Peeters

11. Beschildering van het interieur


291
292
293
294
295
296
297
298
299
300
301
302
303
304
305
306
307
308
309
310
311
312
313
314
315
316
317
318
319
320
321
Noten
1.E. Viollet le Duc, Dictionnaire de l'architecture française, t. VII, Paris 1864, 56-109, s.v. 'Peinture'; Dez., Peintures murales des chapelles de Notre-Dame de Paris, Paris 1870; R. de Lasteyrie, L'architecture religieuse en France à l'époque gothique, t. II, Paris 1927, 153-173 ('Peinture murale'); M. Aubert, 'Les enduits dans les constructions du moyen âge', Bulletin Monumental 115 (1957), 111-117; M. Thibout, 'La peinture murale', Histoire générale des églises de France I, Paris 1966, 231-254; J. Michler, 'Ueber die Farbfassung hochgotischer Sakralräume', Wallraf-Richartz-Jahrbuch 39 (1977), 29-68; D. van Zanten, The Architectural Polychromy of the 1830's, New York/London 1977 (waarin duidelijk, dat het verschijnsel en de discussie erover geen tot de gotiek beperkte aangelegenheden zijn); W.F. Denslagen en A. de Vries, Kleur op historische gebouwen. De uitwendige afwerking met pleister en verf tussen 1200 en 1940, 's-Gravenhage 1984.
2.H. Sedlmayr, Die Entstehung der Kathedrale, Wien/München 1950, 28.
3.Chan. van Saster, 'Rapport sur l'état des peintures murales découvertes en Belgique', Bulletin des Commissions Royales d'art et d'archéologie 43 (1904), 276-336.
4.C. Schaeffer, Von deutscher Kunst. Gesammelte Aufsätze und nachgelassene Schriften, Berlin 1910, 129-148 (eerder verschenen in Deutsche Bauzeitung 1876, 324 vv. en 1879, 33 vv.); W. Bornheim gen. schilling, 'Fugenmalerei im Mittelalter', Deutsche Kunst und Denkmalpflege 19 (1961), 5-21; F. Kobler, 'Farbigkeit der Architektur', Reallexikon zur deutschen Kunstgeschichte, Lieferung 74/75, 1974, Sp. 274-384; J. Michler, 'Zur Farbfassung der Marburger Schlosskapelle, Raumfarbigkeit als Quelle zur Geschichte von Kunst und Denkmalpflege', Deutsche Kunst und Denkmalpflege 36 (1978), 37-52.
5.A.G.B. Schayes, Histoire de l'architecture en Belgique, t. II, 2e éd., Bruxelles 1852, 118-119; J. Helbig in Bulletin des Commissions Royales d'art et d'archéologie 3 (1864), 177-179, 181-182, 512-513; Abbé Hyacinthe de Bruyn, Archéologie religieuse appliquée à nos monuments nationaux, t. II, Bruxelles 1870, 268-269; E. Reussens, Eléments d'archéologie chrétienne, 2e éd., t. II, Louvain 1886, 543; J. de Bethune in Revue de l'art chrétien 33 (1890), 370; C. Tulpinck, 'Etude sur la peinture murale en Belgique', Mémoires de l'Académie Royale des sciences, des lettres et des beaux-arts de Belgique 61 (1901-1902), 109-111, 126, 143; G. van der Gheyn, 'Restauration', Bulletin de l'Académie Royale de Belgique 10 (1903), 207; Van Caster, zie hierboven noot 3; G. van der Gheyn in Annales de la Fédération archéologigue et historique de Belgique, XXXIe Congrès (Liège 1909) II, 230; A. Brunard in Bulletin de la Société Royale d'archéologie de Bruxelles 1936, 130-132; Chan.
