Aert Heymsgasthuis

stichtingsdatum: 1372
locatie: Vughterdijk

Het Heymsgasthuis, dat op de Vughterdijk gestaan heeft achter de St. Corneliskapel. Bij de belegering der stad is het verwoest. Het werd daarna herbouwd in Vught.
Volgens Van Oudenhoven zou het in 1372 gesticht zijn voor vier mannen.
De rechtstoestand van de godshuizen te 's-Hertogenbosch vr 1629
 
Sasse van Ysselt

De St Corneliskapel on het Heymsgasthuis

Ging men in de 16e eeuw van laatstbedoeld plein over den Vughterdijk marktwaarts dan kreeg men eerst aan zijne rechterhand de St. Corneliskapel. Zij stond op een terrein, gelegen tusschen het straatje, genaamd Achter het Fortuintje en het straatje, dat eertijds het Galgestraatje heette, doch thans naar laatstgenoemden metselaarsbaas de van Son's steeg genaamd is.
Deze kapel was eene der kapellen van den Bosch, waarin de Hervormde godsdienst het eerst geregeld werd uitgeoefend. Zooals toch blijkt, o.a. uit de bijdrage van Dr. W. Meindersma in het Ned. Archief voor Kerkgeschiedenis VII blz 385 en vlgd., werd, toen de reformatorische beweging te den Bosch krachtig was geworden, van af 22 Augustus 1566 door Hervormde predikanten tweemaal per week gepreekt zoowel in deze kapel, als in de St. Jacob-, St. Peter en Paulus en St. Annakapel en werden zelfs in begin December van dat jaar deze kapellen aan het Hervormd Consistorie van den Bosch door de twee afgevaardigden van de Landvoogdes der Nederlanden tot uitoefening van den Hervormden godsdienst afgestaan. De Bossche Protestanten zullen daarmede zijn blijven voortgaan zoowel in de St. Cornelis als in de andere zooeven genoemde kapellen totdat wegens het vertrek van Antony van Bombergen uit den Bosch, dat 11 April 1567 plaats had, zeer vele Hervormden die stad verlieten 1). Blijkens de namen van diegenen hunner, die in 1568 door Alva werden ingedaagd om voor hem of zijne gemachtigden te verschijnen ten einde zich te verantwoorden over hun doen en laten aldaar, welke namen te vinden zijn in van Heurn Historie II p. 49, behoorden destijds de meeste Hervormden van den Bosch tot den geringen stand.
Van de Hervormden, die toen aldaar waren achtergebleven, werden eenigen in 1568 op de Markt opgehangen 2). De reformatorische beweging scheen daarop in den Bosch uitgebluscht; toch gloeide er nog vuur onder de asch, zoo schreef Dr Meindersma t.a.p. en in latere dagen laaide de vlam weer op. Dat bleek in 1578 toen de geloofsvrede, die door den landvoogd don Jan van Oostenrijk was voorgesteld, door de Regeering van de stad aangenomen en door hare vier Schutterijen alsmede door haren Prinsgezinden gouverneur Jor. Jan van Hornes, baanderheer van Boxtel, beedigd was; immers alstoen bleek, dat er in den Bosch nog zoovele Hervormingsgezinden waren, althans aldaar teruggekeerd waren, dat men er toe overging om hun ter uitoefening van hunnen godsdienst wederom af te staan de St. Cornelis-, St. Jacob-, St. Peter en Paulus en St. Annakapel, met bevoegdheid daarin hunne dooden te begraven.
Slechts een jaar lang bleven de Bossche Hervormden in dat hernieuwd bezit dezer kapellen, want nadat de Regeering van den Bosch in 1579 tot den Keulschen vrede was toegetreden en zich met Parma had verzoend, verlieten bijna alle Bossche Protestanten deze stad en werden bedoelde kapellen aan de Katholieken teruggegeven.
