-Gravenhage 1978.
21.Niedermendiger bazaltlava aan de Lievenmonstertoren te Zierikzee en dezelfde samen met Hohenfelser aan de Onze Lieve Vrouwetoren te Amersfoort.
22.A. Slinger, Peperino rapport, 's-Gravenhage 27 april 1974 (typoscript, Rijksdienst voor de Monumentenzorg); Slinger/Janse/Berends, 35-38 en 90-91.
23.F. Rodolico, Le pietre delle città d'Italia, Firenze 1965 (1e ed. 1952), 370-375. De peperino duro werd na de eerste resultaten in Den Bosch ook toegepast aan de toren van de Sint Maartenskerk te Zaltbommel.
24.Algemene literatuur: K. Friederich, Die Steinbearbeitung in ihrer Entwicklung vom II. bis zum 18. Jahrhundert, Augsburg 1932, 28-37; P. Noël, La pierre matériau du passé et de l'avenir, (Institut Technique du Bâtiment et des Travaux Publics), Paris 1943; H. Janse, Bouwers en bouwen in het verleden - de bouwwereld tussen 1000 en 1650, Zaltbommel 1965; F. van Tygchem, Op en om de middeleeuwse bouwwerf, Brussel 1966, dl. 1, 71-113; W. Haas, 'Die Erbauer des Domes zu Speyer. Bauherren - Architekten - Handwerker', Zeitschrift für Kunstgeschichte 29 (1966), 223-241; dez., 'Bautechnik', uitgebreid en voorbeeldig hoofdstuk van betekenis voor de middeleeuwse bouwwereld in het algemeen, in: H.E. Kubach und W. Haas, Der Dom zu Speyer (Die Kunstdenkmäler von Rheinland-Pfalz), München 1972, 464-659.
25.A. Wolff, 'Chronologie der ersten Bauzeit des Kölner Domes 1248-1277', Kölner Domblatt 1968, 7-230, in het bijzonder 111-115 ('Bautechnik'); D. Kimpel, 'Le développement de la taille en série dans l'architecture médiévale et son rôle dans l'histoire économique', Bulletin Monumental 135 (1977), 195-222; D. Kimpel und R. Suckale, 'Die Skulpturenwerkstatt der Vierge Dorée am Honoratusportal der Kathedrale von Amiens', Zeitschrift für Kunstgeschichte 36 (1973), 217-265; D. Kimpel, 'Die Versatztechniken des Kölner Domchores', Kölner Domblatt 1979/1980, 277-292.
26.Mosmans 1931, 94 en afb. 47.
27.Zoals voor de meeste materiaalimport ten behoeve van de bouw van de Sint Jan is het slechts gissen naar de plaatsen van herkomst. Een der schaarse gegevens betreft hout voor kerkmeubelen: in 1567 wordt het in Amsterdam gekocht en in Dordrecht per schip opgehaald; ook 'coerlants hout' en 'blaeuwe houten' voor schrijnwerk, esdoorn en wilg voor planken, worden in die tijd vermeld: KA, Rekening van 'Alderhande saecken' 1567-1568. Voor hout en houtbewerking in het algemeen: Janse, O.C. (zie noot 24), 107-109; dez., Kapconstructies in Nederland. I. Telmerken, (Monumenten Monografieën 2), Zeist 1976.
28.Janse, Kapconstructies (zie noot 27), 48.
29.Slechts één vermelding wat de Sint Jan betreft: in 1570 worden leien aangevoerd uit Maastricht: KA, Wekelijkse betalingen aan 'die logij', 22 april - 23 september 1570, op 3 juni genoteerd. Over leien ook Hollestelle, O.C. (zie noot 3), 139.
30.BBDU 1, 477.
31.Janse, O.C. (zie noot 24), 97-100.
32.BBDU 1, 77.
33.Van Tygchem, O.C. (zie noot 24), 217.
34.KA, Rekening van 'Alderhande saecken', 1566-1567.
35.KA, Wekelijkse betalingen aan 'die logij', 22 april - 23 september 1570, op 27 mei. Wat moet dat water op de toren? Is het een late betaling voor het blussen van een brand in juli 1569?
36.Janse, O.C. (zie noot 24), 77-78; van tygchem (zie noot 24), 232-234; D. Leistikow, 'Aufzugsvorrichtungen für Werksteine im mittelalterlichen Baubetrieb: Wolf und Zange', Architectura 12 (1982), 20-33.
37.Zie de in noot 24 genoemde werken: Friederich, 28-32; Janse, 57, 78, 85; Van Tygchem, 80-91.
38.KA, Rekening van 'Alderhande saecken' januari-november 1569.
39.Janse, O.C. (zie noot 24), 83; Van Tygchem, O.C. (zie noot 24), 114-141.
40.Janse, 64-70; Van Tygchem, 1-70.
41.Bij Haslinghuis/Peeters is de restauratiegeschiedenis van de Dom van Utrecht tot nog geen vier bladzijden beperkt.
C. Peeters, 'De Sint Janskathedraal 's-Hertogenbosch' (1985) 139-158