.R. Lemaire, La restauration des monuments anciens, Anvers 1938, 201 en 210 (weinig aandacht voor de architecturale polychromie, waarvan het belang en de omvang niet gezien); J. Philippe, 'Peintures murales de Belgique (XIIe-XVIe siècle). Les documents et les techniques', Annales de la Fédération archéologique et historique de Belgique, XXXVIIIe Congrès (Arlon 1961) = Annales de l'institut archéologique du Luxembourg 92 (1961), 181-195; H. van Liefferinge, 'De muurschilderingen in het koor van de Zavelkerk te Brussel', Bulletin van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen 16 (1965-1966), 181-182. In ons land heeft men wel vroeg de authenticiteit van de middeleeuwse polychromie beseft en er heel wat van vastgelegd, maar dan toch weer met de nadruk op figurale taferelen (Verslagen van de Commissie tot Opsporing van Overblijfsels der Vaderlandsche Kunst opgenomen in Verslagen en Mededeelingen der Koninklijke Akademie van Wetenschappen, afd. Letterkunde; J. Kalf, 'Onderzoekingen naar dertiend'eeuwsche schilderkunst in Nederland', Tweemaandelijksch Tijdschrift voor Letteren, Kunst, Wetenschap en Politiek 2 (1897), 72-106; G. van Kalcken, Peintures Ecclésiastiques du moyen-âge, 18 dln, Haarlem (1902-1917) en veel verloren laten gaan. Verlies en studie houden gelijke tred: E.H. ter Kuile, 'Afwerking van oude gebouwen', Bull. NOB 1934, 51 vv.; M.D. Ozinga, 'Spaar oude kleuren', Bull. NOB 1935, 103-105; G.J. Hoogewerff, De Noord-Nederlandsche schilderkunst I, 's-Gravenhage 1936; E.H. ter Kuile, 'Het kleurenviaagstuk bij de herstelling van oude gebouwen', Bull. NOB, bijblad Mededelingen, 1943, 31-32; J.F. van Agt, 'Het pleisterwerk in middeleeuwse kerkgebouwen', Bull. KNOB 1956, 53-66; R. Meischke, 'Het kleurenschema van de middeleeuwse kerkinterieurs van Groningen', ibid. 1966, 57-91 (met gegevens ook over andere landstreken, ook het wit-en-rode kleurenschema van de Bossche Sint Jan vermeld, en verwante voorbeelden al vanaf omstreeks 1300: Kapelle, Brouwershaven).
6.S. Leurs, De kathedrale kerk van O.L. Vrouw te Antwerpen (Ars Belgica IX), Antwerpen 1938, 17.
7.R. Lemaire, 'De O.L. Vrouwkerk van Antwerpen in het kader van de Brabantsche gotiek'. Miscellanea in honorem Alberti de Meyer, Leuven/Brussel 1946, 2 dln., 693, geciteerd door J. van Brabant, Rampspoed en Restauratie. Bijdrage tot de geschiedenis van de uitrusting en restauratie der Onze-Lieve-Vrouwekathedraal van Antwerpen, Antwerpen 1974, 198.
8.Ter Kuile, l.c. (zie noot 5), 32 (1943).
9.Mobachius, 32; Mosmans 1931, 498. In het verslag van een kerkmeester over verrichtingen in 1825 wordt op 30 januari 1826 in overweging gegeven: het opvoegen, bijsmeren en 'opcouleuren' van het noordportaal. Dit punt wordt uitgesteld, maar schijnt toch gerealiseerd (KA, los stuk in Map 5). Mr. P.S. van Son, gewezen lid van het kerkbestuur, maakte in 1847 de Vicarius Apostoliek van 's-Hertogenbosch, Mgr. den Dubbelden, attent op de 'wankleuren' der buitenmuren. KA, brief van 26 juli 1847 van laatstgenoemde aan het kerkbestuur. Vgl. het exterieur van de St. Pieterskerk te Leuven: Tulpinck, l.c. (zie noot 5), 143.
10.Eyck van Zuijlichem, 1845, 118-119.
11.Hezenmans 1866, 140-141.
12.Smits 1907, 199.
13.Mosmans 1931, 249.
14.De Stuers, Nota 10 augustus 1873 (Bull. KNOB 1973), 130.
15.Van Agt, l.c. (zie noot 5), 55-56.
16.Meischke, l.c. (zie noot 5), 89-90.
17.J.B.M. Laudy, 'Schoon schip', Brabantia 1971, 32-33.
18.Brief van de Kring 's-Hertogenbosch van de bna aan het kerkbestuur, 30 november 1977.
19.Brief van de architectengroep Sint Janskring 's-Hertogenbosch aan de Restauratiecommissie Sint Jan, 25 november 1977.
20.Dr. ir. M.A.M. Boersma, Behaviour of bismouth oxyde in the oxydative dehydrodimerisation, diss. T.H. Delft 1977. De stelling geciteerd in de Nieuwe Rotterdamse Courant 29 october 1977.