Slechts van enkele Hervormden vindt men dan ook vermeld, dat zij toen nog in den Bosch bleven; o.a. was dit het geval met eene Neesken de Greef, die in 1582 te den Bosch overleed zonder zich, ondanks de bemoeienissen van den Plebaan der St. Janskerk, met de Katholieke Kerk te hebben willen verzoenen. Haar lijk is blijkens van Heurn Beschrijving op last van den Hoog- en laagschout onder door den dorpel van de deur van haar sterfhuis, dien men daartoe ondergraven had, waarschijnlijk om niet te schenden het privilegie, dat men eens anders woning niet tegen zijnen wil mocht binnentreden, weggehaald en op eene horde naar de Markt gesleept, alwaar het onder de plaats van den galg, alzoo voor het Stadhuis, begraven werd; nadat den Bosch in 1629 aan de Staatschen was overgegeven is haar lijk door de Hervormden opgegraven en in eene kist, in de tegenwoordigheid van den Krijgsraad, den Hervormden Kerkraad en eenige Protestanten in het Hoogkoor der St Janskerk ter aarde besteld.
Na het sluiten van het Twaalfjarig bestand schijnen er weder Hervormden in den Bosch gekomen te zijn, zooals blijkt uit van Heurn Historie II, p. 320 doch niet lang zullen de meesten hunner er gebleven zijn, omdat, zooals wij hiervoren op blz. 105 reeds zagen, bij de reductie van den Bosch in 1629 in die stad maar enkele Hervormden waren.
De St. Cornelis kapel moet nog al groot geweest zijn, daar er toch drie altaren in waren, n.l. dat van St. Cornelis, dat van O.L. Vrouw en dat van het H. Kruis. Gedurende het beleg van den Bosch in 1601 werd deze kapel zoozeer door het bombardement der Staatschen gehavend, dat het niet mogelijk was de daaraan toegebrachte schade te begrooten; kort daarna moet zij evenwel hersteld zijn, want den 30 October 1626 begaf de nieuw benoemde bisschop van den Bosch, Michael Ophovius met den Heer van Rambicourt, plaatsvervangend en gouverneur van den Bosch, den Hoogschout en de Regeering van die stad zich daarheen om er zich in tegenwoordigheid van de geheele geestelijkheid van die stad als Bisschop te doen kleeden en van daar in processie naar de St. Janskerk te gaan.
Bij het beleg van de stad in 1629 werd deze kapel nog heviger dan te voren door de Staatschen beschoten, zoodat het nu niet meer mogelijk was ze nog te herstellen; de Regeering van die stad besloot daarom in 1664 de rune dezer kapel voor afbraak en haar erf voor bouwgrond te verkoopen, gelijk zij dan ook op 9 Mei van dat jaar deed 3). Koopers daarvan werden toen voor een gedeelte Pieter Cornelisse van der Starren en voor het ander Johannes van Grimbergen, die daarop de overblijfselen van de kapel sloopten. Laatstgenoemde hunner bouwde op het door hem gekocht deel van het erf der kapel het huis de Moriaan, dat Johanna de Willefinck, de weduwe van zijn zoon mr Willem van Grimbergen, raad en rentmeester van den Bosch, 27 Sept. 1695 verkocht aan den luitenant Francoys Jourdaen bij eene akte (Reg. n 509 p. 318), waarin het beschreven werd als volgt: „eene welgelege huyssinge, genaemt de Moriaen, gestaen ende gelegen binnen dese stadt op de Vuchterendijck ende van nieuws door Sr Johannes van Grimbergen, vader van de voors. heere Willem van Grimbergen, getimmert op de erve van Sinte Cornelis capelle 4), staende de voors. huyssinge de Moriaen neffens de huyssinge de Brabantsche Nachtegael ex uno ende neffens huys ende erve genoemt de Bontte huyt, een ganscken tusschen beyde liggende, ex alio, streckende van de voors. gemeyne straet tot op de muer van den hoff van voors. vercopersse.” Die hof zal waarschijnlijk geweest zijn de tuin van genoemd huis de Brabantsche Nachtegaal, dat voornoemde Johanna de Willefinck 27 Sept. 1695 ook verkocht en waarvan toen werd gezegd, dat Johannes van Grimbergen het eveneens had getimmerd op d'erve van St. Cornelis capelle, even als het daarnaast staand huis der Wed. Pieter Corneliszoon van der Starren ook op dat erf was gebouwd.
