Intern verslag 216


Achter het verguld Harnas / Achter het wild Varken
(tweede aanvullend verslag)

Inleiding, tevens samenvatting en conclusie

In het eerste aanvullend verslag 'Achter het Verguld Harnas / Achter het Wild Varken (aanvullend verslag)'1 zijn de percelen C en D uit het verslag 'Archiefonderzoek naar de middeleeuwse bebouwing Achter het Verguld Harnas 9-15 en Achter het Wild Varken 1-3 (intern verslag nr. 51)' aan een nadere analyse onderworpen. Hierbij is, aan de hand van de cijns- en verpondingsregisters, met name gebleken dat de identificatie van de percelen met de betreffende - inmiddels overigens ook al weer achterhaalde - huisnummers in laatstgenoemd verslag onjuist was. Perceel C kon nu worden gedentificeerd met het voormalige Achter het Wild Varken 3 en D met Achter het Wild Varken 1. Uit het jongste onderzoek is komen vast te staan dat ook perceel B deel heeft uitgemaakt van Achter het Wild Varken 3. Perceel A is dientengevolge Achter het Wild Varken 5 geweest en droeg sinds de achttiende eeuw de huisnaam Vechel's Lust.
In verband met de samenhang van het geheel en de resultaten van de opgravingen zijn in dit tweede aanvullend verslag ook de percelen A en B (met inbegrip van het zuidelijk daaraan grenzende Achter het Wild Varken 9) nog eens nader geanalyseerd, met name ook aan de hand van de cijns- en verpondingsregisters en in aanvullig op en ter correctie van de gegevens uit het boek van A.F.O. van Sasse van Ysselt, De voorname huizen en gebouwen van 's-Hertogenbosch,2 waarin de ontwikkeling na omstreeks 1500 wordt behandeld.

afb.
De percelen Achter het Wild Varken 1 en volgende, oneven nummers, ingetekend op de kadastrale minuut van 1832.

_______________
1.Utrecht, juni 2010 (intern rapport ...)
2.'s-Hertogenbosch 1910-1914.
1

De gegevens uit de cijns- en verpondingsregisters

De cijnsregisters behandelen de percelen aan de westkant van Achter het Wild Varken en Achter het Verguld Harnas van zuid naar noord vanaf het latere Achter het Wild Varken 9.
In 1520 levert dit de volgende posten op (latere bezitters als in het register ingesprongen boven de betreffende post):1

(De Trouw; Achter het Wild Varken 9)
Anthonius filius.
Wilhelmus de Achel de xxxi ped.
xiii d. ort.


(Achter het Wild Varken 7)
Anthonius Belairts de xxxi ped.
xiii d. ort.

(A: Vechel's Lust; Achter het Wild Varken 5)
Everardus de Aqua.
Coenrardus Kempe de xxxi ped.
xiii d. ort.


(B-C-D: Posthuis; Achter het Wild Varken 3-1)
Hermannus van Deventher.
Iohannes Kempe de xxi ped.
ix d.


Opmerkelijk is dat de eerste drie percelen en gelijke breedte hadden, te weten 31 voet (9,04 m), het volgende - omvattende de percelen B, C en D - slechts 21 voet (6,17 m). In werkelijkheid was dit complex veel breder. Uit de meeste van de oorspronkelijke percelen werd dus geen cijns betaald.

Het cijnsregister van 1573 bevat de volgende posten:2

(De Trouw; Achter het Wild Varken 9)
Die onmundige kynderen van mr. Laureyns Michielssen.
Gooswyn van Achelen.
Wouter van Achelen van xxxi voeten xiii d. orth oudts, geldende
ii st. x d.


(Achter het Wild Varken 7)
Nu Art van Brueghel.
Goovert Roovers van xxxi voeten xiii d. i orth oudts, geldende
ii st. x d.


(Vechel's Lust; Achter het Wild Varken 5)
Jan zoene Everaerdts vanden Water van xxxi voeten xiii d. oudts orth, geldende
ii st. x d.


(B-C-D: Posthuis; Achter het Wild Varken 3-1)
Guiliaum van Delft. Joncher Erasmus van Grevenbroeck.
Gerardt Coenen by coop.
Jouffrouw Agnes van Nederven.
_______________
1.Algemeen Rijks Archief [ARA] Brussel, Rekenkamers 45067, f 69.
2.Brabants Historisch Informatie Centrum [BHIC], Raad en rentmeester-generaal 280, f 72v-73.
2

Henrick Hermans van Deventher ix d. oudts, geldende
i st.


Ook toen werd dus uit de laatstgenoemde percelen slechts een geringe cijns betaald.

Uit de verpondingsregisters van 1635 en 1690 is meer duidelijkheid te verkrijgen over de waarde van de bebouwing. De volgorde van de posten gaat hier uit van de Vughterstraat. In 1635 gaat het om:1

(D-C-B: Achter het Wild Varken 1-3)
De kinderen ende erffgenamen vanden heer van Meerlo f. Erasmus van Grevenbroeck, eijgen., capn. Steen-wijck bruijcker, voor drie hondert vijff en twintich ponden den viiien pen.
xl xii st. vi d.


Deselve eijgen., de weduwe bruijckersse, voor hondert vijiftich ponden den viiien pen.
xviii xv st.


(A: Vechels Lust; Achter het Wild Varken 5)
Joncker Diderijck vande Water, eijgen. ende bruijcker, voor getaxeert op hondert vijff ende t'seventich ponden, den viiien pen.
xxi xvii st.


(Achter het Wild Varken 7)
M. Aelbert van Brugel, eijgen. en bruijcker, getaxeert op drie hondert ponden, den viiien pen.
xxxvii x st.


(De Trouw; Achter het Wild Varken 9)
De weduwe van (opengelaten) Heesacker, eijgen. ende bruijckersse, getaxeert op twee hondert vijftich ponden, viiien pen. (Achter het Wild Varken 11)
xxxi v st.

Het verpondingsregister van 1690 levert het volgende beeld op:2

(D-C-B: Achter het Wild Varken 1-3)
Weduwe Johan van Kessel, eijgen., getaxeert op twee hondert veertigh ponden, comt den achsten penninck
xxx

Deselfde eijgenaer, getaxeert op tachentich ponden, comt den achsten penninck
x


(A: Vechels Lust; Achter het Wild Varken 5)
Johan van Camphen, eijgen., getaxeert op hondert sestigh ponden, comt den achsten penninck
xx


(Achter het Wild Varken 7)
Abraham Hubert Jonge, eijgen., getaxeert op hondert veertigh ponden, comt den achsten penninck
xvii x st.

_______________
 1 Nationaal Archief [NA] 's-Gravenhage, Raad van State 2134, f 105-106.
 2 NA 's-Gravenhage, Raad van State 2135, f 104v-105.
3

(De Trouw; Achter het Wild Varken 9)
Lambert vanden Heesacker, eijgen., getaxeert op hondert sestigh ponden, comt den achsten penninck
xx


De verschillen in waarde zullen te maken hebben gehad met verbouwingen en uitbouw.