21.F. van der Meer, 'Chartres in Opspraak', De Tijd 7 october 1977, 53-56. Bijzonder verhelderend voor de hele problematiek der architectuurpolychromie, de mode en smaak van de tijd, vakcritiek en reactie van het publiek, is het relaas van J. Michler, l.c. (zie noot 4), over het wel en wee van maar liefst vier restauratiebeurten binnen één eeuw, reconstructie, derestauratie en weer reconstructie. Zie ook W. Broenner, Farbige Architektur und Architekturdekoration des Historismus', Deutsche Kunst und Denkmalpflege 36 (1978), 57-68; H.-C. Hoffmann, 'Die Restaurierung des St. Petri-Domes in Bremen', ibid. 39 (1981), 125-148; W. Broenner, 'Die Wiederherstellung der historistischen Ausmalung Hermann Schapers im Bremer Dom', ibid. 39 (1981), 149-158. De hier ontwikkelde gedachten zijn voor de Sint Jan van belang, omdat het daarin gaat om de huidige visie op middeleeuws èn op 19de-eeuws werk.
22.Mosmans 1931, 187-188.
23.Gerlach, 1971 d, 85 en 60.
24.Mosmans 1931, 331 vgl. ibid. 427; Hezenmans 1866, 106 geeft 1520.
25.Smits 1908; Mosmans 1931, 427; KA, Losse rekeningen voor stofferen en gewelfschilderen 1564-1566.
26.KA, Rekening 'Alderhande saecken' 1569-1570; Mosmans 1931, 427.
27.Schepenregister dl 8/251; Hs 330-II, port. III, Provinciaal Genootschap.
28.Mosmans, 1931, 434; P. Buschmann, 'Het Oxaal van 's-Hertogenbosch', Onze Kunst 1918, 29-30.
29.Hezenmans 1866, 90-91, n. 1.
30.Hezenmans 1866, 286; Mosmans 1931, 472; ga, Stadsresolutiën z. 32, 1639, f 176-182; g 39, f 1-56.
31.KA, Rek. 1658-1659, f 95v.
32.Rek. 1677-1679, f 203r.
33.Rek. 1686-1689, f 323r.
34.GA, Stadsresolutiën H.v.B. 85, 1690, f 62v., 68v.; KA, Rek. 1689-1690, f 242.
35.Rek. 1691-1692, f 55v, 1692-1693, f 58, 66v.
36.Rek. 1716-1718, f 129r.
37.Rek. 1701-1702, f 121r.
38.Rek. 1702-1703, f 117v.
39.Rek. 1705-1706, f 119r.
40.Rek. 1737-1738, f 106v.
41.Rek. 1750-1751, f 67, 68r, 70.
42.Rek. 1787, f 66v-67r.
43.Ms. Van Heurn, Beschrijving van St. Jans; Coppens II, 73; Hezenmans 1866, 18.
44.KA, Begroting G. van Son en S. van Someren, KA, 17 januari 1817.
45.Aanbesteding 21 augustus 1822; Mosmans 1931, 513.
46.J.J.M. Timmers, Christelijke symboliek en iconografie, Haarlem 19783, nrs. 9 en 16;
.G. Stuhlfauth in Reallexikon zur deutschen Kunstgeschichte 1, 1937, 1243-1248, i.v. 'Auge Gottes'.
47.Rek. 1826, f 28v.
48.Rek. 1829, f 11.
49.Rek. 1831, f 10r.
50.Rek. 1832, f 9v.
51.Rek. 1833, f 11.
52.Rek. 1836, f 23v.
53.Van Zuylen 1859, in de Tabel van bekroonden 1823-1824. Nog in de kerkrekeningen van 1880 zijn betalingen verantwoord aan J.C. Dickmans en zijn beide of meer knechts voor glasreparaties en schilderwerken in de kerk. Zij zijn jaarlijks wel minstens enige dagen in de kerk werkzaam, in 1865 bijvoorbeeld 1 3/10 dag voor het verven van kruis (viering?) en bogen ten bedrage van ƒ 1,43. Zij schilderen ook de nieuwe ijzeren brugstaven die in de loop der jaren in de vensters geplaatst worden. Zij gebruiken daarvoor lakzwart, terwijl zij voor het steenwerk lakzwart (plinten) en gele oker gebruiken.
