Intern verslag 139


Archiefonderzoek Stoofstraat

Inleiding

Het archiefonderzoek naar de bebouwingsgeschiedenis van de noordzijde van de Stoofstraat in het kader van de archeologische opgravingen is uitermate lastig gebleken. Het gebruikelijke probleem van de gebrekkige indicering van de bronnen1 werd hier nog door twee omstandigheden versterkt. In de eerste plaats ontbreekt in het hertogelijk cijnsregister dat werd bijgehouden tussen 1573 en 1640 een deel van het westelijk stadsgebied, waaronder ook de gegevens betreffende de Stoofstraat. Hierdoor was de verbinding tussen de zeventiende- en achttiende-eeuwse gegevens met de midddeleeuwse nagenoeg onmogelijk. En tot overmaat van ramp werd de Stoofstraat in de middeleeuwse gegevens niet eenduidig vermeld. Om te beginnen werd het hele gebied van Postelstraat, Stoofstraat, Snellestraat, Kruisstraat en Minderbroedersstraat wel zonder nadere specificatie aangeduid als ‘achter de minderbroeders’. Hiernaast werden andere aanduidingen gebruikt, bijvoorbeeld de benaming Zijl, waarmee naast de Snellestraat en Achter het Verguld Harnas ook de Stoofstraat werd bedoeld. De Stoofstraat werd ook wel ‘de straat van de Zijl naar het huis van Postel’ genoemd. Hiernaast kwamen voor de Stoofstraat de benamingen Land van (Oud-)Heusden, Oudheusdenstraatje, Koffermakersstraat, Slotenmakersstraat en – zowaar – sinds het midden van de vijftiende eeuw ook Stoofstraat voor. Vanwege deze verwarring zijn de fiches betreffende de Stoofstraat in de index van Smulders/Spierings op het middeleeuws schepenprotocol over vele laden verspreid geraakt, in ieder geval in de laden met fiches van de Postelstraat, Kruisstraat, Snellestraat, Zijl, Stoofstraat, Minderbroedersstraat en Klein Begijnhof, maar vermoedelijk ook nog in andere. Ik ben er zeker niet in geslaagd alle fiches betreffende de Stoofstraat op te sporen. Wel heb ik ze na identificatie zo veel mogelijk in de juiste lade ondergebracht.
Een ‘ontdekking’ was dat het verpondingsregister dat in de inventaris op het jaar 1654 staat2 in werkelijkheid veel jonger is. Het dateert in ieder geval van na 1674, uit welk jaar een borderel van een cijnsregister bewaard is gebleven.3 Vooralsnog is het verpondingsregister in kwestie te dateren op het vierde kwart van de zeventiende eeuw, hierna aangeduid als XVIId.
Net als het rapport betreffende het Klein Begijnhof begint dit verslag met wat de zeventiende- en achttiende-eeuwse gegevens hebben opgeleverd. Pas daarna komen de middeleeuwse gegevens aan de orde. In beide delen wordt begonnen met de huizen ten zuiden van Snellestraat 18 – De Vergulde Klosbeugel, behandeld in het zojuist genoemd verslag over het Klein Begijnhof – en vervolgens wordt in de richting van de wijzers van de klok de bebouwing behandeld aan de westkant van de Snellestraat, de noordzijde van de Stoofstraat tot aan de hoek van de Postelstraat.

De naam Stoofstraat

Eerst nog iets over de benaming Stoofstraat. Deze is ontleend aan de hier minstens sinds het midden van de vijftiende eeuw aanwezige stoof. Stoof is een algemene benaming voor een verwarmd vertrek en hiervan afgeleid van een vertrek om zich te baden. Er bestonden stoven als liefdadige instelling,4
1.Zie de andere onderzoeksverslagen.
2.Algemeen Rijksarchief ’s-Gravenhage [ARA], Archief Raad van State 2135.
3.Rijksarchief in Noord-Brabant [RANB], Archief Raad en rentmeester-generaal 281 (cijnsregister 1674-1690).
4.In Utrecht ontving de stad op 17 april 1366 van de Utrechtse burger Peter uten Leend ten behoeve van de Sint-Agathakapel in de Korte Nieuwstraat op 17 april 1366 jaarlijkse renten van samen 32 pond per jaar met de bedoeling dat men van den steenhuse datter voerseyder capellen toebehoert ende after ’t choer gelegen is oestwaerts maken sel ene warme stove die des wijnters beyde dach ende nacht altoes binnen warm sel wesen, arme luden so wie des begheert ende die des van armoeden te doen heeft des dages in te wesen ende hoer gemac in te hebben ende des nachts in te slapen (Het Utrechts Archief, Stadsarchief I, nr. 33, f. 12v.-13). Bijna zesenhalve eeuw later zijn dergelijke openbare opvangmogelijkheden in Nederland nog steeds bitter noodzakelijk!
2

maar ook particuliere. De laatste fungeerden soms ook als bordeel. Of dit hier het geval was, is niet duidelijk, in ieder geval ging het om een particuliere onderneming. De benaming stoof komt voor het eerst voor in de straatnaam, er is sprake van een goed ‘in de straat geheten de Stoofstraat’ (in vico dicto die Stoefstraet) op 3 oktober 1454.1 Tien jaar later is er sprake van het erf of stoof (hereditatem seu stuyffam) van Geertruid Sweders. Geertruid was in 1461 in het bezit gekomen van een hierna te behandelen perceel (waarschijnlijk Stoofstraat 5).2

De gegevens uit de zeventiende en achttiende eeuw

Snellestraat 16 (H154 noordelijk deel)

Ten zuiden van De Vergulde Klosbeugel – Snellestraat 18, behandeld in het verslag over het Klein Begijnhof – stond een huis dat in 1635 in het bezit was van Aart Wernaartsz. van Berlicum. Deze had het op 3 februari 1633 verkregen van Flips Hendriksz. van der Last als man van Heilke dochter van wijlen Boudewijn Petersz. van Zandvoort.3
Op 28 december 1660 droeg de weduwe van Aart Wernaartsz., Jenneke Willemse, haar vruchtgebruik in het goed over aan haar dochter en deze vervolgens het goed zelf aan Cornelis Klaasz. van Geel. De grondcijns zou ongeveer 2 stuivers bedragen.4 In het cijnsregister van 1674 staat Cornelis van Geel te boek voor 3 stuivers.5 Hierna komen we dit goed niet meer afzonderlijk tegen. Op een onbekend tijdstip zal het in het bezit gekomen zijn van de bezitter van het hierna te behandelen huis De Rode Haan, waarmee het een geheel is gaan vormen, Antonis van der Meulen. In het verpondingsregister uit het vierde kwart van de zeventiende eeuw – zie hiervóór – staat het op naam van J(oh)an van Kessel, die gehuwd was met Johanna van der Meulen.6 Waarschijnlijk grensden de percelen van dit huis en De Rode Haan aan de achterzijde aan elkaar. In ieder geval wordt in 1711 van het aangrenzende, hierna te behandelen perceel gezegd dat het aan beide zijden grensde aan het huis De Rode Haan.7 In een taxatie van 26 februari 1733 van de goederen van wijlen Johanna van der Meulen, gehuwd met J(oh)an van Kessel, werd het huis omschreven als eene
1.Gemeentearchief ’s-Hertogenbosch [GAHt], Archief Groot Ziekengasthuis 1880; R. (Rechterlijk archief; Bosch’ schepenprotocol) 1225, f. 144. Tenzij anders vermeld, zijn alle archiefbronnen aanwezig in het stadsarchief van ’s-Hertogenbosch.
2.R. 1231, f. 91v. (17 maart 1461).
3.Naar deze transportakte is verwezen in de hierna volgende akte van 28 december 1660. Zij werd evenwel niet aangetroffen in R. 1510, 1545, 1547 en 1553.
4.R. 1616, f. 23v.-24v.: Jenneken Willemse, naergelate weduwe van wylen Aert Wernards van Barlekom, inwoondersse deser stadt, cum tutore, de tochte haer als lanxtlevende competerende in eene huysinge, coochuysken en plaetse, gestaen ende gelegen binnen dese stadt achter de minderbroeders tussen seeckere huys ende erve genoemt Den Closbeugel ex uno ende seeckere andere huysinge toebehorende Anthony van Doren ex alio, streckende voor vande gemeyne straet tot aen Spyckersgasthuys, heeft hy mits desen wittelic opgedragen, gecedeert ende overgegeven my ter behoeff van Maria haere dochtere by den voorschreven Aert Wernaerts verweckt ---. Datum den XXVIIIen octobris 1660.
 Want dit aldus geschiet is als voorschreven staet, soo is gestaen voor schepenen ondergeschreven de voorschreven Jenneken Willemse als moeder vande voorschreven Maria haere dochtere --- (f. 24) --- cum tutore de voorschreven huysinge, coochuysken en plaetse, so ende gelyc de voorschreven Aert Wernaerts van Barlekom die by opdrachte vercregen heeft tegens Phlips Henrixe vander Last als wettich man ende momboir van Heylken syne huysvrouwe, dochtere wylen Boudewyns Peterse van Santvoirt, in litteris wesende vander date den IIIen february anno XVIC XXXIII, heeft hy mits desen wettelic ende erfflic opgedragen ende overgegeven Cornelis Claese van Geel ---, uutgenomen den grontchyns tot ontrent twe stuyvers bedragende; item eenen chyns van twelff gulden, nu betaelt wordende met tien gulden s’jaers, te los met twehondert gulden, aen t’gasthuys te Boxtel, daer toe te vergelden staende.
5.RANB, Raad en rentmeester-generaal 281, f. 32v.
6.ARA ’s-Gravenhage, Raad van State 2135.
7.R. 1698, f. 158-159v.: huys, erve, plaatze met ap- ende dependentie, gelegen binnen dese stad inde Snelstraat tusschen huys ende erve Den Rooden Haen ex utroque, genaamt Den Rooden Rock. Zie ook hierna.
3

huijsinge in de Snelstraat, staande naast de huijsing genaamt Den Klosbeugel. Het huis werd getaxeerd op 500 gulden.1 Hierna is dit huis in bezit gekomen van Theodorus Prince als erfgenaam van Johan van Kessel en waarschijnlijk samengevoegd met hier hiernavolgende huis.

Overzicht bezitters

Heilke dochter Boudewijn Petersz. van Zandvoort, geh. met Flips Hendriksz. van der Last, 1633.02.03 >
Aart Wernaartsz. van Berlicum (1635)
zijn weduwe Jenneke Willemse vruchtgebruik 1660.12.28 >
Cornelis Klaasz. van Geel
Antonis Aartsz. van der Meulen?
Johan van Kessel, gehuwd met Johanna van der Meulen (zie het volgende huis)

Snellestraat 14 (De Rode Rok; H154 zuidelijk deel)

Eimbert zoon van wijlen Eimbert Eimbertsz. als man van Aleid dochter van wijlen Jan zoon van wijlen Willem van Mameren smid alias de Luikenaar en de voogden van Hubert, Mathijs, Willem en Hendrik, zonen van wijlen Jan Willemsz. droegen vijf zesde delen in een huis, erf en leeg erf geheten een ledige plaetsken achter de minderbroeders tussen erf van Herman Dirksz. en erf van Hendrik Hollen over aan hun broer Jan Jan Willemsz. van Mameren. Vervolgens droeg deze dit goed over aan Jacob zoon van Cornelis Jansz. busmaker en diens weduwe, Corneliske Lambert Dirks van Eyck, op zijn beurt op 19 juni 1591 aan Jan zoon van wijlen Klaas Jansz. van Valkenburg.2
Op 24 april 1635 transporteerde Jan zoon van wijlen Klaas Jansz. van Valkenburg slotenmaker als weduwnaar van zijn eerste vrouw, Christina Jansdr. van Veghel, het vruchtgebruik in dit goed aan hun beider kinderen Leonard, Andries, Lambert, Jan en Nicolaaske. De kinderen droegen het goed zelf vervolgens over aan Gerard Lambert Jansz. van Beugen.3 Diens weduwe, Aalke Petersdr. Coolen, transporteerde het op 17 januari 1639 krachtens het testament van haar man aan Pauwels Antonisz. van Woutvucht.4 Op 26 november 1641 ‘verkocht’ Pauwels een cijns uit het huis, dat toen omschreven werd als huijs, erve, ledige plaetse, camere, coeckhuijs ende achterhuijs, gemeijnlick genoempt Int Rocsken?, gestaen ende gelegen binnen dese stadt achter de minderbroeders tussen
1.R. 1903, f. 267-267v.
2.R. 1407, f. 102: Notum sit universis quod cum Eimbertus filius quondam Eimberti Eimbertssen tanquam maritus et tutor legittimus Aleijdis sue uxoris, filie quondam Iohnnis filii quondam Willelmi de Mameren fabri alias de Luyckenaer, Christianus filius quondam Willelmi Lucassen, Franciscus Hermanssen cultellifex et Walterus Houbraken carpentator tanquam executores et manburni Huberti et Mathie, liberorum impuberum dicti quondam Ioannis Willemssen, et dictus Eimbertus Eimbertssen, Cornelius Aerntssen sceymaker et Arnoldus de Horssen? tanquam tutores et mamburni Willelmi filii impuberis dicti quondam Ioannis Willemssen, et Hermannus Gerits tanquam tutores et manburni Henrici filii impuberis antedicti quondam Iohannis Willemssen per scabinos opidi de Buscoducis respective constituti et ordinati, iisque nominibus potentes vigore potestatis ipsis in certis litteris eorundem scabinorum date et concesse, quinque sextas partes ad dictos Eimbertum et liberos impuberes respective spectantes in domo, area ac vacua hereditate dicta een ledige plaetsken, sitis in Buscoducis retro conventum fratrum minorum, ibidem inter hereditatem Hermanni Diricxssen des mesmakers ex uno et inter hereditatem Henrici Hollen ex alio, hereditarie supportasset Iohanni filio dicti quondam Iohannis Willemss. de Mameren alias de Luyckenaer; cumque deinde dictus Iohannes filius dicti quondam Iohannis Willemssen alias de Luyckenaer dictas domum, aream et vacuam hereditatem hereditarie supportasset Iacobo filio quondam Cornelii Ioannis busschmaker, prout in litteris, constituta igitur coram scabinis infrascriptis Cornelia filia quondam Lamberti Diricx van Eyck relictaque legitima dicti quondam Iacobi filii quondam Cornelii Iohannis busschmaker tanquam potens ad infrascripta vigore testamenti sue ultime et extreme voluntatis dictorum quondam Iacobi et Cornelie per ipsos pariter condite ac vigore potestatis ipsi! Cornelie tanquam diutius in humanis viventis (ut apparebat) date et concesse, dictas domum, aream et vacuam hereditatem legittime et hereditarie supportavit Iohanni filio quondam Nicolai Janssen de Valckenborch.
3.R. 1512, f. 139v.-141v.
4.R. 1596, f. 217-218v.
4

huijs ende erve Aerts Anthonissen vander Meulen ex uno ende tussen huijs ende erve Aerts Wernaerts van Berlikem ex alio, streckende voor vande gemeijn straet achterwaerts tot aen erve Laureyns de Louger? busmaecker.1 Zoals we zullen zien, was deze laatste waarschijnlijk bezitter van Stoofstraat 3.
Op 17 maart 1659 transporteerde de voogd van de kinderen van Pauwels Antonisz. van Woutvucht smid en Aaltje Michiel Wauts (?) aan Antonis van Doren metselaar een huys, erve, ledige plaetse, met synen rechten ende toebehoorten, gestaen ende gelegen binnen dese stadt achter den convente van de minnebroeders tussen het hoechuys van Antonis Aertsz. vander Meulen ex uno ende tussen erve van Jenneken weduwe Aerts Wernaerts van Berlikum ex alio, streckende vande gemeyne straet op erve Gerarts vander Lith ingebieder.2
In het verpondingsregister uit het vierde kwart van de zeventiende eeuw staat dit huis op naam van Anneke Hoirkens;3 in 1711 behoorde het aan Thomas Hurkens, wellicht haar zoon. Wegens achterstallige betaling van de verponding werd het bij executie voor de som van 1345 gulden (last 40 gulden 12 stuivers 8 penningen) verkocht en op 24 september van genoemd jaar getransporteerd aan Mathijs van Kleef. Het werd gesitueerd aan beide zijden van het huis De Rode Haan.4 Mathijs van Kleef droeg zijn vruchtgebruik in het huis op 27 oktober 1738 over aan zijn zoon Adriaan,5 die het goed op 23 december 1738 transporteerde aan Johan van der Meulen. De koopsom was 700 gulden (de last de hiervóór genoemde).6
Hierna zal het huis samengevoegd zijn met het hiervóór behandelde. In 1779 is er sprake van één huijs en erve, gestaan en geleegen binnen deeze stad s’Hertogenbosch in de Snellestraat, ex uno het huijs van Mathijs Thonissen, ex alio dat van Petrus van Berkel, genaamt Den Rooden Haan, strekkende agterwaards tot aan erve van den voornoemde Van Berkel, de voornoemde opdrageren aangekomen by successie uit den boedel van wijlen hunnen vader, die het zelve bij dijlinge verkregen had uit de nalatenschap van wijlen de heer Johan van Kessel. Op 27 augustus 1779 verkochten en transporteerden de erfgenamen het nieuwe huis voor 1200 gulden – er worden geen lasten vermeld dan den grontgebuurchijns aan de domainen van Brabant, die bevonden zal worden daar uit te gaan – aan Johannes Hurdemans,7 die het op zijn beurt op 19 juni 1789 overdroeg – koopsom 2050 gulden – aan Arnoldus Verhoeven, zynde speciaal by deesen overeengekomen en bedongen dat deeze huizinge ten eeuwigen dage zal blyven belast met de servituut dat door het zelve de vrye waterloop van de huizinge genaamd De Rooden Haan en de huizinge daar achter, thands beiden toebehoorende aan Hendrik van Altena, zal blyven, en dat het privaat van voorzeide huizing achter Den Rooden Haan geveegd moet worden op de plaats deezer huizinge, zynde de plaats van den ingang van den kelder geteekend met een blaauwen steen.8 Zoals we zullen zien was het huis van Hendrik van Altena Stoofstraat 3.