Enkele gegevens over percelen ten zuiden van Achter het Wild Varken 7

Wat Van Sasse van Ysselt in deel II van zijn boek op de bladzijden 108-111 over de percelen Achter het Wild Varken 15, 13 en 11 zegt,1 is onjuist en daardoor buitengewoon verwarrend. De door hem vermelde gegevens hebben betrekking op andere percelen in genoemde straat en Achter het Verguld Harnas. Pas de op pagina 114 vermelde akten van 1 maart 1614 en - in een noot - 2 september 1605 hebben betrekking op Achter het Wild Varken 11 en 13. In 1520 behoorden deze kavels toe aan Frank Franksz. van Langel en vervolgens aan zijn dochter Heilwig, die trouwde met Klaas van der Stegen; Achter het Wild Varken 15 aan Dirk van Hal.2 De vader van Frank de gelijknamige stadssecretaris, had de percelen vanaf 1478 in zijn bezit gekregen.3

Achter het Wild Varken 9

Achter het Wild Varken 9 was, zoals hierboven is weergegeven, in 1520 in bezit van Willem van Achel, die het op 9 februari 1495 had verkregen van de uitvoerders van het testament van Gijsbert Ghijsselen.4
Wat betreft de oudere geschiedenis: op 14 april 1390 deden Willem, Gerit, Goiart en Liesbet (gehuwd met Wouter van den Staal?) en Sofie (gehuwd met Hendrik Goiart Dicbier), kinderen van wijlen Jan van Derenteren, afstand van dit goed ten behoeve van hun broer en zwager Jan Jansz. van Derenteren.5 Het was het woonhuis van hun vader en schoonvader geweest en werd gesitueerd tussen erf van Jan Leunis van Erp en erf van Gijb Herinc en zijn zuster Aleid. Jan van Derenteren senior had al op 9 augustus 1367 een cijns van 16 pond op dit complex gevestigd, dat toen gesitueerd werd tussen erf van Meus Dirks en erf van Gosen
_______________
1.Van Sasse van Ysseit, Voorname huizen II, 108-113.
2.ARA Brussel, Rekenkamers 45067, f 69 (ingesprongen latere bezitters):
Nicolaus vander Stegen.
Dominus Theodericus de Hal de xxii pedatis
ix d.

Idem.
Franco de Langel de xxi pedatis
ix d.

Idem de xxxiiii pedatis
xiii d.

3.Van de apotheker Wouter van der Ruilen, te beginnen met R 1247, f 158v-159 (1478.04.11).
4.R 1264, f 191v-192.
5.R 1178, f 374v-375: Willelmus, Gerardus, Godefridus fratres, liberi quondam Iohannis de Derentheren, Walterus vanden Stael?, maritus et tutor Elizabeth sue uxoris, et Henricus Dicbier, filius quondam Godefridi, maritus et tutor Sophye sue uxoris, filiarum dicti quondam Iohannes de Derentheren, super domo habitacionis cum suis attinentiis dicti quondam Iohannis, sita in Buscoducis apud locum dictum Zile inter hereditatem Iohannis Leonii de Erpe ex uno et inter hereditatem Ghibonis Herinc etAleydis eius sororis ex alla en van land de Vogeldonk en enkele cijnzen - - - ad opus Iohannis filli dicti quondam Iohannis renunciaverunt --- ...a
a Onleesbaar.
4

Harinc.1
Het goed werd op 14 maart 1403 door Jan Jansz. van Derenteren getransporteerd aan zijn zwager Hendrik Dicbier, zoon van wijlen Goiart. Het werd omschreven als huis, erf en tuin en gesitueerd tussen erf van Hendrik Steenwech, zoon van wijlen Gerit Monics, en erf van wijlen Gijb Harinc, nu van Gosen Albert Gielisz. en mede-erfgenamen.2
Op 10 juli 1434 transporteerde mr. Goiart Dicbier, kanunnik van de Sint-Jan, dit goed, dat omschreven werd als huis, erf en tuin, aan zijn broer Aart Dicbier. Waarschijnlijk waren zij zonen van Hendrik Dicbier, al staat dat niet in de akte.3 Op 7 februari 1460 droegen de kinderen van de inmiddels overleden Aart Dicbier - Goiart, Sofie (gehuwd met Aart van Vladeracken) en Heilwig (gehuwd met Gerit Boest) - het goed over aan hun broer Hendrik. Er gingen pachten uit van twee mud rogge aan genoemde Goiart, van n mud aan broeder Rutger Dicbier, kloosterling van Porta Celi bij 's-Hertogenbosch, en van n mud aan Gerit natuurlijke zoon van Goiart Dicbier.4 Zoals uit latere akten blijkt had Aart Dicbier deze pachten aan de genoemden gelegateerd. De pacht aan Rutger werd op 31 juli 1460 overgedragen aan diens medekloosterbroeder mr. Aart van Weilhusen, zoon van wijlen mr. Aart van Weilhusen;5 Gerit natuurlijke zoon van Goiart zoon van wijlen Aart Dicbier droeg zijn pacht op 15 juni 1462 over aan zijn vader6 en Goiart deze pacht en de pacht die hij van zijn vader gerfd had op 18 augustus 1464 aan Heilwig en Oedele dochters
_______________
1.GAHt, Clarissen 43, f 219v: Iohannes de Derentheren legitime et hereditarie vendidit Wellino dicto de Neysel, filio quondam Iacobi Coptiten, annuum et hereditarium censum sedecim librarum monete --- op Sint-Jan ex domo et area dicti Iohannis venditoris in qua ipse ad presens moratur, sitis in Buscoducis inter hereditatem que fuerat Bartholomei filii Theoderici ex uno latere et inter hereditatem que fuerat Goeswini dicti Harinc ex alio latere, atque ex uno et dimidio iugeribus terre dicti Iohannis venditoris, sitis ad locum dictum die hoge Vogeldonc, --- supportavit et effestucando resignavit ---, promittens --- quod ipse --- prestabit warandiam et quod omnem aliam obligationem --- exceptis censu domini nostri ducis atque triginta tribus solidis pagamenti ex dicta domo et artea atque novem solidis dicto opido de Buscoducis ex dicto uno et dimidio iugeribus terre --- deponet omnino, tali conditione apposita quod cum dictus Iohannes dictum censum sedecim librarum dicte monete predicto Wellino emptori ad alias hereditates infra dictum opidum de Buscoducis situatas, ad hoc satis bonas et sufficientes assignaverit et sic firmaverit, prout id dicto Wellino emptori ratum erit perpetue atque firmum, extunc prescripta bona eiusdem Iohannis a solutione dicte census ammodo quiti erunt penitus et simpliciter absolute. Testes --- Gerardus Scilder et Theodericus filius Ywani. Datum in vigilia beati Laurentii martiris anno Domini millesimo tricentesimo sexagesimoseptimo.
2.R 1183, f 273: Iohannes de Derentheren, fiius quondam Iohannis, domum et aream ac ortum dicti quondam Iohannis, sitam in Buscoducis apud vicum dictum die Zijle inter hereditatem Henrici Steenwech, filii quondam Gerardi Monics, ex uno et inter hereditatem quondam Ghibonis Harinc, nunc ad Goeswinum filium quondam Alberti Gielijs soen et suorum coheredum, ex alio, quos domum, aream et ortum primodicti Iohannis, nunc ad se spectantes, sibique mediante divisione hereditaria prius inter ipsum et suos coheredes habita in partem cessos fore dicebat, hereditarie vendidit Henrico Dicbier, fllio quondam Godefridi --- exceptis xvi libris communis pagamenti exinde solvendis.
3.R 1204, f 222: Magister Godefridus Dicbier, canonicus ecclesie sancti Iohannis eangeliste in Buscoducis, domum, aream et ortum sitos in Buscoducis ad vicum dictum die Zijle inter hereditatem Henrici Steenwech, filii quondam Gerardi Monics, ex uno et inter hereditatem quondam Gibonis Harinc, postea ad Goeswinum filium quondam Alberti Gielis soen et suos coheredes spectantem ex alio, quos domum, aream et ortum Henricus Dicbier, filius quondam Godefridi, erga Iohannem de Derentheren, filium quondam Iohannis acquisierat, prout in litteris, hereditarie supportavit Arnoldo Dicbier suo fratri.
4.R 1230, f 287v.
5.R 1230, f 116.
6.R 1232, f 167.
5