54.Rek. 1838, f 14r.
55.Hermans 1855, 195.
56.Smits 1908, 17.
57.Catalogus 1926, nr. 7589 op p. 10; foto in het archief van de bouwloodsen, nr. 2.41.139, zonder datum, naam of negatief.
58.Foto-afdruk bewaard in doos 45 van het archief J. Mosmans in GA.
59.Smits 1907, 197 en 202.
60.Smits 1907, 202 en 234. Naar alle waarschijnlijkheid de nu weer zichtbare ornamentatie in de scheiboog van de koorsluiting waaronder het sacramentshuis heeft gestaan.
61.Rek. 1839, f 18r.
62.Ibid., f 18r en v.
63.Rek. 1840, f 17v.
64.Rek. 1848, f 17v.
65.Rek. 1854 (niet gebonden of gepagineerd, hoofd 'Fabryk').
66.Alberdingk Thijm/Leemans, 118-119. Ook in De Gids 1854, 2e dl., 175.
67.Rek. 1858, 16 october. Ook later nog: in 1869 ontvangt A. de Bresser ƒ 4,93 voor 36½ uur witten in de kerk. Zie ook noot 53.
68.Notulen kerkbestuur, 6 april 1880.
69.Restauratieverslag 1882.
70.Restauratieverslag 1883; Smits 1907, 21; Mosmans 1931, 411.
71.Restauratieverslag 1896 van P.J.H. Cuypers, ARA, Dep. Binnenl. Z. en NDB, Cuypers' brievenboeken.
72.Hezenmans (l.c.), 1906, 162-165.
73.Zie hierna noot 98-100.
74.Zie hoofdstuk 13, noot 61 (Ebeling).
75.Zie hierna noot 92.
76.J.G. Kocken, Verslag over de werkzaamheden in de Sint Janskerk te 's-Hertogenbosch, 29 mei 1965, typoscript met handgekleurde illustraties in archief Rijksdienst voor de Monumentenzorg.
77.Onder meer in Dagblad De Stem, april 1965.
78.Wanneer men D. Bax volgt in zijn Hieronymus Bosch and Lucas Cranach, Two Last Judgement triptychs, Amsterdam 1983, 76, dan zou het ook kunnen zijn, dat de verrijzenis van de mensheid uit de dood reeds heeft plaatsgehad en het oordeel reeds geveld is: de zaligen zijn reeds in de hemel opgenomen, maar de verdoemden kruipen nog op de aarde rond. Zo schilderen Dirc van Delf en Ruusbroec de eindtijd af. Maar zwaard en lelie in Christus' mond en de arma Christi pleiten in dit geval toch meer voor een ogenblik vóór de opstanding uit de doden.
79.Vgl. R. Berliner, 'Arma Christi', Münchener Jahrbuch der bildenden Kunst, 3. Folge, 6 (1955), 33-152. Op het doek van de deuren van het Oordeelspel achter in de Sint Janskerk waren vier engelen met lijdenswerktuigen geschilderd: kan en bekken van Pilatus, haan, ladder, en lijfrok met dobbelstenen. Mosmans 1931, 396-399 en afb. 242. Deze deuren zijn al decennia geleden spoorloos verdwenen.
80.F. van der Meer, 'De tweede val der engelen. Geschiedenis ener beeldvorming'. Saecula saeculorum (feestbundel C.W. Mönnich), Amsterdam 1982, 47-97.
81.Jan van Ruusbroec, Van VII Trappen in den graed der gheesteleker Minnen, uitg. door Lod. Moereels s.j., Tielt/Amsterdam 1976. Bij het koorgebed worden de engelen aanwezig geacht: Liturgisch Woordenboek I, Roermond/Maaseik 1958-1962, 673, s.v. 'Engelen'.
82.D.P.R.A. Bouvy, Kerkelijke Kunst 3. Edelsmeedkunst, Bussum 1967, 58, afb. 45 en fig. 19.
83.V. Denis, De muziekinstrumenten in de Nederlanden en in Italië naar hun afbeelding in de 15de-eeuwsche kunst (Verhandelingen van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schoone Kunsten van België, Klasse der Schoone Kunsten VI, 2), Antwerpen/Utrecht 1944; R. Hammerstein, Die Musik der Engel. Untersuchungen zur Musikanschauung des Mittelalters, Bern/München 1962.