Overzicht bezitters

Jan Willemsz. van Mameren smid alias de Luikenaar
zijn kinderen 5/6 >
hun broer Jan Jan Willemsz. van Mameren >
Jacob Cornelis Jansz. busmaker 1591.06.19 >
zijn weduwe Corneliske Lambert Dirksz. van Eijck 1591.06.19 >
Jan Klaas Jansz. van Valkenburg
zijn weduwe Kerstien 1635.04.24 vruchtgebruik >
hun kinderen Leonard, Andries, Lambert, Jan en Nicolaaske 1635.04.24 >
Gerard Lamberts van Beugen >
zijn weduwe Aaltje Pieters Colen 1639.01.17 >
1.R. 1560, f. 260v.-261.
2.R. 1614, f. 190-191v.
3.ARA ’s-Gravenhage, Raad van State 2135, f. 177v.
4.R. 1698, f. 158v.-159v.
5.R. 1734, f. 191-192.
6.R. 1734, f. 227.
7.R. 1760, f. 339.
8.R. 1772, f. 42-43.
5

Pauwels Antonisz. van Woutvucht smid, gehuwd met Aaltje Michiel Wauts 1659.03.17 >
Antonis van Doren metselaar
Anneke Hoirkens (Hurkens?) (XVIId)
Thomas Hurkens
de ontvanger van de verponding na inbeslagname 1711.09.24 (1345 + 40.12.8 gl.) >
Mathijs van Kleef, gehuwd met Maria Stramproij, 1738.10.27 vruchtgebruik >
Adriaan van Kleef 1738.12.23 (700 + 40 gl.) >
Johan van der Meulen
Johan van Kessel vererving >
Theorus Princen vererving >
zijn erfgenamen 1779.08.27 (1200 gl.) >
Johannes Hurdemans 1789.06.19 (2050 gl.) >
Arnoldus Verhoeven

Snellestraat 8-12 (De Rode Haan; H155)

In 1635 was het huis met De Rode in het bezit van Aart Antonis van der Meulen,1 in 16592 en 1674 van Antonis Aartsz. van der Meulen3 en in 1728 van Johan van Kessel,4 die zoals gezegd gehuwd was met Johanna van der Meulen, mogelijk een dochter van Aart. Johan van Kessel bezat in 1728 ook het hiervóór behandelde complex Snellestraat 16.
Op 9 januari 1733 transporteerde Van Kessel, koopman in laakenen, het huis De Rode Haan en de stal Stoofstraat 15, door hem verworven in 1701, voor 4500 gulden – lasten 107 gulden 3 stuivers 12 penningen – aan Johan van der Meulen en zijn vrouw Jacoba ab Angelis. Het complex in de Snellestraat werd omschreven als seekere huysinge, agterhuysinge ende stallinge staende op het hoekje vande Stoofstraet alhier, gemeenlyck genaemt Den Rooden Haen, ex uno de Stoofstraet, de andere syde de huysinge Van Cleef, streckende voor vande straet agterwaerts tegens erve sr Van Ceulen.6 Hierna is het goed – klaarblijkelijk door vererving – aan Johan van der Meulen, zijn gelijknamige neef, gekomen.7 Daarna kwam het in het bezit van Maria Catharina Aangevaren, die trouwde met de arts Petrus Josephus van Berkel. Als haar weduwnaar verkocht hij het complex, waartoe inmiddels ook het pand Snellestraat 16 behoord zal hebben,8 voor maar liefst 4500 gulden (lasten gekapitaliseerd op 38 gulden 2 stuivers en 8 penningen) aan de koopman Hendrikus van Altena.9 Op 19 september 1792 transporteerde de curator van zijn verhandlichte boedel het pand in de Snellestraat – verkocht voor de som van 2810 gulden; lasten als boven – aan Gerardus Sterk.10 Zoals we zullen
1.ARA ’s-Gravenhage, Raad van State 2134, f. 165v.: Aert Anthonis vander Meulen, Den Rooden Haen, opten anderen houck vande Stooffstraet, getaxeert op t’sestich ponden VII lb. X st. Als belending komt hij in 1641 voor in een akte betreffende het buurpand Snellestraat 10-12 (R. 1560, f. 260v.-261 (26 november 1641).
2.R. 1614, f. 190-191v.
3.RANB, Raad en rentmeester-generaal 281, f. 32v.
4.Ibidem 2135, f. 177v.: Jan van Kessel, eijgenaer, inden Lommerssen? Haen, opden anderen hoeck vande Stooffstraet, eijgenaer, getaxeert op vierentsestich ponden VIII lb.; RANB, Raad en rentmeester-generaal 282 (cijnsregister 1728), f. 227.
5.Zie hierna.
6.R. 1731, f. 99v.-100v.
7.Vgl. RANB, Raad en rentmeester-generaal 282, f. 227, betreffende het huis De Rode Haan in de Snellestraat.
8.Zie hiervóór.
9.R. 1770, f. 178-178v.: De heer Petrus Josephus van Berckel, medicinae doctor, woonende binnen deeze stad, huis en erve genaamd De Roode Haan, staande en gelegen alhier in de Snelstraat; alsmede de huizing en erve daar achter staande in de Stoofstraat, met al het geen daar in van den transportant aard- en nagelvast is, de huizinge van Hurdemans ex uno, dat van juffrouw Van Keulen ex alio, hem aangekomen uit kragte van testamente van wylen zyne eerdere huysvrouw Maria Catharina Aangevaren, ut dicebat, transportavit Hendrikus van Altena, koopman alhier.
10.R. 1773, f. 59v.: een huis en erve genaamd De Roode Haan, gequoteerd H 155, staande en gelegen alhier
6

zien werd het huis in de Stoofstraat nummer 3 op dezelfde datum getransporteerd aan Arnoldus Verhoeven, die bezitter was van de twee hiervóór behandelde huizen Snellestraat 14 en 16. Gerardus Sterk droeg het resterende deel in de Snellestraat op 21 mei 1802 voor 2680 gulden over aan Antonius Adrianus van Gulik.1

Overzicht bezitters

Aart Antonisz. van der Meulen (1635)
Antonis Aartsz. van der Meulen (1659, 1674)
Johan van Kessel, gehuwd met Johanna van der Meulen, 1733.01.09 (4500 + 107.3.12 gl.(met Stoofstraat 3 en 15)) >
Johan van der Meulen vererving (?) >
zijn gelijknamige neef vererving (?) >
Maria Catharina Aangevaren, gehuwd met Petrus Josephus van Berckel, arts 1784.04.07 (4500 + 38.2.8 gl.) >
Hendrikus van Altena
zijn boedel 1792.09.19 (2810 + 38.2.8) >
Gerardus Sterk

De percelen aan de noordzijde van de Stoofstraat

Het hoekhuis op of bij de noordhoek van de Stoofstraat met de Snellestraat (Stoofstraat 1; H94)

Uit belendingen kan worden opgemaakt dat dit huis ooit toebehoorde aan Herman Dirksz. en in 1608 aan Marieke weduwe van Goiart Peters.2 In het cijnsregister van 1635 stond het op naam van Thomas den backer, eijgenaer. Als gebruikster werd Lijntgen weduwe Toenis de messemaecker vermeld.3 In het vierde kwart van de zeventiende eeuw was het in bezit van Johan van Kessel.4 In 1728 was dit huis in handen van Paulus van Keulen, vervolgens van Johannes van Keulen en daarna bij versterf van Catharina van Keulen, de zuster van Paulus.5 Deze transporteerde het op 20 november 1767 aan Maria Margareta Driesse. De koopsom bedroeg 600 gulden. De omschrijving luidde: huys en erve binnen deese stadt in de Stoofstraat op den hoek van de Snelstraat ex uno en neffens huys en erve van de transportante ex alio, strekkende voor van de straat agterwaarts op het erve van de transportante.6 Bij gemachtigde – zij was woonachtig in Hoogstraten – droeg Margareta Driesse het huis op 16 oktober 1804 over aan de eigenaar van het aan grenzende pand, Hendrikus Josephus Kleinefeldt, die gehuwd was met Catharina van Keulen. De koopsom bedroeg 500 gulden plus een jaarlijkse lijfrente van 40 gulden en gekapitaliseerde lasten ten bedrage van 66 gulden 5 stuivers.7 Waarschijnlijk was Margareta begijn op het hof in Hoogstraten.

Overzicht bezitters

Herman Dirksz. (1602)
Marike wed. Goiart Peters (1608)
Thomas de bakker (1635)
 in de Snelstraat op den hoek van de Stoofstraat, ex uno de Stoofstraat, ex alio Arnoldus Verhoeven, strekkende voor van de Snelstraat achterwaards tegen de huizing van voorzeide Arnoldus Verhoeven.
1.R. 1792, f. 32.
2.R. 1424, f. 314-314v.
3.ARA ’s-Gravenhage, Raad van State 2134, f. 171.
4.Ibidem, 2135, f. 184v.
5.RANB, Raad en rentmeester-generaal 282, f. 226v.
6.R. 1765, f. 397.
7.R. 1792, f. 198-198v.
7

Johan van Kessel (XVIId)
Paulus van Keulen (1728)
Johannes van Keulen vererving >
Catharina van Keulen 1767.112.20 >
Maria Margareta Driesse 1804.10.16 >
Hendrikus Josephus Kleinefeldt, gehuwd met Catharina van Keulen

Stoofstraat 3 (De Gulden Kartouw; H95)

Aangezien dit complex zich niet precies in de aangegeven belendingen aan de straatzijde laat passen, acht ik het mogelijk dat het aanvankelijk om een achtergelegen huis ging. Het behoorde in de zestiende eeuw aan Liesbet Gerardsz. Qualen (?), gehuwd met Liefgart (?) van Heyst, die het had overgedragen aan Bruisten zoon van Willem Aartsz. Later behoorde het aan Simon Jansz. van de Water, wiens erfgenamen het op 31 januari 1602 overdroegen aan Herman Belten van Kerkrade. Het werd gesitueerd eertijds tussen erfenisse Nyclaes van Delft deen syde ende tussen erffenisse Herman Dierixsen dander syde en in 1602 tussen erffenisse Jan Lenarts van Bergh deen syde ende tussen erffenisse Maryken weduwe Goyart Peters dander syde, streckende vande gemeyn straet totten erve Jans Claessen.1
Herman Belten transporteerde het op 7 september 1608 aan Thomas Joost Ansems bakker,2 wiens dochter Jenneke, gehuwd met Pierre Michiel, het op 28 november 1641 overdroeg aan Pauwels Antonis van Woutvucht, de eigenaar van Snellestraat 14.3 Volgens het verpondingsregister van 1635 was het huis in laatstgenoemd jaar echter in bezit van Laurens de bussemaecker, eijgenaer en bruijcker.4 Deze wordt als Laureyns de Louger (?) busmaecker ook genoemd in een schepenakte uit 1641 betreffende Snellestraat 14-16 als begrenzing aan de achterzijde.5 Uit belendingen kan worden afgeleid dat het huis van Laurens omstreeks 1659 ook in het bezit is geweest van Gerard van Lith ingebieder.6
Hoe dit ook zij, op het eind van de zeventiende eeuw was Johan van Kessel de bezitter van dit complex,7 die het op 9 januari 1733, waarschijnlijk als achterhuis van het huis De Rode Haan – zie hiervóór –, overdroeg aan Johan van der Meulen en zijn vrouw Jacoba ab Angelis.
Dit huis was net als het huis De Rode Haan in de tweede helft van de achttiende eeuw in handen van de arts Petrus Josephus van Berkel als echtgenoot van Maria Catharina Aangevaren en werd op 7 april 1784 met dit laatstgenoemde huis overgedragen aan de koopman Hendrikus van Altena.8 Deze verkocht het onderhavige pand op 19 september afzonderlijk voor 1540 gulden aan Arnoldus Verhoeven, die we al hebben leren kennen als bezitter van het pand Snellestraat 14-16 (H154). Het werd omschreven als een huis en erve staande en gelegen alhier in de Stoofstraat, gequoteerd H 95, ex uno huis en erve van den heer Brouwer, ex alio de huizing Den Rooden Haan, strekkende voor van de straat achterwaards tot erve van den verkryger in deezen.9

Overzicht bezitters

Liefgart van Heyst, echtg. van Elisabet Gerardsdr. Qualen (?) >
Bruisten Willem Aartsz. erfdeling >
Simon van de Water >
erfgenamen 1602.01.31 >
Herman Belten van Kerkrade 1608.09.07 >
1.R. 1424, f. 314-314v.
2.R. 1451, f. 281v.
3.R. 1598, f. 76-76v.
4.ARA ’s-Gravenhage, Raad van State 2134, f. 171.
5.R. 1560, f. 260v.-261.
6.R. 1614, f. 190-191v. (17 maart 1659).
7.Ibidem, 2135, f. 184v.
8.Zie hiervóór.
9.R. 1773, f. 60.
8

Thomas Joost Ansemsz. bakker 1641.11.28 >
dochter Jenneken, geh. met Pierre Michiel 1641.11.28 >
Pauwels Antonisz. van Woutvucht.
Gerard van Lith?
Gijsbert Boons?
Johan van Kessel 1733.01.09
Johan van der Meulen en Jacoba ab Angelis vererving (?) >
zijn neef Johan van der Meulen vererving (?) >
Maria Catharina Aangevaren, gehuwd met Petrus Josephus van Berkel, 1784.04.07 >
Hendrikus van Altena 1792.09.19 (1540 gl.) >
Arnoldus Verhoeven

Stoofstraat 5 (De Vergulde Hand; H96)

Volgens aangegeven belendingen was dit complex eens in het bezit van Klaas van Delft1 en in 1596 van Joost of Jacob van Oss,2 in 1608 van Jan Lenardsz. van den Berch en in 1645 van Joost Lenardsz. van Oss, de laatste drie mogelijk verwanten van elkaar. Het verpondingsregister van 1635 noemt Joost van Oss als eigenaar en zijn zoon, een kleermaker, als gebruiker,3 Laatste kwart zeventiende eeuw was het goed van de weduwe Van den Heuvel.4 Op 8 december 1714 transporteerde de curator over de boedel van Adriaan van (den) Heuvel en zijn moeder Willemijn van Haaften, weduwe van David (van den) Heuvel, het huis aan de koopman Paulus van Keulen, die ook Stoofstraat 1 verwierf.5 Uit het huis gingen behalve de grondcijns cijnzen aan de Heilige Geest, het Groot Begijnhof en het Groot Ziekengasthuis. Het huis werd bij die gelegenheid gesitueerd tussen erf van Johan van Kessel en erf van Hendrik Mus. De koopprijs bedroeg 1135 gulden (de lasten 43 gulden 15 stuivers).6
Hierna is het huis voor de ene helft vererfd aan de zuster van Paulus, Catharina van Keulen, gehuwd met Henricus Josephus Kleijnefelt, en de andere helft aan de vader van Johannes Brouwer, daarna aan deze laatste en ten slotte aan diens weduwe, Adriana van Lokhorst. Het echtpaar Kleijnefelt-Van Keulen en Adriana van Lokhorst, als weduwe van Johannes Brouwer, transporteerden op 13 augustus 1796 de twee helften aan Hendrik van der Loo. Het goed werd omschreven als huis en erve, staande en gelegen binnen deeze stad in de Stoofstraat, gequoteert littera H no 96, d’eene zyde W. Cremers, aan d’andere zyde d’erve van A. Verhoeven, strekkende voor van den gemeene straat agterwaards tot tegens d’erve van gemelte A. Verhoeven.7

Overzicht bezitters

Klaas van Delft
Joost of Jacob van Oss (1596)
Jan Lenardsz. van den Berg (1602)
Joost Lenardsz. van Oss (1608, 1635)
Willemijn van Haaften, weduwe van David Heuvel
haar zoon Adriaan van Heuvel 1714.12.08 (1135 gulden + 43 gulden 15 stuivers gekapitaliseerde lasten) >
Paulus van Keulen vererving >
1.R. 1424, f. 314-314v.; 1451, f. 281v.
2.Jacob: R. 1434, f. 175-176v.; Joost: R. 1467, f. 281-283v.
3.ARA ’s-Gravenhage, Raad van State 2134, f. 171: Joost van Os, De Vergulde Hant, eijgenaer, sijn soon, een cleermaecker, bruijcker.
4.Ibidem, 2135, f. 184v.
5.Zie hiervóór.
6.R. 1706, f. 291v.-292: eene huijsinghe binnen dese stadt inde Stooffstraet, ex uno t’huys en erve sr Johan van Kessel, ex alio huys en erve d’heer Hendrick Mus, strekkende voor vande straet tot op erve van (niet ingevuld).
7.R. 1780, f. 174-175.
9

helft zijn zuster Catharina, gehuwd met Henricus Josephus Kleijnefelt
helft > N.N. Brouwer > Johannes Brouwer, gehuwd met Adriana van Lokhorst
Catharina van Keulen en Henricus Josephus Kleijnefelt helft 1796.08.13 >
Adriana van Lokhorst helft 1796.08.13 (1000 gulden + 43.15.0) >
Hendrik van der Loo

Stoofstraat 7-9 (De Zonnewijzer; H97)

Mathijs zoon van wijlen Mathijs van Soerendonk de horlogemaker als man van Willemke dochter van wijlen Aart Coelborner en Dirk Zebertsz. als man van Aartke dochter van wijlen Goiart Coelborner hebben dit huis op 29 april 1594 verkregen van Joris van den Berselaar krachtens schepenvonnis. De akte hiervan kon niet worden getraceerd.1
De genoemden gaven het op 31 juni 1595 ten cijns aan Jacob zoon van wijlen Mathijs van Soerendonk de horlogemaker. Bewoner was Jan Klaasz. messenmaker. Het pand werd omschreven als eertijds huis en erf in de Stoofstraat tussen erf van de erfgenamen van Joost van Oss en erf van de kinderen van Hendrik Petersz. van Oss naar de Postelstraat toe, maar in 1595 een huis, erf, leeg erf en een zekere pendula, een plaatsje? – zie hierna.2 Jacob van Soerendonk droeg het complex op 9 maart 1596 over aan Hendrik zoon van wijlen Lenard Haechmans van Valkenburg smid.3
In 1635 stond het complex op naam van de weduwe van Klaas de smid. Dit was Hendriks dochter Agnes, gehuwd met Klaas Jan Klasen slotenmaker – waarschijnlijk een zoon van de in 1595 als bewoner vermelde Jan Klaas Jansz. messenmaker, die op 19 juni 1596 eigenaar werd van Snellestraat 14 –,4 in het laatste kwart van de zeventiende eeuw op die van mr. Peter van den Lande.5 Op 18 november 1659 droegen de erfgenamen van Antonis Jacobsz. van Oss en Aalke Cornelissen van Lieshout dit complex over aan Jan Janssen Olijkom. De omschrijving luidde: eene huijsinghe, erve ende plaetsken, met henne rechten ende toebehoortten genoemt Inde Sonnewijser, gestaen ende geleghen binnen dese stadt ’s Hertogenbossche inde Stooffstraet neffen huijs ende erve van wijlen Andries Noels mesmaecker ex uno ende neffens huijs ende erve Joost Lenarts van Os ex alio, streckende vande gemeene straet achterwaerts tot aenden vrouwen gasthuijs genoemt Spijckers gasthuijs. Volgens de akte had Antonis van Oss het goed verkregen van Leonaart, Andries en Lambrecht zonen van wijlen Klaas Jan Klaasz. op 18 januari 1645.6
Hierna is het huis in het bezit gekomen van de hiervóór genoemde David (van den) Heuvel en zijn vrouw Willemijn van Haaften. Deze laatste droeg het met hun beider zoon Adriaan op 8 december 1714 over aan Johan Allard voor de som van 440 gulden (lasten 11 gulden). Belendingen
1.Niet in R. 1408, 1422, 1432 en 1466 en evenmin in de opwinningsakten R. 1821.
2.R. 1467, f. 281-283v.: Mathias filius quondam Mathie de Zoerendonck horologifex tamquam maritus et tutor legittimus ut dicebat Willelme sue uxoris, filie quondam Arnoldi Coelborner, et Theodericus Zeberts zoen tamquam maritus et tutor legittimus ut dicebat Arnolde sue uxoris, filie quondam Godefridi Coelborner, domum et aream cum suis iuribus et attinentiis, sitas in Buscoducis in platea dicta die Stoeffstraet inter hereditatem heredum quondam Iudoci de Os ex uno et inter hereditatem liberorum quondam Henrici Peters zoen de Os versus plateam dictam Postelstraet ex alio, tendentem a communi platea dicta die Stoeffstraet ad hereditatem, quas domum et aream una cum certa alia domo et area dictus Mathias filius quondam Mathie nomine utsupra ad opus sui et ad opus supradicti Theoderici Zeberts zoen nomine ut supra erga magistrum Gregorium de Bersselaer in iudicio per iudicem mediante sentencia scabinorum in Buscoducis emendo acquisierat, prout in litteris quarum data continet vicesima nona die mensis aprilis anno Domini millesimo quingentesimo nonagesimo quarto, et que domus et area pronunc ibidem site sunt et domus, area, vacua hereditas ac quadam pendula esse dinoscuntur, et in qua domo Iohannes Nycolaessen faber cultiarius pronunc inhabitat, ut dicebant, simul cum dictis literis, instrumentis et iure dederunt ad annuum et hereditarium censum Iacobo filio dicti quondam Mathie de Zoerendonck horologificis.
3.R. 1434, f. 175-176v.
4.ARA ’s-Gravenhage, Raad van State 2134, f. 171v.
5.Ibidem, 2135, f. 184v.
6.R. 1592, f. 28-28v.
10

waren Theodoor Niehoff en Paulus van Keulen en aan de achterzijde de koper.1
Op 9 april 1737 werd het huis in opdracht van de ontvanger van de geestelijke goederen openbaar verkocht. Het kwam voor 130 gulden in bezit van Willem van den Heuvel. De lasten waren echter zeer hoog: zij bedroegen 286 gulden en 5 stuivers.2
In 1751 werd het huis door de ontvanger van de verpondingen openbaar verkocht. Op 15 december werd het overgedragen aan de koper, Joseph van Oers, die er opnieuw 130 gulden voor betaalde. De last was nog hetzelfde als in 1737.3 Waarschijnlijk door vererving kwam het huis in het bezit van Cornelis van Oers, wiens erfgenamen het op 8 augustus 1780 transporteerden aan Wilhelmus Cremer (koopprijs 685 gulden plus de genoemde last)4 en diens weduwe Cornelia Hollanders op 15 oktober 1808 voor 320 gulden aan Willem Hubert sr.5