van wijlen Daneel Daneelsz. Croeck en van Jutta Gielisdr. Dunnecop. Jutta verkreeg hiervan het vruchtgebruik.1
Het goed zelf werd op 7 april 1462 door Hendrik Aartsz. Dicbier overgedragen aan jonkvrouw Luitgard weduwe van wijlen Aart van Luenen.2 Hij had er op 2 april 1460 nog een pacht van drie mud uit verkocht aan Willem Jacobsz. van Wijk kramer. Hierin werden als belendingen opgegeven: Willem de koper en Gijsbrecht Roesmont. Het complex strekte zich uit tot aan de Dieze.3 De uitvoerder van het testament van de weduwe Van Luenen transporteerde het op 26 oktober 1469 aan Gijsbrecht Jansz. Gijsselen4 en zoals hierboven al is weergegeven droegen de uitvoerders van zijn testament het op 2 september 1495 over aan Willem van Achel, zoon van wijlen Gerit.5 Op 19 februari 1496 werd de bevrijding van het complex van een cijns van anderhalf mud rogge, die ook uit ander goed ging, aan het klooster op de Donk buiten Heusden, door het klooster bevestigd. Er was sprake van huis, tuin en erf, gesitueerd tussen erf van Gijsbrecht Roesmont en erf van Willem Aartsz. van Wijk.6
_______________
1.R 1232, f 270v-271.
2.R 1232, f 203v.
3.R 1230, f 210: Henricus dictus Dicbier, filius quondam Arnoldi Dicbier, hereditarie vendiderunt Willelmo filio quondam Iacobi dicti de Wijck institori annuam et hereditariam pactionem trium modiorum siliginis mensure de Buscoducis, solvendam hereditarie Purificationis et in Buscoducis tradendam de et ex domo lapidea et area ac orto olim dicti quondam Arnoldi, nunc dicti Henrici, sitis in Buscoducis in vico dicto die Zijl inter hereditatem dicti Willelmi emptoris ex uno et inter hereditatem Ghiselberti Roesmont ex alio, tendentibus a dicto vico usque ad aquam die Diese vocatam ibidem fluentem.
4.R 1239, f 150-150v.
5.R 1265, f 191v-192: Lucas de Erpe, Goeswinus vanden Hezeacker, Iohannes Ghysselen Janssoen et magister Henricus Ghysselen, filius Henrici, potentes ad infrascripta ut apparebat vigore testamenti ac ultime voluntatis olim Giselberti Ghysselen et tamquam executores testamenti predicti, domum, aream et ortum sitos in Buscoducis ad vicum dictum die Zyle inter hereditatem Henrici Steenwech, filii quondam Gerardi Monics, ex uno et inter hereditatem quondam Ghibonis Harinc, postea ad Goeswinum filium quondam Aelberti Gielis soen et ad suos coheredes spectantes, ex alio, quos domum, aream et ortum predictos Ghiselbertus Ghysselen, filius Iohannis, erga Rodolphum Dicbier tamquam executorem et eo nomine testamenti seu ultime voluntatis quondam domiceile Luytgardis relicte quondam Arnoldi de Luenen acquisierat, prout in litteris, hereditarie supportaverunt Willelmo de Achel, filio quondam Gerardi --- census fundi ad duos stuferos et tres quartas partes unius huiusmodi stuferi et hereditarius census sedecim librarum monete conventui sancte Clare in Buscoducis, hereditaria quoque pactio trium modiorum lutte relicte quondam Danieils Croecx et suis liberis necnon hereditaria pactio unius modii siliginis cuidam alteri annuatim exinde e iure solvenda. Albert Keteler hechtte als executeur-testamentair zijn goedkeuring aan de overdracht.
6.R 1256, f 32-32v: Notum sit universis quod cum Iohannes Ghijsselen, filius quondam Iohannis, hereditarium pactionem unius et dimidii modii siliginis mensure de Buscoducis, solvendam anno quolibet hereditarie Purificationis et in Buscoducis tradendam et deliberandam de et ex quodam manso Henrici Dicbier, filii quondam Arnoldi, sito in parochia de Tongerle et ex attinentiis dicti mansi singulis et universis, quocumque locorum consistentibus, sitis, solvendis ac reperiendis, atqe ex domo, area et orto sitis in Buscoducis ad locum dictum Zijle inter hereditatem Ghijsberti Roesmont ex uno et inter hereditatem Willelmi filii quondam Arnoldi de Wyck ex alio, hereditarie supportasset Ghijselberto Ghijsselen suo fratri, prout in litteris; et deinde dictus Giselbertus dictam pactionem in suo testamento ac ultima voluntate in puram elemosinam legasset et dereliquisset conventui beate Marie supra Donckam extra opidum de Huesden sub condicione quod dictus conventus dictam pactionem decetero non monent nec iuridice prosequentur nisi solummodo? et dumtaxat supra dictum mansum et non supra domum, aream et ortum predictos --- constitutus igitur coram scabinis infrascriptis fratres Iohannes vanden Bossche, prior, et Heymannus Verkens de Huesden, cellerarius nomine eorum et omnium conventualium dicti conventus presentium et futurorum palam recognoverunt et sub
6