84.Seya Dalderup, Restauratie van de gewelfschilderingen in het koor van de St. Maartenskerk te Zaltbommel, 1980 (Fotocopie van typoscript, bibliotheek Rijksdienst voor de Monumentenzorg, Zeist), 47-75.
85.Banieren aan de bazuinen der engelen ook op een paneel met het Laatste Oordeel van Hieronymus Bosch uit ± 1510 (Groeningemuseum, Brugge), een Laatste Oordeel door Aertgen van Leyden en bij Brueghel.
86.Over de gekroonde Moeder Gods en de engelen: Hammerstein, o.c. (zie noot 83), passim.
87.Waaronder ook te rekenen de thema's van de Aanbidding van het Lam en Allerheiligen. Vgl. C. Harbison, The Last Judgement in Sixteenth Century Northern Europe: A Study of the Relation between Art and the Reformation, New York/London 1976; F. van der Meer, Apokalypse, Antwerpen 1978.
88.Harbison, o.c. (zie noot 83); Van Kalcken, o.c. (zie noot 5); Hoogewerff, o.c. (zie noot 5); H. Miedema, 'De ikonografie van de schilderingen in het koor van de Grote Kerk te Harderwijk', Oud Holland 94 (1980), 259-283.
89.Voor het iconografisch thema van de Boom van Jesse (teruggaand op Matth. 1, 20; Openbaring 22, 16; Romeinen 15, 12; Isaias 7, 14; 11, 1; 53, 2): R. Ligtenberg, 'De genealogie van Christus', OJB 9 (1929), 3-54; A. Thomas in Lexikon der christlichen Ikonographie (hrsg. E. Kirschbaum S.J.), Bd. iv, Rom/Freiburg/Basel/Wien 1972, s.v. 'Wurzel Jesse', 549-558.
90.Ligtenberg, l.c. (zie vorige noot) en afb. 33, signaleerde een Annunciatie in verbinding met de Boom van Jesse in een 15de- of vroeg 16de-eeuws Vlaams getijdenboek (Staatsbibliothek München, cod. lat. 23 250).
91.Ligtenberg (zie vorige noot) acht de toevoeging van een crucifix aan de Boom van Jesse een 15de-eeuwse 'corruptie' van het oorspronkelijk thema, ook in het genoemd Vlaamse getijdenboek aanwezig, maar niet in de twee andere belangrijke 15de-eeuwse muurschilderingen van de Boom van Jesse in ons land: die in de N.H. Kerk te Borne (Maria op de maansikkel in top) en in de Buurkerk te Utrecht (zonder maansikkel; de profeten en koningen kijken uit vensters van een bouwsel waartegen de boomtakken opklimmen).
92.Gerhard Jansen, 'De Boom van Jesse in de Sint Janskerk', Het Gildeboek 1927, 43-53; Mosmans 1931, 201-204.
93.Hezenmans 1866, 286-288.
94.Mosmans 1931, zie noot 92.
95.Stadsresolutiën 7 januari 1640, f 193v-194r; Mosmans 1931, 201.
96.Centraal Laboratorium voor Onderzoek van Voorwerpen van Kunst en Wetenschap: Onderzoek van de muurschildering 'De Boom van Jesse' in de St. Jansbasiliek in 's-Hertogenbosch, getypt rapport door Karin Groen en Jaap Mosk, Amsterdam 4 juli 1979; rapport H.H.J. Kurvers, Rijksdienst voor de Monumentenzorg, 10 october 1980.
97.Vgl. Renaat van der Linden, Ikonografie van Sint-Niklaas in Vlaanderen, Zottegem 1972, 363. In Den Bosch behoorden tot het Kramersgilde ook de boekdrukkers en -handelaren: C.J.A. van Oord, Twee eeuwen Bosch' boekbedrijf (Bijdragen tot de geschiedenis van het Zuiden van Nederland 62), Tilburg 1984. Zie ook hoofdstuk 13, noot 159.
98.C.F.-X. Smits, 'Oude muurschilderingen in de Bossche kathedraal', De Maasbode 27 januari 1922, bericht overgenomen in De Bouwwereld 21 (1922), 74-75.
99.Rientjes: 3 februari 1922; Smits: 8 februari 1922; Kalf: 15 februari 1922; Smits: 22 februari 1922.
100.Mosmans 1931, 389-390.