Overzicht bezitters

schepenvonnis >
mr. Joris van den Berselaar 1594.04.09 >
Mathijs Mathijsz. van Soerendonk de horlogemaker, gehuwd met Willemke dochter van Aart Coelborner, en Dirk Zebertsz., gehuwd met Aartke dochter van Gerit Coelborner, 1595.06.31 >
Jacob Mathijsz. van Soerendonk 1596.03.09 >
Hendrik Lenardsz. Haechmans van Valkenburg ijzersmid
zijn dochter Agnes x Klaas Jan Klaasz. slotenmaker
hun zonen Leonaart, Andries en Lambrecht 1645.01.18 >
Antonis Jacobs van Oss en Aalke Cornelissen van Lieshout, vererving >
erfgenamen 1659.11.18 >
Jan Janssen Olijkom
??
Willemijn van Haaften, gehuwd met David van Heuvel, vererving >
Willemijn en haar zoon Adriaan 1714.12.08 (440 gl. + 11 gl.) >
Johan Allard
ontvanger van de geestelijke goederen 1737.04.09 (130 gl. + 286 gl. 5 st.) >
Willem van den Heuvel
de ontvanger van de verponding 1751.12.15 (130 gl. + 286 gl. 5 st.) >
Joseph van Oers vererving (?) >
Cornelis van Oers
zijn erfgenamen 1780.08.08 (685 gl. + 286 gl. 5 st.) >
Wilhelmus Cremer
zijn weduwe Cornelia Hollanders 1808.10.15 (320 gl.) >
Willem Hubert sr.
1.R. 1706, f. 292v.: een huijs, erve, gestaen en gelegen inde Stooffstraet alhier, ex uno de erffgenaemen der weduwe d’heer Theodoor Niehoff, sr Paulus van Ceulen ex alio, streckende voor vande voorschreven straet tot op erve van sr. Johan Allard.
2.R. 1722, f. 356-356v.
3.R. 1741, f. 114v.-115.
4.R. 1768, f. 287v.
5.R. 1794, f. 172-172v.
11

Stoofstraat 11-13 (De Gebroken Letter (B); H98)

Een belending uit 1596 noemt de kinderen van wijlen Hendrik Petersz. van Oss als eigenaars.1 In het verpondingsregister van 1635 staat dit huis op naam van Andries van Noels soon, met als huisnaam De Gebroocken B.2 Het register van het laatste kwart van de zeventiende eeuw noemt Johan Paijmans.3 Als belending van het hierna volgende complex wordt deze ook in 1701, 1733 en 1751 vermeld,4 maar een belending van het voorgaande perceel noemt al in 1714 Theodoor Niehoff als bezitter.5
Of dit juist was, is de vraag. Later was Antonie Paijmans de eigenaar. Bij onderhandse deling van 18 oktober 1736 kwam et huis in bezit van Johan Paijmans. Na diens overlijden vererfde het aan zijn broer Gijsbertus, die het op 24 mei 1760 bij gemachtigde liet overdragen aan Joseph van Oers. De koopprijs bedroeg 380 gulden. Het huis werd gesitueerd neffens erve Joseph van Oers ex uno en neffens het coetshuijs van de heer Van der Meulen ex alio, strekkende voor van de gemeene straat agterwaarts tot op erve van N.N.6
Later kwam het goed, net als het zojuist behandelde Stoofstraat 7-9, in handen van de metselaarsbaas Cornelis van Oers, waarschijnlijk erfgenaam van Joseph van Oers. Cornelis' erfgenamen lieten het in 1780 publiek verkopen. Eigenaar werd voor 645 gulden (lasten 16 gulden 2 stuivers 8 penningen) Lambertus van Nieuwenhuysen, aan wie het op 8 augustus werd getransporteerd. Als belendingen werden hierbij genoemd huys en erve van den heere Diederick Huygens, oud scheepen en raad dezer stad, en erf dat op dezelfde dag getransporteerd werd aan Delis Smits. Achter strekte het perceel tot aan erf van Bruynincx.7 Lambertus Nieuwenhuysen droeg het complex op 18 december 1786 over aan Laurens van Beijnen voor 680 gulden (geen lasten). De omschrijving luidde toen: huijs en erve gestaan en gelegen binnen deese stad in de Stooffstraat, ex uno de heer J.A. van der Voort, ex alio (niet ingevuld) Kremer, strekkende voor van de straat agterwaarts tegen erve van de heer Bruinings, gequoteert littera H 98.8 Uit de boedel van Van Beijnen werd het huis op 3 februari 1794 (koopsom 890, waarvan de helft aan de verkrijger toekwam) overgedragen aan Adrianus Kuypers te Vlijmen.9 Zijn weduwe Johanna Heesters, liet het op 11 augustus 1817 veilen; het werd op 18 augustus toegewezen aan Antonetta Nederven, particulierw, en Willemijna Sizoo, dienstmeid, voor 486 gulden.10

Overzicht bezitters

de kinderen van wijlen Hendrik Petersz. van Oss (1596)
Andries van Noels zoon (1635; 1659)
Johan Paijmans (XVIId; 1701)
Theodoor Niehoff (1714)
Antonie Paijmans
zijn boedel, deling 1736.10.18 >
zijn broer Johan Paijmans vererving >
Gijsbertus Paijmans 1760.05.24 (380 gl.) >
Joseph van Oers vererving (?) >
Cornelis van Oers
zijn erfgenamen 1780.08.05 (645 + 16.2.8 gl.) >
1.R. 1467, f. 281-283v.
2.ARA ’s-Gravenhage, Raad van State 2134, f. 171v.
3.Ibidem, 2135, f. 185.
4.R. 1689, f. 107v.-108v. (18 mei 1701); R. 1731, f. 99v.-100v. (9 januari 1733); R. 1741, f. 114v.-115 (15 december 1751).
5.R. 1706, f. 292v. (8 december 1714).
6.R. 1752, f. 287v.-288.
7.R. 1768, f. 288.
8.R. 1792, f. 164.
9.R. 1778, f. 179.
10.Notarieel archief, 3772, nrs. 202 en 209.
12

Lambertus van den Nieuwenhuysen 1786.12.18 (680 gl.) >
Laurens van Beijnen
zijn boedel 1794.02.03 (890 gl.) >
Adrianus Kuypers
zijn weduwe Johanna Meesters 1817.08.18 >
Antonetta Nederven en Willemijna Sizoo

Stoofstraat 15 (H99)

Op 18 mei 1701 verkochten en transporteerden de kinderen van Jacques de Bolgaro en Anna Maria Dircx dit huis aan de koopman Johan van Kessel. De koopprijs bedroeg 400 gulden (gekapitaliseerde lasten 25 gulden 12 stuivers 8 penningen).1 Het goed – dat gesitueerd werd tussen het huis Het Wijngaardje van de kinderen Jacques Lammonoy en huis en erf van Paijmants, strekkend tot erf van jonker Dircx en het Spijkersgasthuis – was de kinderen, Jacquelina en Hendrina, aangekomen bij testament van jonker Engelbert Dircx, hun oom van moederszijde. Gezien de koopprijs ging het om een bescheiden huis. Een cijns werd omschreven als eenen chijns van twaelff stuijvers ende een halve aen het gilde van St Eloij, sijnde het smeden ambacht alhier. Blijkens de verpondingsregisters was het huis tevoren in bezit geweest van Jacques van Leemput (1635) en Jacolina Bulgaro (XVIId).
Op 9 januari 1733 werd het complex, nu een stalling, samen met De Rode Haan in de Snellestraat, door de gemachtigde van de lakenkoopman Johan van Kessel overgedragen aan Johan van der Meulen en zijn vrouw Jacoba ab Angelis. De stal werd gesitueerd tussen erf van Peymans en erf van Nicols.2
Hierna zal het goed door vererving in het bezit gekomen achtereenvolgens zijn gelijknamige neef Johan van der Meulen en daarna van Maria Catharina Aangevaren.3 Op 17 januari 1777 verkocht haar weduwnaar, Petrus Josephus van Berkel, medicinae doctor, deze stallinge voor het niet geringe bedrag van 525 gulden (lasten 15 gulden 12 stuivers 8 penningen) aan de oud-schepen en raad Diederik Huygens,4 die zoals we zullen zien korte tijd later het pand Postelstraat 45 zou bouwen.
1.R. 1689, f. 107v.-108v.: Joncker Andre Francoys le Delforge?, als man ende momber van vrouwe Jacquelina Bolgaro, woonende tot Cuhen? onder de jurisdictie der stadt Arihen?, lande van Artoijs, ende joncker Piat des Fontaine, als man ende momber van vrouwe Hendrina Bolgaro, woonende binnen de stadt Rijssel, beyde gesusteren ende dochteren wijlen de heer Jacques de Bolgaro, verweckt bij vrouwe Maria Anna Dircx, sijne huijsvrouwe saliger, mitsgaders de voornoemde Jacqueline Bolgaro ende Henrine Bolgaro, alhier mede present, met ende neffens de voornoemde haere respective mans, als haere gecore voogheden in desen, huys ende erve, staende binnen dese stadt s’Bosch inde Stooffstraet tusschen huys ende erve geheetten Het Wijngaertje, toebehoorende de kinderen Jacques Lammonoy, ex uno ende tusschen huys ende erve sr Paijmants ex alio, streckende voor vande gemeijne straet achterwaerts aen erve van joncker Dircx ende t’Spijckers gasthuys, in sulcker voegen ende maniere de voornoemde huyssinge ende toebehoortten aldaer gestaen ende gelegen is ende de voornoemde Henrina ende Jacquelina Bolgaro aengecomen is bij den testamentte van joncker Engelbert Dircx, haeren maternellen oom zaliger, op den 25 october 1691 voor schepenen des dorps van Vechel besloten gepasseert ende op den twaelffden december desselve jaers mits d’afflijvicheijt vanden testateur geopent, hebben sij mits desen wettelijck ende erffelijck opgedragen ende overgegeven Johan van Kessel, inwoonende borger ende coopman alhier.
2.R. 1731, f. 99.-100v.: Petrus van Brugge, geauctoriseerde klerck deser stadts secretarye, inde naem ende gemagtight vande heer Johan van Kessel, koopman in laakenen ende inwonende burger binnen deese stad ---, seekere huysinge, agterhuysinge ende stallinge staende op het hoekje vande Stoofstraet alhier, gemeenlyck genaemt Den Rooden Haen (f. 100), ex uno de Stoofstraet, de andere syde de huysinge Van Cleef, streckende voor vande straet agterwaerts tegens erve sr Van Ceulen, hem aengekoomen by erfnisse vande heer Antony vander Meulen, ende de stallinge tussen erve de heer Peymans ende Nicols; verder ook nog een tuin op de Vughterdijk --- transportavit de heer Johan vander Meulen ende juffrouw Jacoba Abangelis, egtelieden ende inwoonders deser stad ---. De verkrygers sullen jaerlyks daer uyt moeten blyven vergelden de grontchynse soo groot ende klyn daer uyt syn gaende, des men niet en weet; item uyt de huysinge genaemt Den Roden Haen drie gulden twalef stuyvers jaerlyks in drie texten aen het comptoir vanden heer rentmeester Tengnagel; item uyt de stal jaerlyks twalef stuyvers aen het smits gilde.
3.Zie hiervóór bij Stoofstraat 3.
4.R. 1767, f. 291-291v.: Petrus Josephus van Berkel, medicinae doctor, wonende binnen deze stad, eene
13

Overzicht bezitters

Jacques van Leemput (1635)
Jacolina Bulgaro (XVIId)
Engelbert Dircx bij testament 1691.10.25 >
zijn nichtjes Jacquelina en Hendrina, dochters van Jacques de Bolgaro en Anna Maria Dircx 1701.05.18 (400 gl. +15 gl. 12 st. 8 p.) >
Johan van Kessel 1733.01.09 (stal/koetshuis) >
Johan van der Meulen en Jacoba ab Angelis
zijn neef Johan van der Meulen
Maria Catharina Aangevaren, gehuwd met Petrus Josephus van Berkel 1777.01.17 >
Diederik Huygens

Stoofstraat na 15 (Het Wijngaardje; H100-101; Het Verguld Aambeeld; H102)

Tot aan de hoek met de Postelstraat stonden nog twee huizen, van oost naar west Het Wijngaardje en Het Aambeeld. Beide huizen waren in 1635 in bezit van Jacob Pauwels van Sitteren (Zittart),1 in het laatste kwart van de zeventiende eeuw van Jacob la Minoij.2 Op 3 december 1657 vond er een erfdeling plaats van de goederen van Geertruid Cornelis Jacobs van der Horst, die eerst was gehuwd met Paulus Paulusz. van Zittart en later met Zondag (?) Michielsen. Uit het eerste huwelijk was een zoon Jacob en uit het tweede een dochter Catharina geboren. Bij de genoemde erfdeling verkreeg Catharina gehuwd met Jacob Jansen Laminoy – de naam is in allerlei varianten overgeleverd – onder meer twee huijsen aen malcanderen gelegen, met alle ende eenijegelijcken sijne gronden, rechten ende toebehoorten, gemeijnlijck genoempt In het Vergult Ambeelt, staende binnen dese stadt opden hoeck vande Stooffstraet. We zullen zien dat het andere van deze twee huizen later Het Wijngaardje werd genoemd.3 Jacobs dochter Margareta Laminoy transprorteerde de huizen op 26 mei 1719 aan Adriaan Nicols. De omschrijving luidde: twee huijsen aen malkanderen gelegen, met alle en een yegelijcken sijne gronden, rechten ende toebehoorten van dien, gemenelyck genaemt In het Vergult Aenbeelt, staende binnen dese stadt op den hoeck vande Stoofstraet ende Postelstraat tusschen de Stoofstraet aen d’eene syde, huys en erve Gerrard vander Lith eertyts, nu de weduwe van Gysbert Boons, ex alio, strekkende voor vande gemeen Postelstraet metten eenen eynde tot achter aen erve van Jacques van Leenputte eertyts, nu de heer Johan van Kessel, metten anderen eynde.4 De weduwe van Adriaan Nicols, Geertruid van Ravestijn, droeg ze op 8 mei 1733 over aan Johan Georgius van der Burgt, doctor in de medecyne alhier. Er werd nu gesproken van twee huysen aen malkanderen gelege, met alle ende een iegelyke syne gronden, regten ende toebehoorte van dien, synde het eene genaemt Het Weijgertie ende het ander Het Vergulde Aenbeelt, staende binne deese stad opden hoeck vande Stoofstraet ende inde Postelstraet.5 De erfgenamen van Van der Burgt em zijn vrouw Maria Bakkers transporteerden het complex, dat nu ook een pakhuis omvatte, op 22 februari 1776 aan
 stallinge in de Stoofstraat alhier nevens huys en erve van (niet ingevuld) van Oers ex uno (f. 291v.) en nevens huys en erve van den na te noemene verkryger ex alio, strekkende voor van de Stoofstraat achterwaarts tegens erve van Johannes Petrus Adrianus de Bruynincx, hem aangekomen mits doode en aflyvigheyd van zyne eerdere huysvrouw Maria Catharina Angevaaren volgens desselfs testament, ut dicebat, transportavit den heere Diderik Huygens, oud scheepen en raad dezer stad ---, uytgenomen den grondgebuurchyns aan de domeynen van Braband, soo daar uyt mogte gaan, wes men niet en weet; item twaalf stuyvers en acht penningen aan den gilde van St Aloy!, zynde het smits ambagt.
1.ARA, ’s-Gravenhage, Raad van State 2134, f. 171v.: Jacob Pauwels van Sitteren ---. Jacob Pauwels voorschreven, eijgenaer en bruijcker, het Aembeelt opten houck vande Postelstraet, getaxeert op t’sestich ponden, VII £ X st.
2.Ibidem, f. 185: Jacob la Minoij, eijgenaer, getaxeert op achtenveertigh ponden --- VI £. Deselve het hoeckhuijs vande Postelstraet in ’t Ambeelt --- VI £.
3.R. 1588, f. 137-139v.
4.R. 1708, f. 297v.-298.
5.R. 1731, f. 115v.-117.
14

Diederik Huygens, oud-schepen en raad van de stad.1
Zoals we gezien hebben kocht Diederik Huygens op 17 januari 1777 het hiervóór behandelde complex – een stalling – Stoofstraat 15. Op dezelfde datum kocht hij van Johannes Petrus Adrianus de Bruynincx ook nog een huysje binnen deeze stad in de Postelstraat neffens huys en erve van den transportant ex uno en neffens dat van den na te noemene verkryger ex alio, strekkende voor van de Postelstraat achterwaarts tegen erve van den gemelde verkryger. Dit huisje naast Het Aambeeld had De Bruynincx geërfd van zijn tante Maria ab Angelis, weduwe van Hendrik Joseph de Bruynincx.2 Hij had dit – zich tevens sterk makende voor een andere tante, Glaudina de Bruynincx – geruild tegen de stal aan de noordzijde van zijn genoemd huis en erf.3 Het zal bij dit huisje gegaan zijn om het huis De Vingerhoed, dat de meester-lintwerker Arnoldus Boons op 6 december 1729 had getransporteerd aan Jan van Kessel. Het was toen gesitueerd in de Postelstraet, de huysinge ende erve van de heer J. van Kessel ex uno, de huijsinge ende erve genaemt Het Aenbeelt ex alio, strekkende voor van de straet agterwaerts tot op erve van de weduwe sr Nicols.4 Op de plaats van zijn aankopen in de Postelstraat bouwde Diederik Huygens het tegenwoordige pand Postelstraat 45, dat hij op 30 november 1789 overdroeg aan Joan Abraham van der Voort, oud-gouverneur van Amboina voor de som van 6000 gulden (gekapitaliseerde lasten 103 gulden 2 stuivers 8 penningen). De omschrijving luidde: een huysinge, stallinge, koetshuijs en erve, staande en gelegen binnen dese stad in de Postelstraat op de hoek van de Stoofstraat, ex uno d’heer Bruijnincx, ex alio gemelde Stoofstraat, strekkende voor van de gemeene straat agterwaarts tot aan de erve van den voornoemde heer Bruijnincx.5 Op 30 november 1789 transporteerde Joan Abraham van der Voort het complex aan Gratiana Maria Deutz en deze op haar beurt op 27 november 1807 aan Jacob Marten Deutz van Assendelft.7
1.R. 1759, f. 317-317v.: twee huysen aan elkander geleegen, het eene genaamt Het Wijgertje en het andere Het Vergulde Aambeelt, met een pak huys daar bij gehoorende, staande op den hoek van de Stoofstraat en in de Postelstraat tussen de Stoofstraat voornoemt en het huys van de heer Bruijnincx en de heer Petrus Josephus van Berkel aan wederzyde.
2.Volgens A.F.O. van Sasse van Ysselt, De voorname huizen en gebouwen van ’s-Hertogenbosch III (’s-Hertogenbosch 1914) 335, betrof het hier Adriana Maria ab Angelis, op 30 oktober 1717 getrouwd met Hendricus Josephus de Bruynincx, kornet, en kinderloos gestorven. Zij was een dochter van Petrus ab Angelis en van Maria Anna dochter van Antonie Gijsbert Antonie van van Kessel. Een zuster van Adriana Maria was Joanna, die op 19 januari 1720 gehuwd was met de hiervóór al genoemde Johan van der Meulen. Ook dit echtpaar bleef kinderloos.
3.R. 1767, f. 292: Johannes Petrus Adrianus de Bruynincx, wonende alhier, een huysje binnen deeze stad in de Postelstraat neffens huys en erve van den transportant ex uno en neffens dat van den na te noemene verkryger ex alio, strekkende voor van de Postelstraat achterwaarts tegen erve van den gemelde verkryger, hem aangekomen mits doode en aflyvigheyd van zyne moeye Maria Abangelis, weduwe Hendrik Joseph de Bruynincx, heeft hy by erfmangelinge zoo voor zich selve als zich fort en sterk maakende voor syne andere moeye Glaudina de Bruynincx opgedragen en tegens de stal aan de noordzyde van gemelde transportants huys overgegeven Diderik Huygens, oud scheepen en raad dezer stad.
4.R. 1730, f. 44v.-46.
5.R. 1777, f. 137: De heer Joan Abraham van der Voort, regeerende schepen deezer stad, huijzinge en erve mitsgaders koetshuys en stallinge staande en gelegen binnen deese stad in de Postelstraat op den hoek van de Stoofstraat, ex uno den heer Johannes Petrus Adrianus de Bruijnincx, ex alio de gemelde Stoofstraat, strekkende voor van de straat agterwaards tot aan erve den heer Bruijnincx, den heer opdrager aangekomen bij koop en opdragt tegens de heer Diderick Huijgens, pro ut in litteris scabinalibus dato alhier den eersten december 1700 een en tagtig breeder is blykende, transportavit jonkvrouwe Gratiana Maria Deutz, wonagtig binnen deeze stad ---, uijtgenomen aan den Heijligen Geest alhier eene chijns op St Remis jaarlijks tot veertien stuijvers; aan het comptoir der episcopale alhier! eene rente tot eenen gulden en agt stuijvers jaarlijks; aan het comptoir der geestelijke goederen over Peelland; eene rente tot eenen gulden en agt stuijvers; en laastelijk nog uijt de voorschreven stallinge jaarlijks aan de gilde van St Eloij zijnde het smits ambagt twaelf en een halve stuijver.
6.R. 1777, f. 137.
7.R. 1792, f. 371.
15

Overzicht bezitters

Jacob Pauwelsz. van Zittart (1635)
Geertruid Cornelis Jacobs van der Horst, gehuwd met Paulus Paulusz. van Zittart, vererving >
Jacob en Catharina, kinderen van Geertruid 1657.12.03 erfdeling >
Catharina, gehuwd met Jacob Janssen Laminoy
hun dochter Margareta Laminoy 1719.05.26 >
Adriaan Nicols
zijn weduwe Geertruid van Ravestyn 1733.05.08 >
Johan Georgius van der Burgt, gehuwd met Maria Bakkers >
hun erfgenamen 1776.02.22 >
Diederik Huijgens 1781.12.01 >
Joan Abraham van der Voort 1789.11.30 >
Gratiana Maria Deutz 1807.11.27 >
Jacob Marten Deutz van Assendelft
16

De middeleeuwse gegevens

Snellestraat

De gegevens over de Snellestraat zijn zeer lastig te interpreteren. Er kan slechts een voorzichtige poging tot identificatie worden gedaan. Om de relatie met de latere gegevens te maken, beginnen we met een kamer die waarschijnlijk nog deel uitmaakte van het Klein Begijnhof. Deze kamer is ook behandeld in het verslag over het Klein Begijnhof.1

Een kamer van Wouter van Beerze (Snellestraat 20?; Begijnhof?)