Op 28 april 1517 ten slotte sloten Willem van Achel en de uitvoerders van het testament van Hendrik van Deventer, de bezitter van Achter het Wild Varken 11, de volgende overeenkomst:
Condt ende kenlic zij enen yegelijcken, alsoe tanderen tijden questie is geweest ende gehangen heeft tusschen Willem van Achelen als proprietarijs van synen huyse ende erffenisse gelegen ende staende inder stat van sHertogenbosch aende Zijle oft after dWiltverken ter eenre ende Henrick van Deventer als proprietarijs van zijnen huyse ende erffenisse daer naest staende ende gelegen ter andere zijden aengaende sekere tymmeragie die stont after den vorsten huyse desselfs Henrix ende recht tegens over der koeken ende eenre cameren staende boven den kelder Willems voirscreven, ende oick aengaende eenre mueren die Willem voirscreven voir hem hyelde ende die gelegen ende streckende is van ende after den vorsten huyse oft camere des voirscreven Henrix, voirts afterwairts voir by eenre stillen des voirscreven Willems tot eenen steenen gevel van enen huyse des voirscreven Henrix nu aldaer staende met leydeck gedect, welke tymmeraigie een wyle tyts wass blyven liggen ongemaect ende oepen, overmits dien dat Willem voirscreven die voirscreven muer nyet gehoight en woude hebben, ende oick dat hy Willem die voirscreven tymmeraigie diemen dan op soude setten nyet anders en woude hebben gestelt oft geordineert dairse te voerens stont ende was eerse afgebroken waert, welke afbreken alsdoen vier oft vyff jaren geleden was; ende alsoe by dueghdelycken onderwyss van goeden mannen, vrinden van beyden zijden ende by meesteren tymmerluyden ende werckluyden, daer nae den voirscreven partyen ter eenre ende ter andere zijden gedaen aengaende der voirscreven tymmeraigien, tusschen die selver partyen zoe verre becomen was by vuytspreken der voirscreven goeder mannen ende meesteren werckluyden ende oick by gunnen ende toelaten des voirscreven Willems, als dat die voirscreven Henrick die voirscreven muer soude moegen hoigen een laige steens ende dan dair op moegen leggen die muerplaet, ende dat alsoe voirts die voirscreven Henrick zijn tymmeraigien, die lange oepen gelegen hadde, onder seker gesteltenisse die de voirscreven meesteren werckluyden concipieert ende begrepen hadden, volvuert ende opgemaickt heeft gehadt. Ende alsoe dair nae die voirscreven Willem van Achelen ter eenre ende die voirscreven Henrick van Deventer ter andere zijden oepelic hadden bekent ende op verbintenisse van allen hoeren gueden, hebbende ende vercrigende, deen den anderen hadden geloeft als dat die voirscreven tymmeraigie after den voirscreven voirhuyse oft camere des voirscreven Henrix zoe die nu daer staet ende van nyeuws getymmert is haer situatie, dispositie ende gesteltenisse soude behouden, ende dat geduerende den levene des voirscreven Henrix, ende nyet langer; item ende dat die voirscreven Henrick noch behouden als dat hy int volvueren ende opmaken der voirscreven zijnre tymmeraigien die voirscreven muer mitz der vuytspraken der voirscreven meesteren werckluyden ende goeder mannen ende vuyt gunnen des voirscreven Willems gehoigt heeft gehadt een laige steens, die oick soe blyven zall den levene des voirscreven Henrix geduerende; ende dat hij Henrick zoe hy oeck geloefden geduerende zijnen levene die oesene vanden voirscreven zijnre
_______________
 obligatione omnium bonorum dicti conventus presentium et futurorum Willelmo de Achel promiserunt quod ipsi nec dictus conventus nec aliqua alia persona ad presens a dicto conventu potestatem habens aut imposterum habitura exnunc deinceps dictam pactionem nunquam monebunt nec iuridice assequuntur nisi dumtaxat et solidum supra dictum mansum et non supra domum, aream et ortum
7

nyewer tymmeraigien aender zijden des voirscreven Willems soude stellen ende moeten houden alsoe datse mer enen halven voet vander voirscreven mueren en zouden wesen vuytgesteken ende daer af neder druypen ende vallen; item ende dat die voirscreven partyen bekenden voirts deen den anderen alle besceyde van brieven, munimenten ende documenten vanden voirscreven here tymmeraigien ende erffenisse aen allen zijden wesende te blyven in heure machten ende werden, nyet tegenstaende de bekennessen voirscreven, gelyc in scepenen brieven vanden Bosch daer op gemaect volcomeliken is begrepen, daer af den daet begrypt den xxiiiien dach in april, des vrydaigz naden sondach Quasi modo int jair ons Heren duysent vyfhondert ende sess;
soe is gestaen voir scepenen ondergescreven die voirscreven Willem van Achelen als noch proprietarijs des voirsreven zijns huys ende erffenisse after dWilt Verken staende, Goessen van Brecht, Herman van Deventer ende meester Henricken die Bye als executoeren der testamenten wilneer Henric van Deventer ende Kathelynen zijnre huysvrouwen tot behoeff der proprietarijsen des voirscreven huyse ende erffenisse wilneer Henrix ende Kathelynen voirscreven, nu zijnde ende naemaels wesende, geloeft ende geconsenteert als dat die voirscreven tymmeraigie after den voirscreven voirhuyse oft camere des voirscreven wylen Henrix ende Katherynen alse leefden recht tegens over der koecken ende eenre camere staende boven den kelder Willems voirscreven ende oick die voirscreven muer aldaer streckende van ende after den
voirscreven voirhuyse oft camere afterwarts voir by eenre stillen des voirscreven Willems tot eenen anderen huyse wylen Henrix ende Katherynen voirscreven die een laige steens zoe voirscreven is gehoight is geweest soe die nu daer staen, nyet tegenstaende des voirscreven is in hoechden, in lenghden ende breyden ewelic ende ummermeer hoir situacie, disposicie ende gesteltenisse zullen moigen behouden, beheltelycken ende vuytgescheyden alle andere bescheyde, brieven, munimenten ende documenten eertyts vanden tymmeraigien ende huysinge Willems ende Henricx voirsreven gemaict ende wesende aen allen zijden te blyven in henre machten; ende oick onder die vorwarden ende condicien hier nae volgende: als dat die voirscreven executeurs ende die proprietaryse der huysinge ende erffenisse wilneer Henrix ende Katherynen voirscreven ten tyde wesende die voirscreven tymmeraigie noch oick die voirscreven muer tot ennigen tyde die toecomen sal nyet en sullen moigen veranderen, hoigen oft breyden, anders oft hoiger stellen oft tymmeren danse nu zijn, noch doen of laten veranderen, hoigen, breyden oft hoiger stellen oft tymmeren in enniger manieren, mar die inder disposicien, gesteltenisse, situacien, hoechden ende breyden voirscreven laten blyven ende onderhouden, ende oic ofse vergingen oft verbranden weder doen stellen ende tymmeren inder selver manieren, disposicien, situacien, gesteltenisse, hoechden ende breyden oft hen belieft, ende egeenssins hoiger oft breeder in enniger manieren; ende datse oeck die oesene vander voirscreven tymmeraige ende die wateren daer of neder vallende ter zijden wairt des erfs Willems voirscreven houden zullen ewelic neder druypende ende vallende bynnen enen halven voet ende nyet vorder vander mueren voirscreven, gelyc die voirscreven executoeren dat oepenbaerlic wederomme hebben bekent ende opte verbyntenisse van allen den gueden tot hore executien behoerende den voirscreven Willemen geloeft. Testes Doerne et Buchoven. Datum xxviiia aprilis, tercia post Misericordia.
8

Bezitters:

Jan van Derenteren
zijn kinderen 1390.04.14
hun broer Jan van Derenteren 1403.014
zijn zwager Hendrik Goiartsz. Dicbier, geh. met Sofie Jansdr. van Derenteren
hun zoon (?) mr. Goiart Dicbier, kanunnik van de Sint-Jan, 1434.07.10
zijn broer Aart Dicbier
zijn kinderen 1460.02.07
hun broer Hendrik Dicbier 1462.04.07
Luitgard wed. Aart van Luenen
haar executeur-testamentair 1469.10.26
Gijsbrecht Gijsselen
de uitvoerders van zijn testament 1495.09.02
Willem Geritsz. van Achel

Perceel Achter het Wild Varken 7

Het is opmerkelijk hoe weinig gegevens het onderzoek naar dit perceel vr 1500 opleverde. Mogelijk bevinden de fiches van de index Smulders/Spiering zich op niet voor de hand liggende plekken.
Op 21 februari 1405 sloten Hendrik Steenwech, zoon van wijlen Gerit Monic, en zijn buurman Wouter Coptiten (zie hierna) de volgende overeenkomst:
Henric Steenwech, soen wilner Gerits Moniic, kent ende lijt dat alsulken yseren haken als die voirscreven Henric heeft doen steken inder muren wesende tusschen huys ende erve Wouters Coptiten gelege in sHertogenbosch opten Zijle aen deen side ende tusschen huys ende erve des voirscreven Henrics op dander side, ende in welken yseren haken die porte des voirscreven Henrics hanghen sal, dat die haken dair sijn gesteken bij onthenckenisse ende van gracien des voirscreven Wouters. Ende voirt kent Henric dat die voirscreven muer alinghe toebehuert den voirscreven Wouter also verre als die clesoir dair steken, ende dat hi Henric voirscreven gheen recht en heeft inder muren voirscreven noch van rechts weghen gheen macht en heeft die voirscreven haken inder voirscreven muren te steken noch inden eynde der muren des voirscreven Wouters gelegen voir aen die straet, noch dat die boghen vander poirten des voirscreven Henrics niet van recht en steet noch gemaect en is op ende aenden mueren voirscreven, gelovende op hom ende sijn goet die haken ende boge ter begerten Wouters voirscreven ute te trecken ende te rumen vander muren voirscreven. Testes Theodericus et Goeswinus. Datum in profesto Petri ad cathedram.1
Tussen Achter het Wild Varken 5 en 7 bevond zich dus toen op nummer 7 een poort.
Hendrik Loden als man van Katelijn dochter van wijlen Hendrik Steenwech verkocht het goed, omschreven als huisplaats en tuin met haar bebouwing op 23 december 1422, aan Gerit Steenwech, zoon van Hendrik Steenwech, waarschijnlijk hun zwager respectievelijk broer. De huisplaats was gelegen tussen erf van Hendrik Dicbier en erf van Wouter Coptiten, en strekte zich uit tot aan het water.2
_______________
1.R 1184, f 74v.
2.R 1193, f 280-280v nw.: Henricus Loden tamquam maritus et tutor Katherine sue uxoris, filie quondam Henrici Steenwech, domistadium et ortum cum suis edificiis quondam Henrici predicti, sitos in Buscoducis ad vicum dictum Zijl inter hereditatem Henrici Dicbier ex uno et inter hereditatem
9

Hierna ontbreken de gegevens. In 1458 wordt Willem Jacobsz. (van Wijk) kramer voor het eerst als belending genoemd in een akte betreffende Achter het Wild Varken 5.1
Op 28 januari 1463 sloot Willem een overeenkomst met zijn buurman van Achter het Wild Varken 5, Aart Hendriksz. Stamelart. Het ging over een muur op het erf van Aart, strekkende van diens achterhuis tot de Dieze. Deze muur mocht twaalf voet (3,44 m) hoog blijven. Aart mocht niet op Willems zijde van die muur bouwen en daar geen dakdrup op Willems erf hebben.2
Op 30 april 1483 verkochten Gerit zoon van wijlen Willem Jacobs en Willem van de Velde gerechtsbode (preco) een cijns uit onder meer het aan Willem Jacobs toebehorende vierde deel in huis, erf en acht daaraan liggende kameren tussen erf van Gijsbrecht Ghijsselen en erf van Koenraad Kemp.3 Later in dat jaar, op 9 augustus, werden op verzoek van Gerit zoon van wijlen Willem Jacobz. van Wijk marskramer en van zijn vrouw Korstien gedeeld. Bij die deling viel aan Willem zoon van wijlen Willem Jacobsz. bovengenoemd complex ten deel.4 Andere delen van de erfenis kwamen aan Willem Jacobsz.'s kinderen Gerit, Katelijn en Beatrijs.
In 1486 is het goed kennelijk door de erfgenamen van Willem Jacobsz. van Wijk verkocht aan Hendrik Hermansz. van Deventer. Dit blijkt uit een schepenakte van 21 april 1486, waarin de verkrijger van de cijns, Dirk Martens, investiet van Someren, erkende dat hij van Hendrik Hermansz. van Deventer koopman de som van 321 Rijnsgulden ontvangen had. Deze zou afgekort worden van de koopsom van het hier behandelde complex.5
Blijkens oorkonde van 29 april 1517 was het goed inderdaad door Gerit Willem Jacobsz., zijn zuster Katelijn, Evert Evert Colen van Berlicum als man van zijn zuster Beatrijs en Gijsbrecht vanden Schaut als man van Katelijn Gosen Peteren, weduwe van Jacob Willem Jacobsz. van Wijk, overgedragen aan Hendrik zoon van wijlen Herman van Deventer Hendriksz. Op laatstgenoemde datum droegen de uitvoerders van het testament van Hendrik van Deventer en zijn vrouw Katelijn het complex over
_______________
 quondam Wolteri Coptiten ex alio, tendentes a dicto vico ad communem aquam, ut dicebat, quod domistadium, ortus et edificia Katherine predicte mediatim quadam divisione hereditaria inter ipsam et Gerardum eius fratrem cesserunt in partem, prout in litteris, hereditanie supportavit Gerardo Steenwech, filio quondam Henrici Steenwech.
1.R 1228, f 69 (1458.05.18): inter hereditatem Goeswini die Snijder et Iohannis Keymp ex uno et inter hereditatem Willelmi Jacops soen institoris ex alio. Bij de vestiging van een pacht uit Achter het Wild Varken 9 op 4 januari 1462 (R 1232, f 203) werd abusievelijk gesproken van Willelmi filii quondam Arnoldi de Wijck, welke aanduiding in de volgende akten betreffende deze pacht werd herhaald (R 1241, f 315 (1472.01.27); f 324v (1472.02.19); 1253, f 279 (1484.05.12); en 1260, f 277 (1491.06.03).
2.R 1232, f 370v: Annoldus Stamelart, filius Henrici, parte ex una et Willelmus filius quondam Iacobi de Wijc parte ex altera palam recognoverunt sibi mutuo se fecisse et ordinasse certos contractus et con venciones de quodam muro sito et consistente in et supra hereditatem dicti Arnoldi, sitam in Buscoducis ad vicum dictum Zijle inter hereditatem reliquam dicti Arnoldi ex uno et inter hereditatem dicti Willelmi ex alio, tendente a domo posteriori dicti Arnoldi ad aquam ibidem fluentem, die Diese vocatam, videhicet quod dictus murus perpetuis temporibus permanebit et permanere poterit ad distanciam duodecim pedatarum a terra sursum, prout ibidem pro presenti situs et constructus est, atque quod Arnoldus Stamelaert in latere versus hereditatem dicti Willelmi in et supra dictum murum non edificabit nec fieri procurabit aliqua edificia nec stillabit nec stillare poterit a dicto muro versus hereditatem dicti Willelmi.
3.R 1252, f 502v-503.
4.Waarschijnlijk ging het om Jacob Willem Jacobsz. Zie hierna.
5.R 1255, f 267v.
10