101.Smits, l.c. (zie noot 98); berichtje in De Bouwwereld 20 (1921), 152; Mosmans 1931, 389-390.
102.Notulen kerkbestuur, 19 juli 1871.
103.Hezenmans (l.c.) 1900.
104.Van Sasse van Ysselt 1903, 58; Smits 1907, 199-200 en 74, n. 4; Smits 1912, 328, waar het een eiwitschildering wordt genoemd; Mosmans 1931, 388-389.
105.Th. Molkenboer, 'Restauratie van muurschilderingen in de Kathedraal van St. Jan te 's Bosch', De Amsterdammer, Weekblad voor Nederland, 18 october 1896, 3. Theo Molkenboer was kunstschilder met monumentale aspiraties: muurschilderingen en figurale tegeltableaus in kerkgebouwen, tevens auteur van talrijke beschouwingen en critieken in verschillende persorganen.
106.ARA, Dep. Binnenl. Zaken; NDB, Cuypers' brievenboeken.
107.Zie noot 103.
108.Smits 1907, 200-201; Bloys van Treslong Prins I, 1924, 277-278; Smits 1912, 327; Mosmans 1931, 333, 321 en 388.
109.Behalve het in vorige noot genoemde nog: Van Sasse van Ysselt (zie noot 104), 58-59.
110.Zie noot 105.
111.Notulen kerkbestuur, 6 april 1880. In 1876 was de St. Josephkapel al door J.A. Goossens 'in Waterverfkleuren' beschilderd, in 1878 de H. Hartkapel door dezelfde 'in lijmverf' (Rekeningen over die jaren).
112.Exemplaren in GA en in de bouwloodsen. Afgebeeld in Ach Lieve Tijd, afl. 4, 97.
113.'In Memoriam' door E.J.H.[aslinghuis] in Het Gildeboek 14 (1931), 93-94; A. Dijkmans S.J., Christelijke decoratieve kunst en de muurschilderingen van Theodorus Hermsen in de r.k. Kerk te Deurne, Nijmegen 1903, met loftuitingen die wel erg overdreven zijn volgens G. Brom, Herleving van de kerkelike kunst in katholiek Nederland, Leiden 1933, 388; Scheen I, 1969, 468; Henk de Laat, 'Kerkelijke en religieuze schilderkunst', in de Catalogus Naar gothieken kunstzin, 79.
114.Bloys van Treslong Prins (zie noot 108), 278, waar Sixtus IV per ongeluk IX genoemd wordt, wellicht door verwarring met paus Pius ix die in een gebrandschilderd glas in dezelfde kapel is voorgesteld.
115.Mosmans 1931, 536.
116.Foto Verhees in de nalatenschap Mosmans ga, doos 45: foto waarop de twee noordelijke straalkapellen zichtbaar zijn, de linkse nog met het Passieretabel.
117.Smits 1980, 17.
118.Catalogus Museum Provinciaal Genootschap 1926, 10, nr. 7589, anonieme foto zonder negatief in de Bouwloodsen van Sint Jan, inv. nr. 2. 41. 139.
119.Voor de vondsten en de restauratie: J. Schuurmans, Rapport van saus- en schilderrestauratiewerken in de Sacramentskapel, noordelijke zijbeuk van de kooromgang en de Antoniuskapel, januari 1979, in de Bouwloodsen.
120.J. Schuurmans, Rapport van het onderzoek naar saus-, schilder- en pleisterlagen in de eerste travee van het zuidertransept en de Antoniuskapel, 5 juli 1977, in de Bouwloodsen.
121.Zie noot 106: in dezelfde brief die daar bedoeld wordt.
122.Rapport over de gewelfschilderingen van de Antoniuskapel door J. Schuurmans, Januari 1979, in de Bouwloodsen.