Achter de St. Corneliskapel stond een tijd lang het Heyms oude mannen gasthuis, zooals blijkt uit eene Bossche Schepenakte van April 1532 (Reg. n 140 f. 144), waarbij Arnd Heym Janszn als provisor en rector van het St. Cornelisgasthuis, staande achter de St. Corneliskapel aan den Vughterdijk, een huis met erf en plaats, staande in de Windmolenbergstraat te den Bosch tusschen het erf der St. Jacobskapel ex uno en dat van Jan Stempels ex alio en zich achterwaarts uitstrekkende tot aan het erf van Elisabeth Tielmans, verkocht aan Lambert Wouters Scosterszn. Bij het beleg van den Bosch in 1629 werd het gebouw van dit gasthuis stuk geschoten, waarom het is overgebracht in een gebouw tegenover de voormalige St. Peters of strooienkerk te Vught, dat thans nog bestaat. Jor. Henrick Arndszn Heym, als „patroon ende gifter van seker mannengasthuys, genoempt Heymsgasthuys,” heeft daarop 28 Mei 1632 (Reg. n 371 f. 520) aan Peter Anthoniszn van den Wiel en Gijsbert Herincx, raad van den Bosch, verkocht, „de hoffstadt, erve ende hoff, daerop 't voors. gasthuys plachte te staen, gelegen achter de St. Corneliskapel;” die panden zijn vervolgens bij eene Bossche Schepenakte van 16 April 1662 (Reg. n 442 f. 338), door Henrick Zierneels als vader over de onmondige kinderen, door hem verwekt bij zijne vrouw Christina, dochter van Willem Herincx; door den curator over het aandeel van Corstiaan Herincx in de nalatenschap van voornoemden Gijsbert Herincx; door Catharina en Antonetta, kinderen van wijlen Anthonis Herincx; door Henrick door Jacobszn van Weert als man van Hesther, dochter van laatstgenoemden Anthonis Herincx; door mr Peter van Eyl, med. doctor, als weduwnaar van Adriana, dochter van Anthonis Herincx meergenoemd en erfgenaam van zijnen zoon Johannes Herincx, dien hij van haar had; door Johan Herincx, koopman te Parijs en door Willem Seberts 5) als erfgenaam van Henrica Seberts, de erfgename van meergenoemden Gijsbert Herincx, voor de helft verkocht aan Huybert van Boxtel; zij werden toen omschreven als: seeckere hoffstadt, erve ende hoff, daerop plach te staen seecker mannengasthuys, genoemt Heymsgasthuys, gelegen op den Vuchterendijck achter de Capelle, genoemt St. Cornelis Capelle, streckende van de gemetste buytenste steenen plaeren der voers. capelle toe op den waeterstroem daerachter vlietende. De andere helft werd door Peter Anthoniszn den 1 Mei 1662 verkocht aan Marten Paulszn Smeesters.
Noten
1.Dr. Meindersma t.a.p. blz. 390.
2.Van Heurn Historie II p. 48.
3.Schepenreg. van den Bosch n 444 fol. 334 en vlgd.
4.Over hetgeen J. en A. Mosmans in hun werk Oude Namen van huizen en straten te den Bosch over de standplaats dezer kapel tegen mijne bewering aanvoeren, zie men hun supplement op dat werk p. IV.
5.Zijn eigenlijke naam zal Zyberts geweest zijn.
De voorname Huizen en Gebouwen van 's-Hertogenbosch I (1910) 293-320
 
Artikelen
2012

Petra Dircks

Vier oude mannen in een huisje
Brabants Dagblad donderdag 26 januari 2012 | B10
 
 
Boeken
1964

dr. J.P.A. Coopmans

De rechtstoestand van de godshuizen te 's-Hertogenbosch vr 1629
Zuid-Nederlandsche Drukkerij N.V. | 's-Hertogenbosch 1964
 
 
Literatuur en bronnenpublicaties

L.H.C. Schutjes, Geschiedenis van het bisdom 's-Hertogenbosch (1876) IV. 528

n: vermelding in een voetnoot