aan Anthonis, Heilwig en Corneliske, kinderen van Rutger Belarts. Het werd bij die gelegenheid omschreven als huis en erf van wijlen Dirk Meusz. tussen erf van wijlen Hendrik van Aken en erf van wijlen Gerit van Derenteren, later tussen erf van wijlen Hendrik Goiartsz. Dicbier en erf van wijlen Peter van Hijnen, later Aart Stamelart marskramer. Laatstgenoemd erf betrof perceel A (Achter het Wild Varken 5). Er bestond toen een conflict met de buren van laaststgenoemd goed, Korstien weduwe van Koenraad Kemp en haar dochter Aleid en hun erfgenamen, over de poort die door Hendrik van Deventer en zijn vrouw aan de straat was geplaatst en over de afvoer van water ter eerden doer der goeten aldaer te leyden. De transportanten beloofden de verkrijgers daarvan schadeloos te houden. Dit gold ook met betrekking tot de erkenningen en beloften die Hendrik en zijn vrouw hadden gedaan aan Willem van Achel (Achter het Wild Varken 9) over een muur en de dakdrup van de bebouwing.1 Het lijkt er dus op dat Hendrik van Deventer op zijn minst verbouwd heeft, maar mogelijk ook nieuwbouw gepleegd.

Bezitters:

Dirk Meusz.
??
Hendrik Steenwech, zn. w. Gerit Monic
??
_______________
1.R 1288, f 137v-138: Goeswinus de Brecht, Hermannus de Daventria, filius Gerardi de Daventria, filius quondam Hermanni Henrix soen, et magister Henricus die Bye tamquam executores testamenti et ultime voluntatis quondam Henrici de Daventria et quondam Katherine sue uxoris, conjugum dum vixerant et eo nomine, tamquam potentes ad infrascripta ut dicebant, domum et aream quondam Theoderici dicti Meeussoen cum suis attinentiis eiusdem domus singulis et universis, sitam in Buscoducis inter hereditatem quondam Henrici dicti de Aken et inter hereditatem quondam Gerardi de Derenthere, et que domus et area dehinc sita fuerat inter hereditatem heredum quondam Henrici Dicbier, filii Godefridi, ex uno et inter hereditatem olim Petri de Hynen, dehinc Arnoldi Stamelart institoris ex alio, quas domum et aream cum suis attinentiis Henricus filius quondam Hermanni de Daventria Henricxsen erga Gerardum filium quondam Willelmum filium quondam Iacobi dicti de Wyck institoris, Katherina eius sororem, Everardum filium Everardi Colen tamquam maritum et tutorem legitimum Beatricis sue uxoris, filie dicti quondam Willelmi, et Ghysbertum vanden Schaut tamquam maritum et tutorem legitimum Katherine sue uxoris, filie quondam Goeswini Peteren, relicte quondam Iacobi filii dicti quondam Willelmi de Wyck, ac eandem Katherinam eius uxoris acquisierat, prout in litteris, et que domus et area cum omnibus et singulis suis luribus et attinentiis pronunc sita sunt ibidem inter hereditatem Willelmi de Achelen ex uno et inter hereditatem Cristine relicte quondam Coenrardi Keymp ex alio, ut dicebant, hereditarie supportaverunt Anthonio necnon Heilwigi et Cornelie suis sororibus, liberis quondam Rutgeri Belarts --- hoc tamen salvo quod dicti Anthonius, Heilwigis et Cornelia huiusmodi actionem quam Cristina relicta quondam Coenrardi Keymp et Aleidis eius filia ac eorum heredes quo ad portam per dictos quondam Henricum et Katherinam conjuges dum vixerant seu alterum eorundem ibidem prope communem plateam positam et quo ad ducendum suas aquas ad terram, dictam vulgariter ter eerden doer der goeten aldaer te leyden, postmodum pretendere possunt seu monere aut posset eorum alter quo ad defensionem eorum iuris suis expensis et absque expensis dicti executionis defendent et portabunt ac defendere et portare tenenbuntur absque dolo, huiusmodi etiam recognitionibus et promissionibus ymmo etiam condicionibus per et inter dictos executores nomine executionis dicti testamenti necnon ex parte futurorum proprietariorum pro tempore dictarum domus et aree ac suarum attinentiarum ex una et inter Willelmum de Achelen ex altera partibus de et super certis edificiis olim dictorum quondam Henrici de Daventria et quondam Katherine sue uxoris ac de quodam muro ibidem subtus stante necnon de quodam stillicidio dictorum die oesene dictorum edificiorum factis, initis et promissis iuxta continentiam litterarum scabinalium de Buscoducis desuper confectarum et hincinde desuper recognitarum, de dato vero xxviiia die mensis aprilis, feria tercia post dominicam qua cantatur Misericordia anno Domini millesimo quingentesimo decimoseptimo.
Laatstgenoemde akte ald. R 1288, f 136-137v.
11

Willem Jacobsz. van Wijk marskramer
zijn erfgenamen 1486?
Hendrik Herman Hendriksz. van Deventer
zijn kinderen 1517.04.29
kinderen Rutger Beelaerts Anthonisz.

Perceel A (Achter het Wild Varken 5)