Deze kamer werd naast het huis van Hendrik Groveke gesitueerd.2 Zij kwam op 12 december 1469 via de kinderen van Jan Berend Hugenz. lakensnijder in het bezit van Wouter Lambrechtsz. van Beerze. Er was door een van de kinderen, Andries, een overeenkomst gesloten met de hierna te behandelen buurman Gerit Mol van Driel van Snellestraat 18 over hun tussenmuur en een toilet.3 Op 27 april 1485 werd de kamer getransporteerd aan Hendrikske weduwe van Marselis Morincx.4 In het cijnsregister van 1520 blijkt Hendrikske ‘voor Wouter van Beerze’ een cijns te betalen om een muur te kunnen plaatsen naar de openbare straat vóór haar huis liggend tussen erf van Gerit Mol van Driel
1.Ald. 12-14.
2.Zie verslag klein begijnhof, 12-14.
3.R. 1239, f. 178v.: Andreas, Arnoldus et Iohannes fratres et Hillegondis eorum soror, liberi quondam Iohannis filii quondam Bernardi Hugensoen pannicide, ab eodem et quondam Margareta eius uxore dum vixit pariter geniti, cum tutore, quandam cameram cum suo fundo et attinenciis eiusdem camere quondam domicelle Katherine dicte de Wijck, sitam in Buscoducis ad parvam curiam beginarum, que camera cum eius fundo tendit cum uno fine ad plateam, atque ortum ad dictam cameram spectantem et viam tendentem a camera et orto predictis iuxta murum dicte curie beginarum usque ad communem plateam per ipsam curiam beginarum tendentem, simul cum ianua septi dicti gelijnt atque ius utendi ianua ad finem primodicte vie in huiusmodi septo gelijnt vocato pendente, atque hereditarium censum trium aureorum denariorum antiquorum communiter audescild vocatorum monete regis Francie, atque hereditarium censum quinque aureorum denariorum antiquorum communiter audescild vocatorum eiusdem monete, atque hereditarium censum sedecim aureorum denariorum communiter audescild vocatorum monete predicte, quos cameram cum suis fundo ac attinenciis, ortum ac ius utendi via et ianuam predictos atque census supradictos Martinus dictus Pels, Mathias filius Andree Peters soen et Margareta relicta quondam Iohannis, filii quondam Bernardi Hugensoen pannicide, erga Godefridum de Erpe, relictum quondam Mechteldis sue uxoris, filie quondam Iohannis dicti Hacken, et Iohannem Bathensoen, maritum et tutorem legitimum ut asserebat Iutte sue uxoris, filie quondam Henrici dicti sceymaker, ab eodem quondam Henrico et quondam Heilwige sua dum vixit uxore, filia dicti quondam Iohannis Hacken, pariter genite acquisierat, prout in litteris, hereditarie supportaverunt Woltero de Beerze, filio quondam Lamberti, cum litteris, aliis et iure, promittentes divisim, cum tutore, videlicet quovis eorum pro una quarta parte ratum servare et obligationem ex parte eorum et Martini Pels, Mathie filii Andree Peters soen et Margarete relicte quondam Iohannis filii quondam Bernardi Hugensoen pannicide et quorumcumque suorum heredum et succesorum deponere. Promiserunt insuper ut supra obligationem ex parte Elisabeth relicte quondam Huberti vanden Voert deponere, excepto hereditario censu unius libre monete et conventionibus et recognitionibus inter predictum Andream et Gerardum Moll de Driel de eorum muro intersticiali et cloaca sive latrina prius habitis et factis. Testes Berkel et Busco. Datum XIIa decembris.
 Dictus Andreas palam recognovit et super omnia et habenda dicto Woltero promisit quod ipse Willelmum Pels campsorem sic et talem habebit quod idem Willelmus super quarta parte camere, fundi eius et attinenciarum (et) predictorum atque super iure dicto Willelmo pertinente atque ad eundem spectante infra hinc et festum Remigii proxime futurum ad opus dicti Wolteri de Beerze renunciabit et obligationem ex parte sui deponere promittet vel quod dictus Andreas dicto Woltero dabit et solvet quadraginta florenos renenses, XX stuvers vel valorem pro quolibet computando, dummodo et inquantum dictus Willelmus Pels dicto Woltero aut suis successoribus aliquam impeticionem super dicta quarta parte fecerit. Testes, datum supra.
4.R. 1254, f. 277.
17

en Katelijn van Vladeracken. Deze concessie was in 1471 verleend.1

Overzicht bezitters

kinderen Jan Berend Hugenz. lakensnijder 1469.12.12 >
Wouter Lambrechtsz. van Beerze 1485.04.27 >
Hendrikske weduwe Marselis Morincx

Het huis van Hendrik Grove (Snellestraat 18?)

De gegevens over het huis van Hendrik Grove(ke), dat zich laat identificeren met de Vergulde Klosbeugel, Snellestraat 18, zijn niet opgenomen in het verslag over het Klein Begijnhof. Daarom volgen ze hier.
Op 4 februari 1434 transporteerde Aleid weduwe van Hendrik Vos snijder haar vruchtgebruik in onder meer een huis en erf achter de minderbroeders bij het Klein Begijnhof aan hun beider kinderen Jan en Liesbet. Hiertoe behoorde ook het recht op een weg achter het huis naar het toilet direct achter het huis in een hoek van het achterhuis van Hendrik van Zon, en op het toilet ‘met al zijn rechten en toebehoren’ (sic), samen met de helft van de tussengevel en van de daarop liggende goot. Hendrik Vos had dit complex ten cijns verkregen van de kinderen van wijlen Hendrik Grove de vleeshouwer. De kinderen van de weduwe Vos droegen het goed, dat gesitueerd werd tussen het begijnhof aan de ene zijde en erf van wijlen Hendrik de Grove, nu Zaalt weduwe van Hendrik van Zon, vervolgens over aan Liesbet dochter van Jan van den Hout.2 Op 22 mei 1448 droeg Jan zoon van wijlen Marselis Jansz. van den Hout het complex over aan Daneel Roesmont.3 Blijkens een schepenakte van 31 juli 1451 was dit haar neef – zoon van haar broer Marselis – welke neef door haar tot universeel erfgenaam was benoemd. Volgens deze akte mocht hij echter die goederen slechts in bepaalde gevallen vervreemden of bezwaren. Wanneer hij zonder erfgenamen zou overlijden, zouden ze voor een vierde deel aan de Sint-Jacobskapel komen, voor een vierde aan de Sint-Barbarakapel, voor een vierde aan de armen van de Sint-Gieliskapel en voor een vierde aan de armen, door de bestuurders van de genoemde kapellen te verdelen. Dit is klaarblijkelijk gebeurd: de rectoren van deze kapellen transporteerden het huis cum annexis op genoemde datum aan Adriaanke weduwe van Daneel Roesmont.4 Hiermee is kennelijk de onrechtmatige overdracht door Jan van den Hout van 22 mei 1448
1.RA Brussel, Rekenkamers 45067, f. 86v.: Henrica relicta Merselii Morinck pro Waltero de Beerze ex eo quod posset ponere ianuam in muro versus communem plateam ante domum suam ibidem iacentem inter hereditatem Gerardi Mol de Driel et Katherine de Vladeracken, ut patet in litteris anno XIIIIC LXXI concessis II d. lov.
2.R. 1204, f. 165.: Aleydis relicta quondam Henrici Vos sartoris, cum tutore, usufructum sibi ut dicebat competentem in domo et area sita in Buscoducis retro claustrum fratrum minorum iuxta parvum beghinagium ibidem ex uno et inter hereditatem olim Henrici die Grove, nunc ad Zalam dictam Zaelt, relictam quondam Henrici de Zonne, pertinentem ex alio, atque in quadam via ibidem consistentem retro dictam domum versus cloacam consistentem directe retro dictam domum in quadam cono posterioris domus dicti quondam Henrici de Zonne, et in dicta cloaca cum omnibus suis iuribus et attinentiis, simul cum medietate parietis interstitialis et guttarii supra eandem consistentis, sitarum inter dictam domum et hereditatem dicti quondam Henrici de Zonne, quas domum, aream, viam et cloacam cum omnibus suis iruibus et attinentiis et medietate (parietis et) guttarii Henricus Vos sartor erga Henricum et Agnetem, liberos quondam Henrici dicti Groeve carnificis et Iordanum Hacken, maritum et tutorem legitimum Elisabeth sue uxoris, et Henricum dictum van Achel, maritum et tutorem legitimum Bele sue uxoris, filiarum dicti quondam Henrici die Grove, ad censum acquisierat, prout in litteris, legitime supportavit Iohanni Vos et Elisabeth eius sorori, liberis Aleydis et quondam Henrici Vos predictorum ---.
 Notum sit universis quod cum ita actum esset, constituti igitur coram scabinis infrascriptis dicti Iohannes et Elisabeth cum tutore dictas domum, aream, viam et cloacam cum omnibus suis iuribus et attinentiis, simul cum medietate parietis et guttarii predictis, hereditarie supportaverunt Elisabeth filie quondam Iohannis vanden Hout.
3.R. 1218, f. 271v.
4.R. 1221, f. 199: Notum sit universis quod cum Elizabeth filia quondam Iohannis dicti vanden Hout domum et aream sitam in Buscoducis retro claustrum fratrum minorum iuxta parvum beginagium ibidem ex uno et
18

alsnog gesanctioneerd.
Op 16 december 1471 deden de kinderen van wijlen Daneel Roesmont afstand van het huis, tuin en stukje erf ten behoeve van Gerit Mol van Driel, zoon van wijlen Gerit Mol van Driel. Het huis werd gesitueerd tussen erf van Godschalk Klaas Pauwelsz. aan de ene zijde en het ene einde en tussen het Klein Begijnhof aan de andere zijde, strekkend met het andere einde aan de openbare straat.1

Overzicht bezitters

Beel wed. Hendrik Grove vruchtgebruik (?) >
Hendrik en Agnes kinderen van Hendrik Grove vleeshouwer, Jordaan Hacken en Hendrik van Achel goed >
Hendrik Vos snijder >
zijn weduwe Aleid vruchtgebruik 1434.02.04 >
kinderen Jan en Liesbet goed 1434.02.04 >
Liesbet dochter Jan van den Hout op voorwaarde >
haar neef Jan Marselis Jansz. van den Hout 1448.05.22 >
Daneel Roesmont
de rectoren van drie kapellen 1451.07.31 >
Adriaanke weduwe Daneel Roesmont
de kinderen van Daneel Roesmont 1471.12.16 >
Gerit Geritsz. Mol van Driel

Het huis van Hendrik van Zon (Snellestraat 16?)

Op 25 augustus 1429 ‘verkocht’ Zaalt weduwe van Hendrik van Zon slotenmaker een huis en erf achter het minderbroedersklooster aan Jan van Visschel en zijn vrouw Ida om dit gedurende hun
 inter hereditatem olim Henrici dicti die Grove, depost Zalame dicte Zaelt relicte quondam Henrici de Zonne, ex alio, atque viam ibidem consistentem retro dictam domum versus cloakam consistentem directe retro dictam domum in quodam cono posterioris domus quondam Henrici de Zonne, et dictam cloakam cum omnibus suis iuribus et attinentiis simul cum medietate parietis et guttarii erga Iohannem dictum Vos et Elizabeth eius sororem, liberos quondam Henrici dicti Vos, acquisivisset, prout in litteris; et cum deinde dicta Elizabeth inter cetera in suo testamento ac ultima sua voluntate omnia et singula sua bona, mobilia et immobilia, hereditaria et parata, quocumque locorum consistentia, legasset propter Deum Iohanni suo nepoti, filio quondam Marselii dicti vanden Hout, fratris dicte Elizabeth, cum condicione quod non haberet potestatem bona sibi legata in toto vel in parte vendere, alienare seu obligare nisi in certis casibus et precipue in casu quo dictus Iohannes decederet absque prole legitima post eum in vita remanente, quod extunc dicta bona pro una quarta parte ad fabricam capelle sancti Iacobi, pro alia quarta parte ad fabricam sancte Barbare virginis, pro alia quarta parte ad pauperes hospitalis sancti Eligii in Buscoducis et pro ultima quarta parte ad pauperes in communi per rectores earundem fabricarum predictarum distribuenda succederent et dirigerentur, prout in quodam instrumento desuper confecto videbatur contineri, constituti igitur coram scabinis infrascriptis Iohannes dictus Keelbreker, Arnoldus dictus de Hedel et Egidius dictus die Ridder tamquam rectores fabrice capelle sancte Barbare in Buscoducis, Anthonius de Beerlichem, filius quondam Anthonii, Theodericus de Lyeshout et Iohannes filius quondam Alberti Valkensoen tamquam rectores fabrice sancti Iacobi in Buscoducis atque Iacobus de Kessel tamquam rector fabrice capelle sancti Eligiii in Buscoducis ex parte et nomine dictarum fabricarum necnon ex parte quorumcumque pauperum in communi, supradictas domum et aream, viam et cloacam simul cum medietate parietis et guttarii hereditarie supportaverunt domicelle Adriane relicte quondam Danielis Roesmont.
1.R. 1241, f. 179: Dicti Giselbertus Roesmont (= filius quondam Danielis Roesmont) et Rodolphus Cuper, maritus ut supra (= domicelle Heilwigis sue uxoris, filie dicti quondam Danielis Roesmont), super domo, area et particula hereditatis sibi finaliter coadiacente cum suis iuribus et attinentiis, sitis in Buscoducis retro conventum fratrum minorum inter hereditatem Godescalci filii quondam Nicolai Pouwels soen ex uno et fine uno et inter parvum beginadium ibidem ex alio, tendente cum reliquo fine ad communem vicum, ut dicebat, atque super toto iure ad opus Gerardi Moll de Dryel, filii quondam Gerardi Moll de Dryel, hereditarie renunciaverunt.
19

beider leven te bezitten. Jan beloofde het huis te zullen onderhouden. Het complex werd gesitueerd tussen erf van Hendrik Vos snijder en het Klein Begijnhof aan de ene zijde en erf van wijlen Roelof van de Zande snijder en erf van wijlen Daneel Roesmont aan de andere zijde.1 Het is interessant om te zien dat ook een dergelijk recht gedurende een of meer levens vervreemd kon worden. Op 28 januari 1434 transporteerde namelijk de nieuwe man van Ida, Gerit van Diepenbeek – Jan van Visschel was dus inmiddels overleden – het goed voor het leven van Ida aan Hendrik Marselis, zoon van wijlen Marselis Marselisz.2 Zoals we zullen zien bleef het eeuwigdurend recht bij de weduwe Van Zon berusten. Op 27 maart 1438 beloofden de weduwe en haar zoon Tielman dat zij de voorwaarde, cijns en pensie zodanig zouden voldoen dat daar geen schade voor Hendrik Marselis en zijn echtgenote Margriet uit zou voortvloeien.3
Op 21 juni 1447 droeg Ida haar lijfpensie over aan Hendrik zoon van wijlen Jan Nollens.4 Waarschijnlijk was inmiddels Zaalt de weduwe van Hendrik van Zon overleden, want hun zoon Tielman droeg op 31 augustus van hetzelfde jaar het goed zelfs – anders gezegd het eeuwigdurende erfelijk recht op dat goed – over aan Daneel Roesmont.5 Het werd toen omschreven als ‘huis, erf en tuin en achterhuis’ en was toen gelegen ‘in zekere straat achter de minderbroeders, aldaar tussen erf van Daneel Roesmont aan de ene en erf van Jan van den Hout en het Klein Begijnhof aldaar aan de andere zijde, strekkend van de genoemde straat achter tot aan erf van Hendrik de Grove’.
Op 16 december 1471, dus dezelfde datum als het vorige perceel, droegen de kinderen van Daneel Roesmont dit huis over aan Godschalk Klaas Pauwels smid. Het huis werd hierbij gesitueerd tussen erf van Jan van Loon schrijnwerker en Dirk van Lieshout aan de ene zijde en erf van Gerit Mol
1.R. 1199, f. 124v.: Zaeltza dicta Zaelt relicta quondam Henrici de Zonne die sloetmeker cum tutore quandam domum et aream cum suis attinentiis, sitam in Buscoducis retro conventum fratrum minorum inter hereditatem Henrici Vos sartoris et parvam curiam beghinarum ex uno et inter hereditatem quondam Rodolphi vanden Zande sartoris et hereditatem quondam Danyelis Roesmont ex alio, tendentem a communi vico ad hereditatem olim Bele Scroven, prout ibidem sita est et dictus quondam Henricus in eisdem decessit, legitime vendidit Iohannis van Visschel ad opus sui et ad opus Yde sue uxoris, ab eisdem ad eorum vitam ac alterius eorum diucius vivendi et non ultra possidendam.
2.R. 1204, f. 39v.: Gerardus de Diepenbeke, maritus et tutor legitimus ut dicebat Yde sue uxoris, relicte quondam Iohannis de Visschel, quandam domum et aream cum suis attinentiis, sitam in Buscoducis retro conventum fratrum minorum inter hereditatem Henrici Vos sartoris et parvam curiam beghinarum ex uno et inter hereditatem Rodolphi vanden Zande sartoris et inter hereditatem quondam Danielis Roesmont ex alio, quam domum et aream Iohannes de Visschel ad opus sui et ad opus Yde sue uxoris erga Zaeldam dictam Zaelt relictam quondam Henrici de Zonne die sloetmeker legitime acquisierat, prout in litteris, hereditarie supportavit Henrico Marselis, filio quondam Marselii Marselis soen, ab eodem ad vitam dicte Yde et non ultra habendam et possidendam.
3.R. 1208, f. 328v.: Notum sit universis quod cum Henricus Marcelis, filius quondam Nicolai Marcelis soen quandam domum et aream cum suis attinentiis, sitam in Buscoducis retro conventum fratrum minorum inter hereditatem Henrici Vos sartoris ex uno et inter hereditatem Rodolphi vanden Zande sartoris ex alio, erga Gerardum de Dieperbeke ad vitam Yde relicte quondam Henrici de Visschel acquisivisset, tali condicione annexa quod dictus Henricus stante vita Yde predicte dictam domum et aream cum suis attinentiis in bona et laudabili dispositione servaret de tecto et parietis atque exinde solveret quoad vixerit dicta Yda hereditarium censum viginti solidorum antique pecunie et XL solidorum monete; atque quod dictus Henricus stante vita dicte Yde daret et solvet dicto Gerardo vitalem pensionem sex arnoldus gulden vel valorem anno quolibet mediatim nativitatis Iohannis et mediatim nativitatis Domini, prout in diversis litteris, constituti igitur Zaeltza dicta Zaelt relicta quondam Henrici de Zonne die sloetmeker et Tielmannus filius Zaeltze et quondam Henrici predictorum promiserunt indivisi super omnia et habenda magistro Arnoldo de Weilhusen quod ipsi dictam condicionem, censum et pensionem exnunc deinceps sic et taliter adimplebunt, dabunt atque solvent quod heredibus et successoribus dicti Henrici et quondam Margarete sue uxoris dampna exinde non eveniant quovismodo in futurum.
4.R. 1217, f. 191v.-192.
5.R. 1217, f. 226: Tielmannus de Zonne, filius quondam Henrici de Zonne, faber, domum, aream et ortum ac domum posteriorem eiusdem Tielmanni, sitos in Buscoducis in quodam vico retro conventum fratrum minorum, ibidem inter hereditatem Danielis Roesmont ex uno et inter hereditatem Iohannis vanden Hout et parvum beghinagium ibidem ex alio, tendentem a dicto vico retrorsum usque ad hereditatem Henrici die Grove, ut dicebat, hereditarie supportavit dicto Danieli.
20

van Driel en erf van het klooster Mariëndonk bij Heusden aan de andere zijde, strekkend van de straat tot aan erf van Dirk van Lieshout.1 Op 5 november 1482 verkocht Godschalk een cijns van vijf pond uit zijn huis, erf en tuin, die toen gesitueerd werden tussen erf van Jacob Mesmaker en het Klein Begijnhof aan de ene zijde en tussen erf van Jan van Loon de schrijnwerker aan de andere zijde, strekkend van de openbare straat tot aan erf van wijlen Dirk van Lieshout.2

Overzicht bezitters

Zaalt weduwe Hendrik van Zon slotenmaker 1429.08.25 >
Jan van Vissel x Ida, hertr. Gerit van Diepenbeke 1434.01.28 >
Hendrik Marselis Marselisz.
Tielman Hendriksz. van Zon smid
Daneel Roesmont
zijn kinderen 1471.12.16 >
Godschalk Klaas Pauwels smid

Snellestraat 14?