123.Hoogewerff, o.c. (zie noot 5), 1, 214-215 (handschrift in museum van Krakau: vaas met ranken en bladeren waarin figuurtjes omvangen zijn); M. Lehrs, Geschichte und kritischer Katalog des deutschen, niederländischen und französischen Kupferstichs im XV. Jahrhundert, 9 dln., 1908-1934; F.W.H. Hollstein, Dutch and Flemish Etchings, Engravings and Woodcuts, ca. 1450-1700, 25 dln, Amsterdam 1949-1981; Dez., German Engravings, Etchings and Woodcuts, ca. 1400-1700, 28 dln, Amsterdam 1954-1980; P. Jessen, Der Ornamentstich, Berlin 1920, I. Randversieringen in houtsneden als tekstomlijsting bijv.: La mer des hystoires, Parijs, Pierre le Rouge, 1488 (Catalogus Het Geïllustreerde Boek in het Westen, Brussel, Koninklijke Bibliotheek, 1977); Keulse Bijbel uit ± 1478-1479, gedrukt door Heinrich Quentell, drukwerk van Christiaan Snellaert te Delft en Jacob Bellaert te Haarlem, beiden rond 1480, en vele anderen (A.M. Hind, An Introduction to a History of Woodcut, 1935, Dover Edition New York 1963, 2 vol., 360, 572 en 576).
124.Rapport J. Schuurmans, zie noot 120; tevens zijn rapport over de Restauratiewerken aan de derde (zuidelijkste) travee, 17 februari 1978.
125.J. Schuurmans, getypt Rapport over het onderzoek naar saus-, schilder- en pleisterlagen, 9 augustus 1977, in de Bouwloodsen; dez., getypt Rapport van saus- en schilderres-tauratiewerkzaamheden in het middenschip en noorder- en zuiderzijbeuken van de kathedrale basiliek van St. Jan te 's-Hertogenbosch, dienstjaar 1980, in de Bouwloodsen.
126.Een altaar ter ere van het Heilig Kruis, St. Olav en St. Caecilia stond meer noordwestwaarts, tegen de zijbeukpijler, en was met een beeld van St. Olav getooid. Wellicht moest St. Caecilia, patrones van het zangersgilde, daarom 'uitwijken' naar de muur. Over dat altaar: mosmans 1931, 335; schutjes, 193 en 196: kanunnik Balthasar de Bont liet in 1600 bij dit altaar zes Latijnse disticha (een distichon is een volledige zin in twee versregels) ter ere van St. Caecilia plaatsen. Geschilderd of als tekstbord? Een schildering of beeld van deze heilige wordt nergens vermeld.
127.Restauratieverslagen 1883 in archief Rijksdienst voor de Monumentenzorg en in de Bouwloodsen; Smits 1907, 21; Mosmans 1931, 411.
128.Notulen kerkbestuur 19 januari en 11 maart 1870.
129.H. Luns in Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek I, Leiden 1911, 480-481; Scheen 1, 1969, 171.
130.Notulen kerkbestuur 2 october 1882 en 1 mei 1883.
131.Ibid. 18 september 1884 en 11 juli 1890.
132.Voor de mirakelen en de geschiedenis van het beeld, waaraan het thema ontleend is, zie Kronenburg VI, 1909, 236-283 en Mirakelen.
133.Rapporten, zie noot 125.
134.Mosmans 1931, 432-433.
135.Zie noot 123; J.B. Knipping en M. Gerrits, Het kind in Neerlands beeldende kunst I, Wageningen z.j., 11 en 43, fig. 17. Een putto met een molentje uit vier in plaats van twee vaantjes in een gravure uit 1517 van Lucas van Leiden: Hollstein, dl. X, 191.
136.D. Bax, Ontcijfering van Jeroen Bosch, 's-Gravenhage 1949, 126-127, 131, 147, afb. 7; zie ook Ch. de Tolnay, Hieronymus Bosch, Bâle 1937, 28, 65, n. 74 en pl. 23.
137.W.S. Gibson, 'Bosch' Boy with a whirligig: some iconographical speculations', Simiolus 8 (1975/1976), 9-15; bij Cesare Ripa, Iconologia, beeld van de zotheid; in de Nederlandse vertaling van d.p. pers, Amsterdam 1644, 479.
138.J. Schuurmans, Rapport over het schoonmaken en kleuronderzoek op en bij de vier Evangelisten, typoscript 26 januari 1977 in de Bouwloodsen.
139.Rapport van H.H.J. Kurvers over de schilderingen en afwerklagen na bezoek van 26 maart 1976 (Rijksdienst voor de Monumentenzorg); Rapport D. Schoonekamp onderzoek kleurlagen koepel, 9 juni 1976 (uitgevoerd door Pieter de Ruyter) in de Bouwloodsen.
C. Peeters, 'De Sint Janskathedraal 's-Hertogenbosch' (1985) 291-324