Op 3 juli 1346 droeg Lodewijk zoon van wijlen Albert van Bussel zijn recht op 20 schellingen cijns en op het huis en erf van Meus Dirksz. over aan genoemde Meus Dirksz. Er was sprake van een huis en erf naast het huis van Frank Herinc.1 Dit goed erfden Steven Stevensz. Hake en zijn broer Meus van hun grootvader Meus Dirksz., waarna het bij erfdeling aan Steven Stevensz. toeviel. Deze transporteerde het op 7 maart 1391 met de genoemde 20 schellingen aan Wouter Coptiten. Het werd toen gesitueerd bij het huis van wijlen Gerit van Derenteren. Aart en Hendrik natuurlijke kinderen van Dirk Meus Dirksz. deden bij die gelegenheid afstand van hun recht.2
Op 5 maart 1430 verklaarde Jan van Beerze als procurator van de Tafel van de Heilige Geest dat hij voldaan was in de zaak die Gosen Moedel met de Tafel had betreffende de koop van een erf van wijlen Wouter Coptiten, te weten van de belofte waarin Gosen gezegd had het betreffende erf te hebben verworven. Het erf werd
_______________
1.GAHt, H. Geest 289: Ludovicus filius quondam Alberti de Buscel totum ius ipsi Ludovico predicto competens in viginti solidis annui et hereditarii census, quos idem Ludovicus predictus habuit seu habere debuit in domo et area Bartholomei filii Theoderici, sita in Buschoducis ad vicum tendentem de vico Vuchtensi prope portam ludeorum versus mansionem Engberti dicti Ludinc de Aggere, contigue iuxta hereditatem Franconis dicti Herinc, simul cum toto reliquo iure eidem Ludovico prenominato quoquo modo competente in domo et area antedicta, ut ipse asserebat, prefato Bartholomeo simpliciter et hereditarie supportavit atque effestucando modo in talibus consueto resignavit, promittens prefatus Ludovicus ut debitor principalis super se et bona sua supportationem et resignationem huiusmodi ratas et firmas sine quacumque contradictione perpetuo observare. Testes interfuerunt scabini in Buschoducis Arnoldus Ysebout et Henricus de Aggere. Datum feria secunda post diem beatorum Petri et Pauli apostolorum anno Domini Mmo CCCmo quadragesimosexto.
2.R 1179, blz. 222: Stephanus filius quondam Stephani dicti Hake domum et aream sitam in Buscoducis in vico tendente de vico Vuchtensi versus mansionem Ludingi de Aggere iuxta domum et aream quondam Gerardi de Derentheren, quam domum et aream primodictam Bartholomeus quondam filius Theoderici, avus olim predicti Stephani, erga Antonium de Cathena acquisierat, prout in litteris, atque xx solidos hereditarii census, solvendos hereditarie se primodicta domo et area, quos xx soildos dictus quondam Bartholomeus erga Ludovicum fifium quondam Alberti de Buscel acquisierat, prout in litteris, et quos domum et aream predictam et xx soildos sibi de morte dicti Bartholomei sui avi ... esse dicebat et sibi et Bartholomeo suo quondam fratri mediante divisione hereditaria erga suos in hoc coheredes cesserunt in partem, prout in litteris quos vidimus, vendidit Waltero Coptiten, supportavit ---. Quo facto Arnoldus et Henricus pueri naturales quondam Theoderici filii quondam dicti Bartholomei filii Theoderici super premissis domo et area et censu et super iure ad opus dicti emptoris renunciaverunt ---. Datum tercia post Letare.
Goeswinus Moedel, filius Bertoldi Dircs soen, prebuit et reportavit. Testes, datum supra.
Et fiet instrumentum super eadem. Actum in camera presentibus ... Willelmo filio Arnoldi Tielkini, Iohanne de Neynsel, Arnoldo Berwout. Datum anno nonagesimoprimo mensis marcii die septima hora vesperarum.

Volgen twee betalingsbeloften.
Et fiet vidimus de littera ... incipiente 'Theodericus filius quondam Bertholomei filii Theoderici et Stephanus filius Stephani Hake promiserunt tradere Woltero Coptiten' ut in forma.
12

gesitueerd tussen erf van Gerit Steenwech en erf van Aart van Bladel (zie hierna).1 In hetzelfde jaar, op 5 september gaf Jan van Beerze in zijn genoemde kwaliteit het complex in erfelijke cijns aan Peter van Hijnen Dirksz. voor n oude groot hertogcijns en 8 pond aan de Tafel van de Heilige Geest.2
In 1442 was Peter Dirksz. van Hijnen in het bezit van:
  • erf van wijlen Wouter Coptiten tussen erf van Gerit Hendriksz. Steenwech en erf van Aart van Bladel (is zuidelijk deel van perceel B) (verkregen van de Tafel van de Heilige Geest);
  • stukje erf achter erf van Klaas Tolinc tussen erf van Peter en erf van verschillende personen (verkregen van Staas Tolinc);
  • stukje erf genomen van erf van Jan Brink tussen erf van Jan Voet mesmaker en erf van Egbert Hendrik van Slaapbroek riemmaker en erf van Aart van Bladel (verkregen van Jan Brink).
Op 11 oktober van genoemd jaar droeg Peter dit complex over aan Aart Stamelart kramer, zoon van wijlen Hendrik Stamelart. Voor de gegevens uit later tijd zie Van Sasse van Ysselt, aangehaald werk II, 135 en volgende, voor de oudere 'Archiefonderzoek naar de middeleeuwse bebouwing Achter het Verguld Harnas 9-15 en Achter het Wild Varken 1-3', 2-4.

Bezitters:

Antoon van 'Cathena'
Meus Dirksz.
zijn kleinzoons Steven en Meus Stevensz. Hake 1391.03.07
Wouter Coptiten
Gozewijn Moedel van der Donk?
Tafel van de Heilige Geest 1430.09.25
Peter Dirksz. van Hijnen 1442.10.11
Aart Hendriksz. Stamelart vermaakt bij testament d.d. 1468.12.06
zijn zuster Aleid x Gijsbert Kemp in vruchtgebruik en ten erfrechte
hun zoon Koenraad
zijn dochter Aleid bij testament d.d. 1522.07.13
Beel dr. van Jan Kemp x Evert van de Water
hun zoon Koenraad
(1573) Jan zoon Evert van de Water
_______________
1.R 1201, f 31-31v: Goeswinus Moedel vander Donck hereditarie vendidit mihi ad opus mense sancte Spiritus in Buscoducis hereditarium pactionem unius modii siliginis uit goed in Oss ad locum dictum die Catwijck ---. Testes Loden et Erp. Datum xxx ianuarii.
Notum sit universis quod cum ita actum esset, constitutus igitur coram scabinis infrascriptis Iohannes de Beerze tamquam procurator mense sancti Spiritus in Buscoducis cum consensu provisorum eiusdem mense palam recognovit dictam? mensam? satisfactam esse per Goeswinum Moedel predictum ab omni impetitione et causa quas eadem mensa habere poterit in et contra dictum Goeswinum Moedel predictum occasione emptionis seu comparationis hereditatis cuiusdam olim Wolteri Coptiten, site in Buscoducis ad locum dictum Zile inter hereditatem Gerardi Steenwech ex uno et inter hereditatem Arnoldi de Bladel ex alio, scilicet illius promissionis? qua idem Goeswinus Moedel dictam hereditatem inantea comparasse dicebatur, ut dicebat, promittens sub obligatione omnium bonorum dicte mense mihi ad opus eiusdem Goeswini ratum servare et omnes obligationem et impetitionem ex parte dicte mense deponere. Testes Loden et Balyart, quinta marcii, 2a post Oculi.