Op 25 maart 1483 ‘verkocht’ Jan zoon van wijlen Gijsbrecht van Loen een cijns uit zijn huis, erf en leeg erf tussen erf van Godschalk Klaas Pauwels en erf van Godschalk van Vlijmen, strekkend van de straat tot aan erf van Dirk van Lieshout.3

Overzicht bezitters

Roelof van de Zande
Daneel Roesmont
Jan Gijsbertsz. van Loon schrijnwerker

Snellestraat 12?

Blijkens een belending zou dit perceel in 1483 in het bezit zijn geweest van Godschalk van Vlijmen.4 Helaas laat dit gegeven zich niet voegen in de gegevens betreffende het hierna te behandelen complex Snellestraat 8-12 en Stoofstraat 3.

Snellestraat 14? en Stoofstraat 3

Uit de gegevens kan worden afgeleid dat een erf in de Stoofstraat, nummer 3, tot het huis Snellestraat
1.R. 1214, f. 179: Giselbertus Roesmont, filius quondam Danielis Roesmont, et Rodolphus Cuper, maritus et tutor legitimus ut dicebat domicelle Heilwigis sue uxoris, filie dicti quondam Danielis Roesmont, super domo, area et orto cum suis iuribus et attinentiis dicti quondam Danielis Roesmont, sitis in Buscoducis retro conventum fratrum minorum inter hereditatem Iohannis de Loen scriniparis et Theoderici de Lyeshout ex uno et inter hereditatem Gerardi Moll de Dryel et hereditatem conventus beate Marie virginis super Donckam prope Heusden ex alio, tendentibus a communi vico retrorsum ad hereditatem Theoderici de Lyeshout, ut dicebat, atque toto iure ad opus Godescalci filii quondam Nicolai Pouwels soen fabri hereditarie renunciaverunt.
2.R. 1252, f. 183: Godscalcus filius quondam Nycolai Pauwels soen hereditarie vendidit Henrico Gast, filio quondam Henrici hereditarium censum quinque librarum monete, solvendum anno quolibet hereditarie Omnium sanctorum de et ex domo, area et orto eiusdem venditoris, sitis in Buscoducis retro conventum fratrum minorum inter hereditatem Iacobi Mesmaker necnon parvum beginadium ibidem ex uno et inter hereditatem Iohannis de Loen scriniparis ex alio, tendentibus a communi platea ad hereditatem heredum quondam Theoderici de Lyeshout.
3.R. 1252, f. 477v.: ex domo, area et vacua hereditate dicti venditoris, sitis in Buscoducis retro conventum fratrum minorum inter hereditatem Godescalci filii quondam Nycolai Pauwels ex uno et inter hereditatem Godescalci de Vlijmen ex alio, tendentibus a communi platea ad hereditatem heredum quondam Theoderici de Lyeshout.
4.Zie het vorige perceel.
21

8 behoorde. Dit hele complex komen we tegen in een schepenakte van 19 maart 1421. In deze akte verklaren vijf Bossche schepenen dat Gerit Wael, provisor van het Groot Ziekengasthuis, onder ede had verklaard dat de nonnen en armen tezamen van het gasthuis in het bezit waren van een jaarlijkse cijns van 33 schellingen uit het huis, erf en tuin van wijlen Hendrik van Oirschot, gelegen achter de minderbroeders bij het Klein Begijnhof tussen het hoekhuis van de straat geheten Coffermekerstraet aan de ene zijde en tussen erf van wijlen Aleid van Eyck aan de andere zijde. De akten die hiervan bestonden waren verbrand bij de grote stadsbrand van begin mei 1419. Een bestuurder van het gasthuis en Peter Scheenken de kramer verklaarden vervolgens onder ede dat de verklaring van Gerit Wael juist was.1
De inventarisator van het archief van het Groot Ziekengasthuis, H.J.M. van Rooij, situeert dit huis ten onrechte op de hoek van de Stoofstraat en de Snellestraat. Terecht identificeert hij het met het huis De Rode Haan. Dit was het huis in de Snellestraat 8.2
Op de rug van de oorkonde wordt vermeld dat het huis van Gijsbrecht, die doorgaans Van Peelt wordt genoemd, later aan Jan Willems de Luikenaar busmaker is gekomen. We vinden dit bevestigd in de cijnsregisters en rekeningen van het Groot Ziekengasthuis. In een register van 1435 luidt het: Item vanden erve Heyn van Oerscot, nu Ghijsbrecht van Peelt die sloetmeker XXXIII s. op Sint Jans Baptisten dach,4 in de rekening over 1454/55 Item vanden erve Ghijsbrechts van Peelt XXXIII s.5 en in de rekening van 1550 Die wedue Jan Willems die Luyckenaer busmakere Christi anno vyftich XXXIII s.6
Uit de belendingen kan worden afgeleid dat de huizen van Gijsbrecht van Peelt in het bezit zijn gekomen van zijn dochter Liesbet, die trouwde met Jan van den Waude Hendriksz. alias Molner. In de Stoofstraat zal de kamer hebben gelegen, die Gijsbrecht van Peelt van Hubrecht Abt had verkregen. Zij werd gesitueerd in de straat van de Zijl naar het huis van Postel achter het woonhuis van Hendrik Van Jans aan de ene en tussen erf van Lambrecht Aartsz. aan de andere zijde, in 1453 als leeg erf tussen erf van Liesbet weduwe van Klaas Spierinc de slotenmaker en haar kinderen en tussen erf van Meus Velu. Gijsbrecht van Peelt had dat leeg erf vervolgens in de lengte verdeeld in drieën. Het derde deel naast het erf van Liesbet en een cijns daaruit had hij op 4 december 1443
1.Groot Ziekengasthuis 1879: Nos Godefridus de Rode, Wolterus Colen de Oerle, Godefridus Smeeds, Godefridus de Dommelen et Iohannes vanden Hagen, scabini in Buscoducis, notum facimus universis quod coram nobis constitutus Gerardus dictus die Wael, filius quondam Gibonis, tamquam provisor maioris hospitalis in Buscoducis, ad requestam iudicis in Buscoducisa tactis sacrosanctis deposuit et medio suo iuramento ad hoc rite prestito dixit moniales simul et pauperes dicti hospitalis possessionem habere de annuo et hereditario censu trigintatrium solidorum monete pro tempore solucionis huiusmodi census ad Buscoducis ad bursam communiter currentis, et quod ille census solvendus et anno quolibet hereditarie in festo nativitatis Domini ex domo, area ac orto olim Henrici de Oerscot, sitis in Buscoducis retro conventum fratrum minorum, ibidem iuxta parvum beghinadium inter domum conale viculi dicti Coffermekerstraet ex uno latere et inter hereditatem olim Aleidis dicte de Eyck ex alio latere, quodque littere scabinales mencionem de dicto censu facientes sunt combuste sive deperdite in incendio magno quod contigerat in opido de Buscoducis anno Domini millesimo quadringentesimo decimonono circa principium mensis maii. Quo facto comparuerunt coram nobis scabinis predictis Gherardus dictus Heerken tamquam gubernator hospitalis predicti et Petrus dictus Scheenken institor qui mediis suis iuramentis ad hoc rite prestitis in confirmationem iuramenti per dictum Gerardum die Wael ut premittitur prestiti dixerunt et iuraverunt quod iuramentum factum per eundem Gerardum die Wael est verum, sanum et nullatenus periuratum, falsum aut viciosum.
 In cuius rei testimonium nos scabini predicti sigilla nostra presentibus duximus appendenda.
 Datum decimanona die mensis marcii, feria quarta post festum Palmarum anno Domini millesimo quadringentesimo vicesimo.
 a In het hs. tweemaal in Buscoducis.
2.Het oud-archief van het Groot-Ziekengasthuis te ’s-Hertogenbosch I (’s-Hertogenbosch 1963) 87.
3.XXXIII solidos in die Coffermekerstraet. Ghijsken van Peelt. Nu ghilt Jan Willemssoen die Luyckener busmeker after den bruederen. Nu Jan Claessen.
4.Groot Ziekengasthuis 1398, f. 2.
5.Ibidem, nr. 599, ongef.
6.Ibidem, nr. 1399, ongef.
22

Op 14 februari 1481 droeg Liesbet van Peelt, inmiddels weduwe geworden, het vruchtgebruik in een huis en erf achter de minderbroeders in die Sloetmekerstraet tussen erf van Hendrik zoon van wijlen Gerit Holle de messenmaker en erf van Jan zoon van wijlen Andries van der Bolst de slotenmaker over aan haar zoon Hendrik.3 Hiertoe zal ook het erf in de Stoofstraat hebben behoord, aangezien dit ook nog in de achttiende eeuw van dit complex deel uitmaakte.

Overzicht bezitters

Hendrik van Oirschot
Hubrecht Abt >
Gijsbrecht van Peelt slotenmaker vererving >
dochter Liesbet, gehuwd met Jan Hendriksz. van den Waude alias Molner vererving >
zoon Hendrik Jan Hendriksz. van den Waude
Jan Willemsz. de Luikenaar busmaker

Stoofstraat 1

In een schepenakte van 27 november 1454 deed Geertruid dochter van wijlen Klaas Spierinc, zoon van wijlen Jan Lubenz., ten behoeve van haar broer Jacob afstand van een huis, erf en tuin gelegen ter plaatse geheten Zijl tussen erf van Gijsbrecht de slotenmaker en tussen de openbare steeg, strekkende van de openbare straat tot aan erf van genoemde Gijsbrecht.4 Ik houd dit complex voor het hoekhuis op de noordoosthoek van de Stoofstraat. De ingang zal aan de Snellestraat hebben gelegen. Zoals uit de akte kan worden afgeleid, werd het huis zowel in de Snellestraat als in de Stoofstraat begrensd door een erf van Gijsbrecht (van Peelt) slotenmaker. Uit een belending van het volgende perceel zou
1.R. 1214, f. 19-19v.
2.R. 1223, f. 327: Notum sit universis quod cum Ghiselbertus van Peelt, filius quondam Iohannis van Peelt, quandam cameram cum eius fundo, sitam in Buscoducis supra locum dictum communiter Zijl in vico tendente a dicto loco Zijl vocato versus domum de Postula retro domum habitacionis Henrici dicti Van Jans ex uno et inter hereditatem Lamberti Arts soen ex alio, et que camera cum eius fundo nunc una vacua hereditas esse dinoscitur et sita est inter hereditatem Elisabeth relicte quondam Nycolai Spierinc die sloetmeker et eius liberorum ex uno et inter hereditatem quondam Bartholomei Velu ex alio et tendit a communi vico ad hereditatem dicti Ghiselberti, erga Hubertum dictum Abt acquisivisset, et deinde dictus Ghiselbertus unam 3am partem dicte vacue hereditas, videlicet dividendo eandem vacuam hereditatem per eius longum in tres partes equales, videlicet illa 3am partem que sita est contigue iuxta hereditatem dicte Elisabet et eius liberorum, atque unam libram hereditarii census monete de annuo et hereditario censu trium librarum dicte monete, solvendam hereditarie mediatim nativitatis Iohannis et mediatim Domini ex camera cum eius fundo predicta, legitime et hereditarie supportasset Matheo filio quondam Iohannis Matheus soen cultellifici, prout in diversis litteris, constitutus igitur coram scabinis infrascriptis dictus Matheus supradictas 3am partem dicte vacue hereditatis et unam libram legitime et hereditarie supportavit Iacobo filio dicti quondam Nycolai Spierinc ad opus sui et ad opus Gertrudis sue sororis, filie dicti quondam Nycolai Spierinc.
2.R. 1250, f. 247: Dicta Elisabeth (= Elisabeth filia quondam Giselberti de Peelt, relicta quondam Iohannis vanden Waude Henricx soen alias Molner) cum tutore usufructum sibi ut dicebat competentem in domo et area sita in Buscoducis retro conventum fratrum minorum in vico dicto die Sloetmeker straet inter hereditatem Henrici filii quondam Gerardi Holle cultellificis ex uno et inter hereditatem Iohannis filii quondam Andree vander Bolst sloetmekers ex alio, tendente a communi vico ad hereditatem dictam die Stoeve, ut dicebat, legitime supportavit dicto Henrico suo filio (= filio Elisabeth et quondam Iohannis vanden Waude predictorum).
3.R. 1225, f. 13: Geertrudis filia quondam Nycolai Spierinc, filii quondam Iohannis Luben soen, cum tutore super quodam domo, area et orto olim dicti Nycolai, sitis in Buscoducis ad locum dictum Zijl inter hereditatem Ghiselberti de Peelt die sloetmeker ex uno et inter communem viculum ex alio, tendentibus a communi vico ad hereditatem dicti Ghiselberti, ut dicebat, atque super iure ad opus dicti Iacobi sui fratris, filii dicti quondam Nycolai Spierinck hereditarie renunciavit.
23

kunnen worden afgeleid dat het tevoren in bezit was geweest van Lambrecht Aartsz. en Matheus Jan Matheusz.
Denkbaar is ook dit huis bedoeld in een schepenakte van 11 maart 1484, waaruit blijkt dat Jan zoon van wijlen Andries van der Bolst smid een cijns van twee pond uit een cijns van acht pond betaalde uit onder meer zijn huis en erf achter de minderbroeders tussen de openbare straat aan de ene zijde en het ene einde en tussen erf van eertijds Gijsbrecht van Peelt, nu zijn erfgenamen.1

Opeenvolgende bezitters

Lambrecht Aartsz. (?)
Matheus Jan Matheusz. (?)
Geertruid Klaasdr. Spierinc 1454.11.27 >
Jacob Klaasz. Spierinc
Andries van der Bolst?

Stoofstraat 3 (De Gulden Kartouw; H95)

Zie hierboven, Snellestraat 14?.

Twee huizen, later samengevoegd (Stoofstraat 5; H96?)

In 1360 waren dit huis en het hierna volgende in bezit van Hendrik en Wouter zonen van Jan van Hintham schoenmaker, die er op 20 november van dat jaar een cijns uit ‘verkochten’ aan Reinoud zoon van wijlen Gerit Schade bakker.2 In 1421 werden deze huizen in beslag genomen wegens achterstallige betaling van deze cijns, waarvan het vruchtgebruik op 27 december 1417 door Heilwig dochter van wijlen Jan heren Rikouds zwager was overgedragen aan de armen van het Groot Ziekengasthuis. Ze werden gesitueerd tussen erf van Dirk van Tobbijc en erf van Gijbeke Knijf.3 Op 9 mei van genoemd jaar werden ze verkocht aan de armen van het Groot Ziekengasthuis.4 Hierna zijn deze huizen in het bezit gekomen van Jan van Visschel en Jan zoon van wijlen Peter Kousmeker.
Vervolgens zal het onderhavige huis in bezit zijn gekomen van Dirk van Zeelst en vervolgens van Zense (later) weduwe van Peter van der Straten. Op 13 juli 1430 droegen Simon van der Geest, zoon van wijlen Goiart Schout, en zijn echtgenote Zense, weduwe van Peter van der Straten, aan Meus zoon van wijlen Aart Velu een huis en erf over achter de minderbroeders tussen erf van wijlen Jan Schout en erf van Oede Blocmekers, later van Ide van Tricht. Zense had dit huis en erf verkregen van Dirk van Zeelst.5
1.R. 1253, f. 156: Lambertus filius quondam Lamberti Jacops soen duas libras monete annui et hereditarii census de hereditario censu octo librarum monete, quem censum iamdictum Iohannes filius quondam Andree vander Bolst fabri solvere tenetur dicto Lamberto anno quolibet hereditarie nativitatis Domini de et ex domo et area dicti Iohannis, sita in Buscoducis retro conventum frarum minorum inter communem plateam ex uno et uno fine et inter hereditatem olim Giselberti de Peelt, nunc eius heredum, ex alio. Zie ook het volgende perceel.
2.R. 1800, f. 29v.
3.R. 1190, f. 104v.: Dicta Heylwigis (= Heylwigis filia quondam Iohannis heren Rycouts swager) cum tutore usufructum ac totum ius sue vitalis possessionis sibi ut dicebat competentia in hereditario censu XLII solidorum monete, solvendum hereditarie mediatim nativitatis Domini et mediatim nativitatis Iohannis ex duabus domibus et areis sitis in Buscoducis ad viculum tendentem a loco dicto die Ziele ad vicum tendentem ante domum de Postula inter hereditatem Theoderici de Tobbijc ex uno et inter hereditatem Ghibekini Knyf ex alio, quem censum Katherina de Wyc erga Reynerum et Arnoldum fratres, filios Iohannis de Vlymen, emendo acquisierant, prout in litteris, hereditarie supportavit dicto Gerardo et Gerardo ad opus ut supra (= Gerardo die Wael, fili quondam Ghybonis, et Gerardo Heerken, provisoribus maioris hospitalis sitis in Buscoducis iuxta portam Captivorum ad opus pauperum pro tempore decumbentium in dicto hospitali.
4.R. 1800, f. 29v.
5.R. 1200, f. 122 nw.: Simon vander Gheest, filius quondam Godefridi Scouthet, maritus Zense sue uxoris, relicte quondam Petri vander Strathen, et dicta Zensa cum eodem tamquam cum tutore, quandam domum
24

Op 10 januari transporteerden Dirk Danelsz. en zijn vrouw Liesbet van der Horst het complex aan Klaas Aartsz. van den Broeck. Liesbet had de helft verkregen van de weduwe van Meus Velu en de andere helft van hun zoon Aart.
Klaas Aartsz. van den Broeck ‘verkocht’ op 2 juni van datzelfde jaar aan Marten Hendrik Martens de tripmaker een cijns van 8 pond uit twee huizen naast elkaar tussen erf van Gijsbrecht van Peelt en erf van wijlen Jan Kousmeker, nu Goossen de Bruyn, zich uitstrekkend vanaf de straat tot aan erf van Pauwels de Rode smid.1
Op 2 maart 1461 transporteerde Klaas dit huis en het hierna te behandelen aan Geertruid dochter van wijlen Zweder Woutersz. van Berkt, weduwe van Jan van Zichen.2 Uit de akte blijkt dat Klaas het huis van Dirk Danelsz. en zijn echtgenote Liesbet Jansdr. van der Horst had verkregen. Het werd nu – kennelijk aan de hand van de oudere transportakten – weer gesitueerd tussen erf van wijlen Jan Schout en erf van wijlen Oede Blocmekers, later Ida van Tricht.