2.Zie het verslag Archiefonderzoek naar de middeleeuwse bebouwing Achter het Verguld Harnas 9-15 en Achter het Wild Varken 1-3, 2-3. Achter het Wild Varken 5 daar moet zijn: 7. De daar genoemde bezitter Hendrik van Uden de jonge is niet te plaatsen in de andere gegevens.
13

Evert van de Water
zijn dochter Geertruid x Gielis Jacobsz. van Hedel
hun dochter Maria x Jan Jansz. van der Sluys 1611.09.16
Remacle Roberti 1614.07.30
Michiel Benoit
zijn erfgenamen 1627.11.21
Dirk van de Water

Perceel B (Achter het Wild Varken 3)

De gang van zaken rond perceel B is zo gecompliceerd dat het bij gebrek aan gedetailleerde plattegronden onmogelijk is om er een duidelijk beeld van te krijgen. Zoals al zeer uitvoerig in het verslag van 1998 is behandeld,1 betrof het hier tot 1437 twee percelen. In 1421 verwierf Aart van Bladel het noordelijke (B2) en in 1426 het zuidelijke B1. Toen hij deze op 9 februari 1437 transporteerde aan Staas Toelinc, bleken de percelen samengevoegd te zijn tot n, dat gesitueerd werd tussen erf van Peter van Hijnen (A) en erf van Hendrikske van Dinther (C) en dat van Staas Toelinc, dat deze op dezelfde dag verworven had, aan de andere kant. Het ging hierbij om:
  • (Bi) een huisplaats tussen erf van Aart van Bladel (B2) en erf van Wouter Coptiten (A), strekkend van de Straat tot erf van Heilwig Crummen. Aart van Bladel had dit voor 7 pond in cijns verkregen van Hendrik Kroec, zoon van wijlen Hendrik Wij nbroet;
  • (B2) huis en erf van Roelof zoon van wijlen Klaas Wijs tussen erf van Jan Egens (C) en erf van Frank Herinc (B1) met een cijns van 6 pond. Aart van Bladel had dit verkregen van het Groot Ziekengasthuis.
Het andere erf, dat Staas Toelinc dezelfde dag van Aart van Bladel verkreeg, betrof een huis en erf in de Vughterstraat. Waarschijnlijk diende dit mede tot een extra toegang van het achterterrein.
Enkele dagen later, op 18 februari 1437, transporteerde Staas Toelinc een stukje achtergelegen erf aan Peter van Hijnen, met de helft van een stenen muur en stenen put tussen dat stukje erf en het overige erf van Staas. Beiden mochten zij op die muur bouwen en zouden muur en but op gezamenlijke kosten onderhouden. Hetzelfde gold voor een andere muur, stenen gevel, geheten, tussen de erven van Peter en Staas.2
Op 2 november 1446 transporteerde Staas op zekere voorwaarden een klein deel aan de zuidkant - aan de straat 14 voet (ruim 4 m) en achter 16 voet (4,74 m) breed - aan Gosen Jansz. van Acht, die het op 31 juli 1465 - gesproken werd toen van de huisplaats van een kamer - overdroeg aan Jan Jansz. Kemp.3 Men zou dit een nieuw perceel B1 kunnen noemen.
_______________
1.Ald. 4-9.
2.R 1207, f 159v. Zie het verslag van 1998, 6-7.
3.R 1234, f 105v: Goeswinus dictus van Acht, filius quondam Iohannis, relictus legitimus quondam Hillegundis sue uxoris, filie quondam Rodolphi dicti vanden Broeck, potens ad infrascripta vigore testamenti aut ultime voluntatis dicti quondam Hilegundis, domistadium cuiusdam camere olim quondam Eustacii Toelinc, depost dictorum Goeswini et quondam Hilegundis, situm in Buscoducis ad vicum dictum die Zijle inter hereditatem Arnoldi Stamelart, filii Henrici, ex uno et inter hereditatem Iohannis dicti Keymp, filii quondam Iohannis, ex alio et uno fine, tendens cum alio fine ad dictum vicum die Zijle vocatum, ut dicebat, hereditarie supportavit dicto Iohanni Keymp.
14

Vr 21 februari 1450 droeg Staas Tolinc het resterende deel - waarschijnlijk nog het oude perceel B2 - over aan Klaas Ooievaar, die het op 29 februari 1452 transporteerde aan Jan Kemp, zoon van wijlen Jan Kemp. Er werd in de akte een uitzondering gemaakt voor onder meer de kamer en het stukje erf, die Staas Tolinc op 2 november 1446 had overgedragen aan Gosen Jansz. van Acht.1 Gosen droeg dit nieuwe goed B2 op 31 juli 1465 over aan Jan Jansz. Kemp. Hiermee werd het complex C van Jan Kemp ten zuiden van de woontoren uitgebreid met het hele nieuwe perceel B, dat iets smaller was dan het oude.

Bezitters B1:

Jacob van der Meer (1399.02.20; 1400.11.26; 1415.02.27)
Frank Gosen Herinc van Dijk
zijn zoon Gosen
Hendrik Croeck, zn. Hendrik Wijnbroet 1426.03.05
Aart van Bladel vleeshouwer 1437.02.09
Staas Toelinc

Bezitters B2:

Klaas de Wijs van Grave
zijn zoon Roelof
zijn erfgenamen
(1399.02.20; 1400.11.26; 141 5.02.27)
Groot Ziekengasthuis 1421.11.17
Aart van Bladel vleeshouwer 1437.02.09
Staas Toelinc

Bezitters stukje erf achter B1:

Staas Toelinc 1437.02.18
Peter van Hijnen

Bezitters nieuw B1:

_______________
1.R 1222, f 163: Notum sit universis quod cum Eustacius Tolinc quoddam domistadium situm in Buscoducis ad locum dictum opten Zijle inter hereditatem Arnoldi de Bladel ex uno et inter hereditatem olim Wolteri Coptiten ex alio, tendens a communi vico ad hereditatem Heilwigis dicte Crommen, atque domum et aream Rodolphi filii quondam Nycolai Wyse sitam in Buscoducis iuxta locum dictum Zijl inter hereditatem Iohannis Egens soen ex uno et inter hereditatem heredum quondam Franconis Herinc ex alio, erga Arnoldum de Bladel acquisivisset; et deinde dictus Eustacius dictas hereditates, demptis de premissis quadam camera cum suo fundo et quadam particula hereditatis retro dictam cameram situata iuxta dictam hereditatem dicti quondam Wolteri Coptiten et dempto iure utendi quadam cloaca iuxta iamdictam particulam hereditatis consistente, quas cameram et particulam hereditatis cum iure utendi dicta cloaca Goesuinus filius Iohannis van Acht erga dictum Eustacium dudum acquisierat, et exceptis atque salvis omnibus et singulis condicionibus inter dictum Eustacium et dictum Goesuinum hincinde factis et ordinationibus et eisdem in suis vigoribus premansuris, et excepta quadam particula hereditatis, sumpta de primodictis hereditatibus, que particula hereditatis iamdicta sita est in fine dictarum hereditatum iuxta hereditatem dicte quondam Heilwigis Crommen, quam particulam hereditatis iamdictam Petrus de Hijnen olim erga dictum Eustacium acquisierat, et exceptis atque salvis hulusmodi condicionibus et questionibus inter dictos Eustacium et Petrum hinc inde factis et ordinatis iuxta continentiam litterarum desuper confectarum et eisdem in suis vigoribus permansuris, legitime et hereditarie supportasset Nycolao dicto Oedevair, prout in litteris, constitutus igitur coram scabinis infrascriptis dictus Nycolaus premissa, sibi ut prefertur a dicto Eustacio supportata, hereditarie supportavit Iohanni Keymp, filio quondam Iohannis Keymp.
15

Staas Toelinc 1446.11.02
Gosen Jan van Acht 1465.07.31
Jan Jansz. Kemp

Bezitters nieuw B2:

Staas Toelinc 1450.02.21?
Klaas Oedevaer 1452.02.29
Jan Jansz. Kemp

dr. M.W.J. De Bruijn, Utrecht augustus 2010
16