Overzicht bezitters

Hendrik en Wouter zonen Jan van Hintham de schoenmaker (1360)
Groot Ziekengasthuis (1421) >
Jan van Visschel en Jan Petersz. Kousmeker
Dirk van Zeelst >
Zense (later?) weduwe Peter van der Straten, hertr. Simon van der Geest, zoon wijlen Goiart Schout 1430.07.13 >
Meus Aartsz. Velu, tr. Katelijn
weduwe Katelijn helft >
Liesbet Jansdr. van der Horst
Aart zoon Meus Velu en Katelijn helft >
Liesbet Jansdr. van der Horst, tr. Dirk Danels, hele goed >
Klaas Aartsz. van den Broeck 1461.03.02 >
Geertruid dochter Zweder Woutersz. van Berkt, weduwe Jan van Zichen

Net als het voorgaande behoorde ook dit huis rond 1420 aan het Groot Ziekengasthuis en kwam daarna in het bezit van Jan van Visschel en Jan Peter Kousmekers. Het werd op 4 augustus 1422 door hen overgedragen aan Gerit zoon van wijlen Peter van der Straten. Het werd gesitueerd in de straat van de Zijl naar het huis van Postel tussen erf van Dirk Tobbijcx en erf van Gijbeke Knijf naast genoemd erf van Dirk Tobbijcx, nu tussen erf van Jan zoon van wijlen Peter Kousmekers en erf van Simon van der Geest.3 Jan Peter Kousmekers bezat het hierna volgende huis.
 et aream sitam in Buscoducis retro claustrum minorum inter hereditatem quondam Iohannis Scout ex uno latere et inter hereditatem quondam Ode dicte Blocmekers, postea Yde de Tricht, ex alio, quam domum et aream dicta Zensa erga Belam filiam quondam Theoderici de Zeelst acquisierat, prout in litteris, hereditarie supportaverunt Bartholomeo Velu, filio quondam Arnoldi Velu.
1.R. 1226, f. 360: Nicolaus vanden Broeck, filius quondam Arnoldi vanden Broeck, hereditarie vendidit Martino filio quondam Henrici Martens calopodiatori hereditarium censum octo librarum monete, solvendum hereditarie Purificationis de et ex duabus domibus et areis sibi invicem coadiacentibus, sitis in Buscoducis in vico dicto die Stoefstraet inter hereditatem Gijsberti de Peelt ex uno et inter hereditatem olim Iohanni Kousmeker, nunc Goeswini die Bruyn, ex alio, tendentibus a dicto vico ad hereditatem Pauli die Rode fabri.
2.R. 1231, f. 91v.: Nicolaus dictus vanden Broeck alias dictus die Wucker, filius quondam Arnoldi, domum et aream sitam in Buscoducis retro claustrum fratrum minorum inter hereditatem quondam Iohannis dicti Scout ex uno et inter hereditatem quondam Ode dicte Blocmekers, postea Yde de Tricht, ex alio, quos! domum et aream Lambertus de Doernen, filius Cristiani, ad opus Nicholai dicti vanden Broeck alias dicti die Wucker predicti erga Theodericum dictum Danels soen, maritum legitimum Elizabeth vander Horst sue uxoris, filie Iohannis dicti vander Horst, relicte quondam Iohannis dicti de Zichen, et eandem Elizabeth acquisierat, prout in litteris, hereditarie supportavit Gertrudi filie quondam Zwederi filii quondam Wolteri dicti de Berckt.
3.R. 1193, f. 129v.: Notum sit universis quod cum Iohannes van Vusschel et Iohannes filius quondam Petri dicti Kousmeker duas domos et area sitas in Buscoducis ad vicum tendentem a vico dicto Zyle ante domum
25

Gerit van der Straten droeg het huis op 27 augustus 1442 over aan Liesbet dochter van wijlen Jan van den Hoernick, met wie waarschijnlijk de hierna te noemen Liesbet dochter van wijlen Jan van der Horst is bedoeld.
Het huis is waarschijnlijk wegens achterstallige betaling van een of meer cijnzen in beslag genomen. Op 14 november 1446 transporteerde namelijk Gerit Goddenz. een huis en erf in die Coffermekerstraet tussen erf van Meus Velu en erf van Jan Kousmeker aan Liesbet Jansdr. van der Horst.1 Hij had dit huis bij schepenvonnis verkregen.
Liesbets man Dirk Danelsz. droeg het vervolgens op 10 januari 1456 over aan Klaas van den Broeck alias die Wucker,2 die ook in het bezit was van het buurhuis en enkele maanden later een cijns van acht pond op beide huizen vestigde.3
Op 2 maart 1461 transporteerde Klaas dit huis en het hiervóór behandelde aan Geertruid dochter van wijlen Zweder Woutersz. van Berkt, weduwe van Jan van Zichen.4 Zoals uit gegevens vanaf 1464 blijkt, exploiteerde Geertruid hier een stoof, die doorgaans ‘de stoof van Geertruid Zweders’ werd genoemd. Opmerkelijk is evenwel dat al dat de straat al in 1454 de Stoofstraat werd genoemd.5 Er zal dus op deze plek of elders in de straat al een stoof zijn geweest.

Opeenvolgende bezitters

Hendrik en Wouter zonen Jan van Hintham de schoenmaker (1360)
Groot Ziekengasthuis (1421) >
Jan van Visschel en Jan Petersz. Kousmeker 1422.08.04 >
Gerit Petersz. van Straten 1442.08.27 >
Liesbet Jansdr. van den Hoernick (=van der Horst?)
inbeslagname
Gerit Goddenz. 1446.11.14 >
Liesbet Jansdr. van der Horst, tr. Dirk Danelsz. 1456.01.10 >
Klaas Aartsz. van den Broeck 1461.03.02 >
Geertruid dochter Zweder Woutersz. van Berkt, weduwe Jan van Zichen
 de Postula inter hereditatem Theoderici Tobbijcx? ex uno et inter hereditatem Ghybekini Knyff ex alio erga Gerardum die Wael, procuratorem maioris hospitalis in Buscoducis acquisivissent, prout in litteris, constituti igitur coram scabinis dicti Iohannes et Iohannes unam dicta­rum domorum, videlicet illa que sita est contigue iuxta dictam heredita­tem Theoderici Tobbijcx? et que nunc sita est inter hereditatem dicti Iohannis filii quondam Petri Kousmekers ex uno et inter hereditatem Symonis vander Gheest ex alio, ut dicebat, hereditarie vendiderunt Gerardo vander Strathen, filio quondam Petri vander Strathen, suppor­taverunt.
1.R. 1217, f. 249v.: Theodericus filius quondam Gerardi Godden soen domum et aream sitam in Buscoducis in vico dicto die Coffermekerstraet inter hereditatem Bartholo­mei Velu ex uno et inter hereditatem Iohannis Kousmeker et suorum liberorum ex alio, quam domum et aream predictam dictus Theodericus erga Gerardum Moll de Driel per iudicem mediante sententia scabinorum in Buscoducis emendo acquisierat, prout in litte­ris, hereditarie supportavit Elisabeth vander Horst, filie Iohannis vander Horst.
2.R. 1226, f. 42: Theodericus Danels soen, maritus legitimus ut dicebat Elisabeth vander Horst sue uxoris, filie Iohannis vander Horst, et ipsa cum eodam tamquam cum tutore domum et aream sitam in Buscoducis in vico dicto die Cofferme­kerstraet inter hereditatem Bartholomei Velu ex uno et inter hereditatem Iohannis Kousmeker et suorum liberorum ex alio, quam domum et aream dicta Elisabeth vander Horst erga Theodericum filium quondam Gerardi Godden soen acquisierat, prout in litteris, hereditarie supportavit michi ad opus dicti Nycolai vanden Broeck (alias dicti die Wacker!).
3.R. 1226, f. 360: Nicolaus vanden Broeck, filius quondam Arnoldi vanden Broeck, hereditarie vendidit Martino filio quondam Henrici Martens calopodiatori hereditarium censum octo librarum monete, solven­dum hereditarie Purificationis de et ex duabus domibus et areis sibi invicem coadiacentibus, sitis in Buscoducis in vico dicto die Stoef­straet inter hereditatem Gijsberti? de Peelt ex uno et inter hereditatem olim Iohanni Kousmeker, nunc Goeswini die Bruyn, ex alio, tendentibus a dicto vico ad hereditatem Pauli die Rode fabri.
4.R. 1231, f. 91v.
5.Groot Ziekengasthuis 1880; R. 1225, f. 144 (3 oktober 1454).
26

In 1478 waren beide huizen in bezit van mr. Goiart Boest. Een van de beide huizen was inmiddels echter afgebroken. Er wordt gesproken van een huis, erf en een daarnaast gelegen een ledige plaetse, gesitueerd tussen erf van Hendrik de Lepper smid en erf van Jan de Molner alias van den Waude slotenmaker, strekkend achter tot erf van Dirk Dirksz. slotenmaker en andere buren. Op 17 maart van genoemd jaar verkocht Goiart Boest het complex aan Jan Heusdens, zoon van wijlen Gielis Heusdens, en aan Aleid dochter van Joris Swyllaerts, ook Dullarts genoemd1.2 Op 8 februari 1481 droeg Jan Heusdens zijn helft over aan Katelijn dochter van wijlen Jan Bitters, ook al het huisraad (domus utensilia), dat hij bezat.3 Op 7 april van hetzelfde jaar droeg Aleid Swyllaerts haar helft weer over aan... Jan Heusdens.4 Zie ook hierna.
In 1494 blijkt deze laatste in het bezit van het hele goed te zijn; op 19 november transporteerde hij het aan Marie dochter van wijlen Gerit Nouts.5

Opeenvolgende bezitters

mr. Goiart Boest 1478.03.17 >
Jan Gielisz. Heusdens en Aleid Jorisdr. Swyllaerts
Jan Heusdens helft 1481.02.08 >
Katelijn Jansdr. Bitters
Aleid Swyllaerts helft 1481.04.07 >
Jan Heusdens hele complex 1494.11.19 >
Marie Geritsdr. Nouts

Het huis van Jan van Tricht, later Hendrik van Trier, later Jan Kousmeker (Stoofstraat 7?)

Op 19 maart 1412 transporteerde Jan van Holten smid het huis en erf van Jan van Tricht schoenmaker, gelegen in de straat van de Zijl naar het huis van Postel tussen erf van Peter Loekart en erf van Berend Sloetmaker aan Hendrik van Trier den spoermaker. Jan van Holten had dit huis verkregen van Jan van Visschel.6 Hendrik droeg het huis vervolgens op 3 maart 1419 over aan Jan zoon van wijlen Peter Kousmeker.7 In het cijnsregister van het Groot Ziekengasthuis van 1435 komt After der mynrebruederen de post voor: Item vanden erve Heynen van Tryer, nu Jan Peter Coûssmekers soen II s. Sint Jan Baptisten dach.8
De erfgenamen van Jan Petersz. Kousmeker droegen de door hen geërfde helft van het huis op 3 juli 1454 over aan Goossen zoon van wijlen Willem de Bruyn. Het huis werd toen gesitueerd in des Authoesden straetken tussen erf van Liesbet van der Horst en erf van Joost Nagelmeker.9 Met deze
1.R. 1247, f. 487 (24 september 1478).
2.R. 1247, f. 278v.: Magister Godefridus Boest domum et aream ac vacuam hereditatem dictam een ledige plaetze, sibi contigue et lateraliter coadiacente, sitam in Buscoducis in vico dicto die Coffermeker straet inter hereditatem Henrici die Lepper fabri ex uno et inter hereditatem Iohannis die Molner alias vanden Waude des sloetmekers ex alio, tendentes a communi vico retrorsum usque ad hereditatem Theoderici filii quondam Theoderici dicti Rover sloetmeker et quorundam aliorum vicinorum ibidem, prout et quemadmodum premissa ibidem sita sunt et ad quondam Geertrudem Zweders spectare consueverant et nunc ad dictum magistrum Godefridum Boest spectare dinoscuntur, ut dicebat, hereditarie vendidit Iohanni Huesdens, filio quondam Egidii Huesdens, et Aleydi filie Georgii Swyllaerts.
3.R. 1250, f. 130v.
4.R. 1250, f. 64v.-65.
5.R. 1264, f. 100v.
6.R. 1187, f. 367: Iohannes van Holten faber domum et aream Iohannis van Tricht sutoris, sitam in Buscoducis in vico tendente a loco dicti Zile versus domum de Postula inter hereditatem Petri Loekart et inter hereditatem Bernardi Sloetmaker, supportatam sibi a Iohanne van Visschel, prout in litteris, hereditarie supportavit Henrico van Trier den spoermaker.
7.R. 1191, f. 91.
8.Groot Ziekengasthuis 1398, f. 2.
9.R. 1224, f. 289: Iohannes dictus de Brugge, filius Arnoldi de Brugge, ab eodem et quondam Petra uxore dum vixit dicti Arnoldi, sorore quondam Iohannis dicti Kousmeker, pariter genitus, et Arnoldus filius quondam Goeswini Bayliûwe tamquam maritus et tutor legitimus ut dicebat Yde sue uxoris, filie Arnoldi et
27

laatste is Joost Hendriksz. van der Heyden, de bezitter van het volgende huis, bedoeld.
Het is denkbaar dat het huis hierna afgebroken is. Op 14 maart 1464 transporteerde Goossen Willemsz. de Bruyn ‘zekere huisplaats’ van wijlen Jan Kousmekers gelegen in dLant van Huesden tussen erf of stuyffam – stoof! – van Geertrui Zweders en erf van Dorf weduwe van Peter Joosten, strekkend tot aan het Klein Begijnhof, aan Jan zoon van wijlen Hendrik Lievenz. Jan Hendrik Lievenz. gaf de huisplaats op 11 februari 1468 over aan Dirk Petersz. sporenmaker1 en deze laatste transporteerde haar op 7 januari 1471 aan Hendrik de Lepper, zoon van Jan de Hollander.2 Hendrik droeg de huisplaats op 29 maart 1480 over aan Jan zoon van wijlen Gielis Heusdens3, die al in het bezit was van twee aangrenzende huizen – zie hieróór –, en deze transporteerde haar op 16 december 1480 aan Katelijn dochter van wijlen Jan de Bitter.4 De transportakte van 29 maart 1480 wordt gevolgd door een schepengelofte van dezelfde datum, waarachter staat: Et fuit cancellatus idem contractus in presentia et de expresso mandato eiusdem Iohannis Egidii XXIIIa octobris anno Domini etcetera LXXXIo (‘En deze overeenkomst is tenietgedaan in aanwezigheid en met uitdrukkelijke opdracht van dezelfde Jan Gielisz. op 23 oktober van het jaar des Heren enzovoorts 81’). Waarschijnlijk heeft dit ook betrekking op het transport. Want in de schepenakte van 22 december 1485, waarin Jan Heusdens de huisplaats overdroeg aan Gielis zoon van wijlen Klaas Koerber smid, staat dat Jan deze verkregen had van Hendrik de Lepper. Er is in deze akte voor het eerst sprake van bebouwing op de huisplaats.5
Op 30 januari 1493 droegen de minderjarige zonen Klaas en Jan van de inmiddels overleden Gielis Klaasz. Koerber smid de huisplaats over aan Jan de Luikenaar, zoon van Hendrik van Mameren, die al bezitter was van het buurpand (zie hierna). Zij deden dit met toestemming van hun voogd, hun oom Jan zoon van wijlen Klaas van Maastricht, en van Goiart Goiartsz. Byerkens, als naaste bloedverwanten, en in aanwezigheid en met verstandige toestemming van rechtschapen mannen, namelijk Gerit van Berlicum, zoon van wijlen Jan Sceymakers (schedemaker dus), Herman Dirksz. Rikouds en Gijsbrecht van Eethen, messenmakers, en van Aart zoon van wijlen Hendrik Scarleys nagelmekers, als buren van wijlen Gielis, en met toestemming van de schepenen, en dit alles vanwege de beste kansen en het grootste voordeel van de genoemde broers als verkopers. Kennelijk ging het om een uitzonderlijk geval. Opmerkelijk zijn de beroepen van de buren; het ging in alle gevallen om ijzerbewerkers, waarschijnlijk allemaal lid van het smedengilde. De broers beloofden Jan de Luikenaar dat wanneer binnen een jaar niet een bepaalde reparatie op hun kosten was uitgevoerd en binnen een jaar andere bloedverwanten gebruik hadden gemaakt van hun naastingsrecht, dat zij dan de koper schadeloos zouden stellen volgens uitspraak van rechtschapen mannen geheten werckluden alsook van de buren aldaar.6
 quondam Petre predictorum, medietatem ad ipsos ut dicebat spectantem ac sibi per et post mortem dicti quondam Iohannis Kousmeker successione advolutam in domo et area cum suis attinentiis, sitis in Buscoducis in vico dicto des? Authoesden straetken inter hereditatem Elizabeth vander Horst ex uno et inter hereditatem quondam Iûdoci Nagelmeker et eius heredum ex alio, tendentibus a dicto vico ad hereditatem Elizabeth filie quondam Hermanni Cleynarts, ut dicebat, hereditarie vendiderunt Goeswino dicto die Bruyn, filio quondam Willelmi.
1.R. 1237, f. 154v.: Iohannes filius quondam Henrici Lyven soen quoddam domistadium quondam Iohannis dicti Kous(eker), situm in Buscoducis in vico dicto dLant van Huesden inter hereditatem seu stuyffam Gertrudi(s) Sweders ex uno et inter hereditatem Dorffe relicte quondam Petri Yoesten ex alio, quod domistadium Iohannes filius quondam Henrici Lyven soen erga Goeswinum dictum die Bruy(n), filium quondam Willelmi die Bruyn, emendo acquisierat.
2.R. 1240, f. 54v.
3.R. 1249, f. 53v.
4.R. 1250, f. 19v.
5.R. 1255, f. 368v.: Iohannes filius quondam Egidii Huesdens domistadium quondam Iohannis dicti Kousmeker, situm in Buscoducis in vico dicto dLant van Huesden inter hereditatem seu stuyffam Geertrudis Sweders ex uno et inter hereditatem Dorphe relicte quondam Petri Yoesten ex alio, quod domistadium dictus Iohannes erga Henricum dictum die Lepper, filium quondam Iohannis dicti die Hollander, acquisierat, prout in litteris, simul cum edificiis desuper consistentibus, ut dicebat, hereditarie supportavit Egidio filio quondam Nicolai Koerber fabro.
6.R. 1262, f. 134-134v.: Nycolaus et Iohannes fratres, liberi quondam Egidii filii quondam Nycolai Koerber
28

Op 18 augustus 1495 transporteerde Jan de Luikenaar de huisplaats met bebouwing aan Gijsbrecht zoon van wijlen Jan van Eethen, op voorwaarde dat die na de dood van de verkrijger en de dood van zijn vrouw Mente dochter van Dirk Albrechtsz. aan de kinderen van Gijsbrecht en van zijn eerste vrouw, Agnes dochter van wijlen Jan van Duren, en aan de kinderen van Gijsbrecht en Mente zou vererven, met dien verstande dat Gijsbrecht het goed zou mogen vervreemden wanneer hij wilde.1

Overzicht bezitters

Jan van Tricht schoenmaker
Jan van Visschel
Jan van Holten smid 1412.03.19 >
Hendrik van Trier sporenmaker 1419.03.03 >
Jan Petersz. Kousmeker
diens erfgenamen helft 1454.07.03 >
Goossen Willemsz. de Bruyn 1464.03.14 >
Jan Hendrik Lievenz. huisplaats 1468.02.11 >
Dirk Petersz. sporenmaker 1471.01.07 >
Hendrik de Lepper, zoon van Jan de Hollander 1480.03.29 >
(Jan Gielisz. Heusdens 1480.12.16 >
Katelijn dochter Jan de Bitter (geannuleerd?))
 fabri, in presentia et de expressis consensu et voluntate Iohannis eorum avunculi, filii dicti quondam Nicolai de Maestricht, et Godefridi Byerkens, filii quondam Godefridi, tamquam amicorum proximorum dictorum fratrum, necnon in presentia et sano consensu proborum virorum, videlicet Gerardi de Berlijkem?, filii quondam Iohannis Sceymakers, Hermanni Dirx soen, Rodolphi Henricxsoen, Iohannis Noyts, Iohannis de Gemart, Boudewini Rijcouts et Giselberti van Ethen cultellificum, et Arnoldi filii quondam Henrici Scarleys nagelmekers, tamquam vicinibus dicti quondam Egidii dum vixit, ymmo premissis attentis? de expressis consensu et beneplacito scabinorum infrascriptorum et propter maiores oportunitates et maius commodum dictorum fratrum, ut dicebant, domistadium quondam Iohannis Kousmeker, situm in vico dicto dLant van Heusden inter hereditatem seu stuyffam Gertrudis Zweders ex uno et inter hereditatem Dorffe relicte quondam Petri Joesten ex alio, pridem supportatum Egidio filio quondam Nicolai Koerber fabro a Iohanne filio quondam Egidii Heusdens, prout in litteris, simul cum edificiis in dicto domistadio edificatis et constructis, ut dicebant, hereditarie supportaverunt Iohannis dicto die Luykenaer, filio quondam Henrici de Mameren ---.
 
Tradatur avunculo tamquam mamburno.
 Notum sit universis quod cum ita actum fuisset, constituti igitur coram scabinis infrascriptis dicti fratres in presentia et de consensu, voluntate, consilio et beneplacito quibus supra palam recognoverunt et super omnia et habenda dicto Iohanni die Luykenaer promiserunt in casu quo infra spacium unius anni proxime futuri certam? reparacionem pretacte nonnullas feciri expensas?, et contigerit quod eadem hereditas infra annum per aliquum seu aliquos qui fuerint de sanguine dictorum supportatorum e iure proximitatis redimetur seu acquitaretur, quod extunc iidem supportatores dicto Iohanni de Mameren de expensis seu reformacione ad dictamen proborum virorum dictorum werckluden necnon vicinorum ibidem sine aliqua contradictione in a...re? recompensabunt.
1.R. 1264, f. 60: Iohannes die Lukeneer, filius quondam Henrici de Mameren, domistadium quondam Iohannis Cousmeker, situm in vico dicto tLant van Huesden inter hereditatem seu stufam Gertrudis Zweders ex uno et inter hereditatem Dorphe relicte quondam Petri Joesten ex alio, simul cum edificiis in dicto domistadio edificatis et constructis, quod domistadium dictus Iohannes erga Nycolaum et Iohannem fratres, liberos quondam Egidii filii quondam Nycolai Koerber fabri, acquisierat, prout in litteris, hereditarie supportavit Ghiselberto filio quondam Iohannis de Eten ---, exceptis oneribus in dictis litteris contentis necnon hereditario censu decem solidorum monete prius exinde e iure solvendis, ut dicebat, tali condicione annexa quod post mortem dicti Ghiselberti et Mente sue uxoris, filie Theoderici Aelbrechts soen, dictum domistadium cum suis edificiis ad liberos dicti Ghiselberti, ab eodem et quondam Agnete filie! quondam Iohannis de Dueren, sue prime uxoris, necnon ad liberos ab ipso et dicte Mente sue uxoris moderne pariter genitos et generandis! hereditario iure succedet et devolvetur, proviso in isto quod dictus Ghiselbertus dictam domistadium cum suis edificiis vite! sua durante vendere, alienare, transportare et alienare poterit quociens sibi visum fuerit expedire.
29

Jan Gielisz. Heusdens 1485.12.22 >
Gielis Klaasz. Koerber smid
kinderen 1493.01.30 >
Jan de Luikenaar, zoon van Hendrik van Mameren, 1495.08.18 >
Gijsbrecht Jansz. van Eethen

Het huis van Berend van der Capellen slotenmaker (Stoofstraat 9?)

Op 24 augustus 1391 verkocht en transporteerde Aart Bruysten, zoon van wijlen Hendrik Bruyn van Oss, het huis en erf van Heineman van Lille achter het Klein Begijnhof tussen erf van wijlen Hellevoert en erf van Oede van Aken aan Berend van der Capellen. Aart had dit goed gekocht van Laurens zoon van wijlen Jan van Gerwen. Uit het goed ging een cijns van 42 schellingen.1 Korte tijd later ‘verkocht’ Berend een cijns van drie pond uit het complex, dat nu gesitueerd werd in de Zijl (sic) tussen erf eertijds van Gerit van Orthen en erf van Kerstien van Tricht. Dat het om hetzelfde goed ging, blijkt uit de ook hier genoemde cijns van 42 schellingen.2
Op 21 november 1419 droeg Katelijn weduwe van Berend van der Capellen (slotenmaker) haar vruchtgebruik in de helft van een huis of erf over aan Gielis zoon van wijlen Hendrik Wouters ten behoeve van hem en van zijn vrouw Mechteld, zuster van Berend. Dit echtpaar deed vervolgens afstand van dit recht ten behoeve van Marselis Jansz. van den Hout. Katelijn wilde vervolgens de haar erfelijk toebehorende andere helft overdragen aan Marselis, maar de akte is niet afgewerkt. Het huis werd gesitueerd int Lant van Hoesden tussen erf van Jan Kousmeker en erf van Hendrik van den Camp, strekkend tot aan erf van Hendrik van Trier.3
Hoe dit ook zij, op 23 december 1432 transporteerde Hille weduwe van Marselis, hertrouwd met Hubrecht zoon van wijlen Michiel van Espdonc slotenmaker, het vruchtgebruik aan Jan zoon van Hille en Marselis. Blijkens deze akte had Marselis het huis en erf, nu weer gesitueerd in de Zijl tussen erf eertijds van Gerit van Orthen en erf van Kerstien van Tricht, verkregen van Reinier Schade bij schepenvonnis. Het heeft kennelijk enige moeite gekost alle rechten in het complex te verkrijgen. Jan zoon van Hille en Marcelis transporteerde het goed vervolgens op 23 december 1432 aan Klaas Loenman.4
1.R. 1179, blz. 89: Arnoldus dictus Bruysten, filius quondam Henrici Bruyn de Os, domum et aream quondam Heynnemanni dicti de Lille, sitam in Buscoducis retro minorem curiam beghinarum inter hereditatem quondam dicti Hellevoert et inter hereditatem Ode dicte de Aken, venditam ei a Laurencio filio quondam Iohannis de Gherwen, prout in litteris, hereditarie vendidit Bernardo vander Cappellen, supportavit ---, exceptis hereditario censu LII solidorum monete inde solvendis.
2.R. 1179, blz. 302: Bernardus vander Cappellen, filius quondam Theoderici vander Cappellen, hereditarie vendidit michi Iohanni hereditarium censum trium librarum monete, solvendum hereditarie Iohannis ex domo et area sita in Buscoducis in vico tendente ad locum dictum Zile inter hereditatem que fuerat quondam Gerardi de Orthen ex uno et inter hereditatem Cristine de Tricht ex alio, quam ipse erga Arnoldum Bruysten, filium quondam Arnoldi Gruyter, acquisierat ---, exceptis quinquagintaduobus solidis dicte monete prius solvendis.
3.R. 1191, f. 355v.-356 nw.: Katherina relicta quondam Bernardi vander Capellen cum tutore usufructum sibi competentem in medietate domus seu hereditatis quondam Bernardi predicti, site in Buscoducis ad locum dictum int Lant van Hoesden inter hereditatem Iohannis Kousmeker ex uno et inter hereditatem Henrici vanden Camp ex alio, tendentis a communi vico ad hereditatem Henrici van Trier, ut dicebat, legitime supportavit Egidio filio quondam Henrici Wouters soen ad opus sui et ad opus Mechtildis sororis quondam Bernardi predicti ---. Quo facto Egidius tamquam maritus Mechtildis predicte et ipsa cum eodem tamquam cum tutore super dicta medietate et iure ad opus Marselii vanden Hout, filio Iohannis vanden Hout, hereditarie renunciavit ---.
 Dicta Katherina cum tutore medietatem dicte domus et aree, que medietas ad ipsam hereditario iure spectat ut dicebat, et de qua domo et area usufructum sibi in reliqua medietate eiusdem domus et aree ipsa Egidio filio quondam Henrici Wouters soen supportaverat ut dicebat, hereditarie vendidit Marselio vanden Hout predicto ---, exceptis oneribus ad summam quinque et dimidio librarum et duo solidorum monete taxatis ex prima? integra hereditate e iure prius solvendis, ut dicebat. Testes (niet afgewerkt).
4.R. 1203, f. 25: Hubertus filius quondam Mychaelis de Espdonc, maritus et tutor legitimus Hille sue uxoris
30

Deze droeg het huis op 16 februari 1442 over aan Jan van Zweensbergen kramer1 en deze op zijn beurt op 29 mei 1444 aan Willem van Trier, zoon van wijlen Koenraad van Trier.2 Willem droeg het huis op 21 april 1445 over aan Jan van Trier, zoon van wijlen Willem van Trier,3 en Jan op zijn beurt gaf het op 16 september 1448 ten erfelijke cijns aan Joost Hendriksz. van der Heyden smid.4 Als belendingen werden telkens de voorgenoemde vermeld. Dit was niet het geval in de schepenakte waarin Joost van der Heyden aan zijn vader een cijns ‘verkocht’ van 5 pond uit zijn huis; het werd nu gesitueerd tussen erf van Hendrik de Cort en erf van Goossen de Bruyn, strekkend vanaf de openbare straat tot aan het Klein Begijnhof aldaar.5 Dit laatste is een van de betrekkelijk weinige gegevens waaruit blijkt dat het bij de hier behandelde huizen om die aan de noordkant van de Stoofstraat gaat.
Na het overlijden van Joost van der Heyden hetrouwde zijn weduwe Dorf met Peter Dirksz. Joosten. Krachtens het testament van Joost en met toestemming van een drietal personen droegen Dorf en haar man Peter het goed met alle andere goederen van Joost, zowel roerende als onroerende, op 6 juli 1455 over aan Peters vader Dirk Joosten.6 Hierna is het huis spoedig, waarschijnlijk door vererving, weer in bezit gekomen van Dorf. Dit was in ieder geval op 17 oktober 1459 weer het geval, toen er een cijns uit het complex werd overgedragen. Dit werd toen een ‘huisplaats’ genoemd.7
Dat die vervolgens weer bebouwd is, blijkt uit een schepenakte van 3 januari 1466. Toen sloten
 relicte quondam Marselii vanden Hout die sloetmeker, usufructum ipsis aut eorum alter ut dicebat competentem in domo et area Bernardi vander Capellen, filii quondam Theoderici vander Capellen fabri, sitam in Buscoducis in vico tendente ad locum dictum Zile inter hereditatem que fuerat quondam Gerardi van Orthen ex uno et inter hereditatem Cristine de Tricht ex alio, quam domum et aream Marselius vanden Hout die sloetmeker erga Reynerum Schaden per iudicem mediante sententia scabinorum in Buscoducis emendo acquisierat, prout in litteris, legitime supportavit Iohanni filio Hille et quondam Marselii predictorum ---. Quo facto idem Iohannes vanden Hout supradictam domum et aream hereditarie supportavit Nycolao Loenman.
1.R. 1212, f. 32v.
2.R. 1214, f. 93v.
3.R. 1215, f. 188.
4.R. 1218, f. 431v.-432.
5.R. 1220, f. 241v.: Yudocus filius Henrici vander Heyden hereditarie vendidit dicto Henrico suo patri hereditarium censum quinque librarum monete, solvendum hereditarie nativitatis Iohannis de et ex domo et area ipsius venditoris, sita in Buscoducis in vico dicto dLant van Huesden inter hereditatem Henrici die Cort ex uno et inter hereditatem Goeswini die Bruyn ex alio, tendente a communi vico ad parvum beginagium ibidem.
6.R. 1225, f. 89v.: Petrus filius Theoderici Yoesten, maritus legitimus ut dicebat Dorfte! sue uxoris, relicte quondam Yudoci filii quondam Henrici vander Heyden fabri, et ipsa cum eodem tamquem cum tutore, potens ad infrascripta ut dicebat vigore testamenti ac ultime voluntatis dicti quondam Yudoci, cum expressis consensu et voluntate Arnoldi filii dicti quondam Henrici vander Heyden, fratris dicti quondam Yudoci, Iohannis de Gorkem et Aelberti filii quondam Theoderici Cloecker, domum et aream sitam in Buscoducis in vico tendente ad locum dictum Zijle inter hereditatem olim Gerardi de Orthen ex uno et inter hereditatem Cristine de Tricht ex alio, quam domum et aream dictus quondam Yudocus erga Iohannem de Trier, filium quondam Willelmi de Trier, ad censum acquisierat, prout in litteris; insuper quecumque alia bona mobilia et immobilia, hereditaria atque parata, in quibus dictus quondam Yudocus decessit, quocumque locorum consistentia, sita aut solvenda, ut dicebant, hereditarie supportaverunt dicto Theoderico Yoesten.
7.R. 1230, f. 141v.: Lambertus filius quondam Lamberti filio Theoderici filii quondam Lamberti dicti vanden Hoevel annuum et hereditarium censum triginta solidorum monete, solvendum hereditarie nativitatis Domini ex quodam domistadio sito in Buscoducis ad locum dictum die Zijle, quem censum Nicholaus dictus Coel die Bresser erga Iohannem dictum Matheus parotorem! albi corei acquisierat, et de quo censu Lambertus filius Theoderici filii quondam Lamberti dicti vanden Hoevel unam terciam partem simul cum tercia parte hereditarii census viginti solidorum dicte monete erga Lambertum filium quondam Iohannis filii quondam Lamberti dicti vanden Hoevel et Symonem dictum Arts soen acquisierat, prout in litteris, et quod domistadium pronunc ad Dorpham dictam Dorff, relictam quondam Iudoci die Smyt, pertinere dinoscitur et situm est inter hereditatem Henrici dicti die Cort ex uno et inter hereditatem Goeswini dicti die Bruyn ex alio, ut dicebat, hereditarie supportavit michi ad opus Nicholai filii quondam Iohannis dicti vander Stegen.
31

Dorf en haar dochter Agnes, gehuwd met Aart Udenz. van den Waude, een overeenkomst met Jan Klaasz. Odevaar, de buurman van het hiernavolgende perceel, over de muur met het buurpand. Bepaald werd dat deze stenen muur gemeenschappelijk zou zijn, dat Dorf en Aart op die muur mochten bouwen en daarin ankeren, maar dat zij de schade en kosten die daaruit voortkwamen zelf moesten dragen. Beide partijen moesten de muur en de goot daarop onderhouden.1
Hierna is de huisplaats door verkoop2 in bezit gekomen van Lieven zoon van Joost van der Heyden, die er in 1469 en 1470 cijnzen uit verkocht.3 Zij werd toen weer omschreven als huis en erf (en aangrenzend stukje erf erachter) gelegen tussen erf van Jan Odevaar en erf van Hendrik Lerze die spoirmeker, strekkend vanaf de straat tot het Klein Begijnhof. Met Hendrik Lerze zal Hendrik de Lepper bedoeld zijn.
De weduwe van Lieven, Geertruid dochter van wijlen Jan van Beek, droeg de huisplaats met de bebouwing die erop stond op 11 februari 1477 over aan de smid Jan zoon van wijlen Hendrik van Mameren.4 Een cijns van drie pond uit het goed, die op 9 februari 1480 werd overgedragen, is op 13 juli 1609 afgelost door de toenmalige bezitter, Neel Wouterssen mesmakere.5 Jan van Mameren transporteerde op 27 maart 1480 aan Jan zoon van wijlen Gielis Heusdens en deze op zijn beurt twee dagen later aan de smid Hendrik zoon van wijlen Jan de Hollander.6 Diens weduwe Dirkske droeg op 21 januari 1483 de helft over aan Dirk, Liesbet en heer Jan, priester, kinderen van Hendrik en van zijn eerste vrouw Johanna.7 Deze Jan was kanunnik van het Sint-Pauluskapittel in Luik, zoals blijkt uit de transportakte van 19 januari 1484, waarin hij en zijn broer en zus het goed overdroegen aan Roelof zoon van wijlen Hendrik Roelen messenmaker.8
1.R. 1235, f. 20: Dorpha dicta Dorff relicta quondam Iudoci filii quondam Henrici vander Heyden fabri et Arnoldus filius quondam Udonis dicti vanden Waude tamquam maritus et tutor legitimus ut dicebat Agnetis sue uxoris, filie Dorphe et quondam Iudoci predicti, cum tutore dicte Dorphe, ex uno et Iohannes Oedeveer, filius Nicholai Oedeveer, ex alio palam recognoverunt quod murus lapideus consistens inter hereditates dictorum Iohannis et Dorphe, sitas in Buscoducis in vico dicto dLant van Huesden, est communis eorundem Iohannis et Dorphe ac Arnoldi, et quod ipsi Dorpha et Arnoldus in eodem muro lapideo edificare poterunt ad eorum profectum dum? eis placuerit et eorum edificia per anchoras iniungere poterunt, sed quod idem? in edificandum fregerit seu fregerint suis propriis expensis sive expensis dicto Iohannis restaurare tenebitur ac tenebuntur, et quod dicte partes dictum murum ac guttarium supra eundem murum existens perpetuis temporibus in laudabili esse servare tenebuntur, videlicet dictus Iohannes pro una medietate et dicta Dorpha et Arnoldus pro reliqua medietate.
2.Dit blijkt uit de hierna te behandelen overdracht van 11 februari 1477.
3.R. 1238, f. 75v. (21 april 1469); R. 1239, f. 31 (8 januari 1470).
4.R. 1146, f. 166: Geertrudis filia quondam Iohannis de Beeck, relicta quondam Livini filii quondam Iudoci vander Heyden, potens ad infrascripta ut apparabat vigore testamenti ac ultime voluntatis dicti quondam Livini, et ad solvendum debita sua omnia et singula iuxta tenorem testamenti pretacti, cum tutore, domistadium cum suo fundo dicti quondam Iudoci, situm in Buscoducis in quodam viculo quo itur versus vicum dictum die Postelstraet inter hereditatem Iohannis Odevaer ex uno et inter hereditatem Henrici Leerse calcariatoris ex alio, quod domistadium cum suo fundo predictus Livinus filius quondam Iudoci filii quondam Henrici vander Heyden fabri erga Dorffam relictam quondam Iudoci filii quondam Henrici vander Heyden fabri acquierat, prout in litteris, simul cum domibus et edificiis in dicto domistadio pronunc constructis et edificatis, ut dicebat, hereditarie supportavit Iohanni filio quondam Henrici de Mameren fabro.
5.R. 1249, f. 186v.-187, in margine: Neel Wouterssen mesmakere als proprietaris deser onderpanden heeft desen chijns van drie penningen! paijments gelost aen derffgenamen Jacops van Uden ende Lucie sijnder huijsvrouwe, dochter heer Jacop Sanders, gelijc breeder blijct bij scepenen quijtantie in mijn protocol den XIIIden julii XVIC negen gepasseert.
6.R. 1249, f. 223v.-224.
7.R. 1252, f. 423v.
8.R. 1253, f. 204: Dominus Iohannes filius quondam Henrici filii quondam Iohannis Hollander fabri, canonicus sancti Pauli Leodiensis, Theodericus eius frater et Elizabeth eorum soror, liberi dicti quondam Henrici, cum tutore, domistadium cum suo fundo quodam Iodoci dicti vander Heyden, situm in Buscoducis in quodam viculo quo itur versus vicum dictum die Postelstraet inter hereditatem Iohannis Oedevaer ex uno et inter hereditatem Henrici Leerze calacariatoris ex alio, simul cum domibus et edificiis in dicto domistadio constructis et edificatis, supportatum Henrico filio quondam Iohannis die Hollander fabro a
32

Overzicht bezitters

Heineman van Lille
Laurens Jansz. van Gerwen >
Aart Bruysten, zoon van Hendrik Bruyn van Oss, 1391.08.24 >
Berend van der Capellen >
weduwe Katelijn 1419.11.21 vruchtgebruik helft >
Gielis Hendrik Wouters en Mechteld zuster van Berend van der Capellen 1419.11.21 recht helft >
Marselis Jansz. van den Hout
Reinier Schade bij schepenvonnis >
Marselis Jansz. van den Hout >
weduwe Hille, hertr. Hubert Michielsz. van Espdonc, 1432.12.23 vruchtgebruik >
Jan zoon van Hille en Marselis 1432.12.23 goed >
Klaas Loenman 1442.02.06 >
Jan van Zweensbergen de kramer 1444.05.29 >
Willem Koenraadsz. van Trier 1445.04.21 >
Jan Willemsz. van Trier 1448.09.16 >
Joost Hendriksz. van der Heyden >
weduwe Dorf, hertr. Peter Dirk Joosten, 1455.07.06 >
Dirk Joosten vererving (?) vóór 1459.10.17 >
Dorf wed. Peter Dirk Joosten vóór 1469.04.21 >
Lieven Joostz. van der Heyden 1477.02.11 >
zijn weduwe Geertruid Jansdr. van Beek 1477.02.11 >
Jan Hendriksz. van Mameren 1480.03.27 >
Jan Gielisz. Heusdens 1480.03.29 >
Hendrik Jansz. de Hollander de smid
zijn weduwe Dirkske de helft 1483.01.21 >
Dirk, Liesbet en Jan, kinderen van Hendrik en van zijn eerste vrouw Johanna, 1484.01.19 hele goed >
Roelof Hendrik Roelen de messenmaker

Het huis van Hendrik van de Camp (Stoofstraat 11-13?)

Zoals uit een schepenakte van 5 augustus 1424 blijkt, had Dirk Posteel, zoon van wijlen Goossen Cnode Femiënz., een huis en erf achter de minderbroeders in de steeg van de Zijl naar het huis van Postel tussen erf van Liesbet van Waalre en erf van Gijsbrecht Knijf en een stukje land achter de minderbroeders bij het Klein Begijnhof tussen erf van Gerit Heerken en erf van Jan van Holten smid, strekkend vanaf het erf van Dirk tot aan erf van genoemde Jan (van Holten), overgedragen aan Hendrik zoon van wijlen Jan van den Camp.1 Op 15 maart 1360 had Gerit van Orthen smid een cijns beloofd uit dit huis en erf, dat in 1423 gerechtelijk werd toegeëigend aan Dirk van der Stegen van Zevenem, die het op 16 februari 1424 van dat jaar verkocht aan Gerit Mol van Driel en deze op zijn beurt op 11 januari 1425 (?) aan Peter de Weert en Reinke die Slijcvegher.2
 Iohanne filio quondam Egidii Huesdens, prout in litteris, hereditarie supportavit Rodolpho filio quondam Henrici Roelen cultellifici.
1.R. 1194, f. 310v.: Notum sit universis quod cum Theodericus Postel!, filius quondam Goeswini Cnode Femyen soen, domum et aream sitam in Buscoducis retro conventum fratrum minorum in viculo tendente a loco dicto die Zijle versus domum de Postula inter hereditatem Elizabeth de Waderle ex uno et inter hereditatem Ghijsberti Knijf ex alio; item particulam terre sitam in Buscoducis retro conventum fratrum minorum iuxta parvam curiam beghinarum inter hereditatem Gerardi Heerken ex uno et inter hereditatem Iohannis de Holten fabri ex alio, tendentem ab hereditate Theoderici Posteel, filii quondam Goeswini Cnode, usque ad hereditatem iamdicti Iohannis, hereditarie supportasset Henrico filio quondam Iohannis vanden Camp ---.
2.R. 1800, f. 55v. nw.: Dictus Theodericus (= Theodericus vander Stegen de Zevenem), potens ut supra (=
33

Hendrik van de Camp wordt al in 1419 in een belending als bezitter vermeld.1 Klaarblijkelijk betrof de zojuist genoemde toeëigening in 1423 niet het huis Van de Camp, ook al werden voor het huis dezelfde belendingen vermeld. Ik heb hiervoor geen verklaring. In ieder geval transporteerde Hendrik op 5 augustus 1424 twee stukjes erf, genomen uit de huisplaats van het huis en erf, dat toen gesitueerd werd tussen erf van Reinier Bieken en erf van Gerit zoon van wijlen Gerit Klaasz. van Erp. Het ene stukje werd overgedragen aan Peter de Weert, zoon van wijlen Gerit de Weert van Venloon, en het andere aan Reinier Biekensz. Het laatste werd gesitueerd tussen erf van Marselis van den Hout en Peter de Weert.2 Waarschijnlijk zijn hieruit twee nieuwe erven met huizen ontstaan, waarvan het aan Biekens getransporteerde naast het hiervóór behandelde lag. Het andere grensde aan de andere zijde aan erf van Gerit Gerit Klaasz. van Erp, die zoals we zullen zien ook Van Grotel werd genoemd.

Overzicht bezitters

Gerit van Orthen
??
Dirk Posteel >
Hendrik van de Camp 1424.08.05 een deel >
Reinier Biekensz.
Hendrik van de Camp 1424.08.05 ander deel >
Peter de Weert

Perceel van Reinier Biekens (Stoofstraat 11?)

Een eerste stukje erf uit zijn genoemd huis en erf transporteerde Hendrik zoon van wijlen Jan van den Camp dus op 5 augustus 1424 aan Reinier Biekensz. Dit erfje werd gesitueerd tussen erf van Marselis van den Hout en tussen erf van Peter Geritsz. de Weert van Venloon. Later werd er een huis op gebouwd. Reinier zoon van wijlen Hendrik de Bie van Macharen, dit wil zeggen Reinier Biekens,3 ‘verkocht’ op 27 maart 1433 een cijns ‘van en uit het huis van dezelfde verkoper, gelegen in ’s-Hertogenbosch in de straat geheten Coffermekerstraet tussen erf van Klaas Loenman aan de ene en tussen erf van wijlen Peter de Weert van Venloon aan de andere zijde, strekkend van de genoemde
 potens ad hoc), fuit adiusticiatus ad domum et aream sitam in Buscoducis retro conventum fratrum minorum in vico tendente a loco dicto Zijle versus domum de Postula inter hereditatem Elizabeth de Waderle ex uno et inter hereditatem Ghiselberti Knijff ex alio, occasione defectus solucionis hereditarii census quatuor librarum monete, quem censum Gerardus de Orthen faber promiserat se daturum et soluturum Arnoldo de Rode sartori, prout in litteris quarum data continet feria quinta post dominicam qua cantatur Letare Iherusalem anno Domini Mo CCCmo sexagesimooctavo, et proclamavit primo, 2o et 3o, et vendidit Gerardo Mol de Dryel. Testes, datum supra (= XVI februarii anno Mo CCCCo XXIIIo).
 Et solvit XX libras monete et onera.
 Dictus Gerardus Mol dictam domum et aream hereditarie supportavit Petro die Weert ad opus sui et ad opus Reynkini die Slijcvegher ---. Datum XI ianuarii.
1.R. 1191, f. 355v. nw. (21 november 1419). Zie hiervóór.
2.R. 1194, f. 310v.: --- constitutus igitur dictus Henricus quandam partem hereditatis sumptam de domistadio supradicte domus et aree que nunc sita est inter hereditatem Reyneri Byeken ex uno et inter hereditatem Gerardi filii quondam Gerardi Nycholai de Erpe et quorundam vicinorum ibidem ex alio, prout dicta pars hereditatis predicte ibidem sita est et palata, simul cum edificiis in dicta parte hereditatis predicte consistentibus, ut dicebat, hereditarie supportavit Petro die Weert, filio quondam Gerardi die Weert van Venloen ---.
 --- constitutus igitur dictus Henricus quandam partem hereditatis sumptam de domistadio olim domus et aree predicte que nunc sita est inter hereditatem quondam Marcilii vanden Hout ex uno et inter hereditatem (doorgehaald: Reyneri Byekens soen) Petri die Weert, filii quondam Gerardi die Weert de Venloen, ex alio, prout dicta pars hereditatis predicte ibidem sita est et palata, simul cum edificiis in dicta parte hereditatis predicte consistentibus, ut dicebat, hereditarie supportavit dicto Reynero Byekens soens.
3.In een akte van 9 oktober 1431 betreffende een cijns uit het huis en erf van Peter de Weert (R. 1202, f. 1v.) wordt hij Reynero Byekens zoen, filio quondam Henrici Byeken van Macharen, genoemd
34

straat achterwaarts tot het erf van genoemde Klaas’.1
Op 2 december 1446 droeg Mechteld weduwe van Reinier Biekensz. haar vruchtgebruik in het complex over aan hun beider zoon Jan, die het vervolgens transporteerde aan Hendrik de Cort, zoon van wijlen Thomas de Cort. In deze akte werd weer gesproken van een stukje erf genomen uit de huisplaats van een huis en erf. Bij de overdracht aan Hendrik de Cort werd gesproken van een huis tussen erf van Jan van Trier en erf van Peter Keteler, strekkend van de straat tot aan erf van Gerit van Grotel.2

Overzicht bezitters

Reinier Biekens
zijn weduwe Mechteld vruchtgebruik 1446.12.02 >
hun zoon Jan 1446.12.02 hele goed >
Hendrik Thomasz. de Cort

Perceel van Peter de Weert (Stoofstraat 13?)

Zoals we gezien hebben droeg op 5 augustus 1424 Hendrik zoon van wijlen Jan van den Camp een stukje erf met bebouwing, genomen uit de huisplaats van voorgenoemd huis en erf over aan Peter de Weert, zoon van wijlen Gerit de Weert van Venloon. Uit de context blijkt dat de aangegeven belendingen, die strikt genomen ook op het betreffende huis betrekking zouden kunnen hebben, in werkelijkheid dit stukje erf betreffen. Zij luidden: tussen erf van Reinier Bieken en erf van Gerit zoon van wijlen Gerit Klaasz. van Erp (= van Grotel).
Op 12 maart 1428 ‘verkocht’ Peter de Weert een cijns van 40 schellingen uit het goed, dat omschreven werd als huis en erf in de Coffermekerstraet tussen erf van Gerit Gerit Klaasz. van Erp en erf van Reinke geheten Slijckvegher.3 Het complex werd op 4 juni 1432, nu weer aangeduid als huisplaats, door Gijsbrecht Jansz. van Peelt als man van Aleid weduwe van Peter de Weert getransporteerd aan Albrecht Mathijs Van Jans. Het werd gesitueerd tussen erf van Reinier Bieken en erf van Jan van Holten, strekkend van erf van Dirk Posteel, zoon van Goossen Cnode, tot erf van Jan van Holten.4 Het zal hierbij om oude belendingen zijn gegaan.
1.R. 1203, f. 174 nw.: Reynerus filius quondam Henrici die Bye de Macharen legitime et hereditarie vendidit Franconi de Uden seniori, filio Arnoldi de Uden, hereditarium censum XL solidorum monete, solvendum hereditarie nativitatis Iohannis de et ex domo et area eiusdem venditoris, sita in Buscoducis in vico dicto Coffermekerstraet inter hereditatem Nycolai Loenman ex uno et inter hereditatem olim Petri die Weert van Venloen ex alio, tendente a dicto vico retrorsum ad hereditatem dicti Nycolai.
2.R. 1217, f. 28v.: Mechtildis relicta quondam Reyneri (doorgehaald: Byekens die slijcveger) Byekens soen cum tutore usufructum sibi ut dicebat competentem in quadam particula hereditatis, sumpta de domistadio olim domus et aree site in Buscoducis retro conventum fratrum minorum in viculo tendente a loco dicto die Zyle usque domum de Postula, super illa videlicet parte que sita est inter hereditatem quondam Nicolai vanden Hout ex uno et inter hereditatem Petri die Weert, filii quondam Gerardi die Weert de Venloen, ex alio, simul cum edificiis in dicta parte hereditatis consistente, quam partem hereditatis cum edificiis predictis dictus Reynerus erga Henricum filium quondam Iohannis vanden Camp acquisierat, prout in litteris, hereditarie supportavit Iohanni filio Mechtildis et quondam Reyneri predictorum ---.
 Quo facto dictus Iohannes partem hereditatis cum edificiis predictam, que nunc una domus et area esse dinoscitur, et site sunt ibidem inter hereditatem Iohannis de Tryer ex uno et inter hereditatem Petri Keteler ex alio, tendentes a dicto vico ad hereditatem Gerardi de Groetel, ut dicebat, hereditarie supportavit Henrico die Cort, filio quondam Thome die Cort ---, exceptis condicionibus inter dictum quondam Reynerum et Nycolaum Loenman factis.
3.R. 1197, f. 386v.: Petrus dictus die Weert, filius Gerardi die Weert de Venloen, hereditarie vendidit Theoderico vanden Doren, filio quondam Henrici vanden Doren, hereditarium censum XL solidorum monete, solvendum hereditarie nativitatis Domini de et ex domo et area sita in Buscoducis in vico dicto Coffermekerstraet inter hereditatem Gerardi filii Gerardi Nycholai de Erpe ex uno et inter hereditatem Reynkini dicti Slijckvegher ex alio.
4.R. 1202, f. 112v.: Ghiselbertus de Peelt, filius quondam Iohannis, maritus legitimus Aleidis sue uxoris, relicte quondam Petri die Weert, filii quondam Gerardi, et ipsa cum eodem tamquam tutore quandam
35

Albrecht Van Jans droeg het goed op 3 januari 1433 over aan Jan zoon van wijlen Aart van Beke1 en deze op 16 november 1436 weer aan Mathijs Van Jans,2 die het op 28 augustus 1441 transporteerde aan Jan zoon van wijlen Reinier Biekens.3
Een nieuwe omschrijving inden we in een transportakte van 9 februari 1446, toen Jan zoon van wijlen Reinier Biekens een huis, erf en tuintje in die Coffermekerstraet verkocht en overdroeg aan Peter Keteler, zoon van wijlen Peter Keteler. Het goed werd nu gesitueerd tussen erf van Mechteld weduwe van genoemde Reinier Biekens aan de ene en tussen erf van Hendrik Goiartsz. van den Broek en Gijb Herinc aan de andere zijde. Er ging een cijns van 2 pond uit aan de Bossche Heilige-Geesttafel en een van 40 schellingen aan Peter Zebrechts. De koper mocht niet bouwen in het tuintje.4 Als weduwnaar van Liesbet dochter van Benedict geheten Bits van Geffen droeg Peter Keteler zijn vruchtgebruik in het complex op 31 oktober 1457 over aan hun beider dochter Hadewig, die het goed vervolgens terug overdroeg aan haar vader. Blijkens een aantekening in de marge van het protocol betaalde deze ‘ter goeder rekeninge’ twee Brabantse boddragers aan de schepenen, omdat hij arm was.5 Op 25 augustus 1460 droeg Peter het huis, erf en tuintje over aan Hendrik Jan Omenz. Peters zoon Joris, gesproten uit zijn huwelijk met Heilwig dochter van wijlen Jan van Esdonc, deed eveneens afstand van het goed. De kinderen van Hendrik Jan Omenz. transporteerden het aan Jan zoon van wijlen Jan van der Bruggen, welke laatste het op 13 februari 1486 overdroeg aan Klaas zoon van wijlen Hendrik van Henxtem, nadat hij het hem drie dagen eerder voor vijfentwintig jaar verhuurd had. Als begrenzingen werden hierbij opgegeven Michielke – hiervóór Mechteld genoemd – weduwe van Reinier Biekens aan de ene en Hendrik van den Broek en Gijb Herinc aan de andere zijde, ofschoon, zoals we zullen zien, deze belendingen inmiddels andere bezitters hadden gekregen.6
 partem hereditatis, sumptam de quodam domistadio sito in Buscoducis retro conventum fratrum minorum, scilicet illam particulam hereditatis que sita est inter hereditatem Reyneri Bieken ex uno et inter hereditatem Iohannis de Holten ex alio, tendentem ab hereditate Theoderici Posteel, filii quondam Goeswini Cnode, usque ad hereditatem Iohannis iamdicti, quam partem hereditatis Petrus die Weert predictus erga Henricum filium quondam Iohannis vanden Camp acquisierat, prout in litteris, hereditarie supportavit Alberto filio quondam Mathie Van Jans.
1.R. 1203, f. 140v.
2.R. 1207, f. 14v.
3.R. 1211, f. 95.
4.R. 1216, f. 156v.: Iohannes filius quondam Reyneri Byekens domum, aream et ortulum, sitos in Buscoducis in vico dicto die Coffermekerstraet inter hereditatem Mechtildis relicte quondam Reyneri et eius liberorum ex uno et inter hereditatem Henrici vanden Broeck, filii Godefridi, et Ghibonis Herinck ex alio, tendentes a dicto vico ad hereditatem Gerardi de Grotel, prout ibidem siti sunt ut dicebant, hereditarie vendidit Petro Ketheler, filio quondam Petri Ketheler ---, exceptis hereditario censu duarum librarum monete mense sancti Spiritus in Buscoducis et quadraginta solidorum hereditarii census Petro Zybrechts prius exinde de iure solvendis, ut dicebat, et tali condicione annexa quod dictus emptor non situabit alique edificia in dicto ortulo.
5.R. 1228, f. 10v.: Petrus dictus Ketheleer, filius quondam Petri Ketheleer, relictus quondam Elizabeth sue uxoris, filie quondam Benedicti dicti Bits de Geffen, usufructum sibi ut dicebat competentem in domo, area et ortulo, sitis in Buscoducis in vico dicto Coffermekerstraet inter hereditatem Mechtildis relicte quondam Reyneri dicti Byekens et eius liberorum ex uno, et inter hereditatem Henrici dicti vanden Broeck, filii quondam Godefridi, et Ghibonis dicti Herinck ex alio, tendentibus a dicto vico ad hereditatem Gerardi dicti de Grotel, quos domum, aream et ortulum dictus Petrus erga Iohannem filium quondam Reyneri dicti Byekens acquisierat, prout in litteris, legitime supportavit Hadewigi filie Petri et quondam Elizabeth predictorum ---. Datum ultima octobris.
 Notum sit universis quod cum ita actum esse, constitutus igitur coram scabinis infrascriptis dicta Hadewigis cum tutore premissa hereditarie supportavit dicti suo patri ---. Datum supra.
 In margine: Solvit ad bonum computum II brabants boddreger. Pauper est.
6.R. 1255, f. 88v.: Iohannes vander Bruggen, filius quondam Iohannis, domum, aream et ortulum sitos in Buscoducis in vico dicto Coffermekerstraet inter hereditatem Michaelis relicte quondam Reyneri Byekens et eius liberorum ex uno et inter hereditatem Henrici vanden Broeck, filii quondam Godefridi, et Gibonis Herinck ex alio, quos domum, aream et ortulum dictus Iohannes vander Bruggen erga Iohannem et Danielem fratres, liberos quondam Iohannis Oemen soen, Henricum filium quondam Iohannis de Ghenen? tamquam maritum Margarete sue uxoris, filie dicti quondam Iohannis Oemen soen, Luytgardem filiam
36

Klaas van Henxtem was toen al in het bezit van het hiernavolgende aangrenzende perceel.

Overzicht bezitters

Peter de Weert >
zijn weduwe Aleid, hertr. Gijsbrecht van Peelt, 1432.06.04 >
Albrecht Mathijs Van Jans 1433.01.03 >
Jan Aartz. van Beek 1436.11.16 >
Albrecht Mathijs Van Jans 1441.08.28 >
Jan Reiniersz. Biekens 1446.02.09 >
Peter Petersz. Keteler x Aleid Bitsdr. van Geffen 1457.10.31 vruchtgebruik >
dochter Hadewig 1457.10.31 goed >
Peter Petersz. Keteler 1460.08.25 >
Hendrik Jan Omenz.
Joris zoon Peter Keteler 1460.08.29 afstand >
Hendrik Jan Omenz.
kinderen Hendrik Jan Omenz. >
Jan Jansz. van der Bruggen 1486.02.13 >
Klaas Hendriksz. van Henxtem

Het huis van Gijb Knijf (Stoofstraat 15?)

Blijkens een akte van 15 november 1403 had mr. Goossen zoon van wijlen Hendrik van Luissel een cijns beloofd uit de huisplaats van wijlen Gijb Knijf, gelegen achter de minderbroeders bij het Klein Begijnhof vóór het huis van Gerit Abts tussen de openbare straat en tussen erf van Willem van Geldrop.1 Op 10 december 1439 droeg Gerit Gerit Klaasz. van Grotel, die we al hebben leren kennen als Van Erp, de huisplaats van wijlen Gijb Knijf over aan Belie weduwe van Jan van Tricht en hun beider zoon Jan. Gerit had die huisplaats verkregen van Aart van Beek, zoon van wijlen Jan Jacobsz. De huisplaats werd gesitueerd tussen de openbare straat en erf van Willem van Geldrop.2 Drie jaar
 quondam Iohannis Henrix soen, Everardum Valkenborch, filium quondam Willelmi et Iohannem Francken, filium quondam Iohannis, tamquam rectores et mamburnos Arnolde filie quondam Henrici Willemssoen acquisierant, prout in litteris, hereditarie supportavit Nicolao de Henxthom, filio quondam Henrici ---, tali condicione annexa quod dictus Nicolaus ex premissis annuatim dabit et solvet ac dare et solvere tenebitur diversos hereditarios census pariter ad octo libras monete hereditarii census ascendendos diversis personis exinde e iure solvendos ---. Datum decima tercia februarii, 2a post Invocavit.
Postea lectum?
.
 Dictus Iohannes vander Bruggen domum, aream et ortulum predictos, sitos ut dicebat, locavit recto locationis modo dicto Nicolao ab eodem ad spacium vigintiquinque annorum habendos et possidendos pro oneribus exinde e iure solvendis, dandis et solvendis a Nicolao predicto dictorum annorum spacio durante terminis solutionis ad hoc debitis.
1.GAHt, R. 1183, f. 212v.: Eylsbena relicta quondam Willelmi de Waderle cum tutore et Ludovicus filius quondam Willelmi de Waderle hereditarium censum quatuor librarum monete, quem censum magister Goeswinus filius quondam Henrici de Luyssel promisit se daturum et soluturum Willelmo de Waderle hereditarie mediatim Andree apostoli et mediatim Pasche ex domistadio quondam Ghibonis Knijf, sito in Buscoducis retro claustrum fratrum minorum prope parvum beghinagium ante domum et aream Gerardi Abbatis inter communem platem ex uno et inter hereditatem Willelmi de Gheldrop ex alio, supportaverunt Katherine filie quondam Huberti des Abts, relicte quondam Franconis Harinc.
2.R. 1210, f. 123v.: Gerardus filius Gerardi Claes soen de Groetel domistadium quondam Gibonis Knyff, situm in Buscoducis retro claustrum fratrum minorum prope parvum beginagium ante domum et aream Godefridi Abbatis inter communem plateam ex uno et inter hereditatem Willelmi de Geldrop ex alio, quod domistadium dictus Gerardus erga Arnoldum dictum de Beke, filium quondam Iohannis Jacops soen, acquisierat, prout in litteris, simul cum edificiis in eodem domistadio consistentibus; atque hereditarium censum quatuor librarum monete, quem magister Goeswinus filius quondam Henrici de Luyssel promiserat se daturum et soluturum Willelmo de Waderle hereditarie mediatim Andree apostoli et mediatim Pasche ex domistadio predicto, quem censum dictus Gerardus erga Katherinam filiam quondam Huberti des Abts, relictam quondam Franconis Herinc, acquisierat, prout in aliis litteris, supportavit Belie relicte quondam
37

later, op 4 december 1442, transporteerde Jan Jansz. van Tricht de huisplaats cum annexis aan Hendrik zoon van wijlen Goiart van den Broek.1 Hendrik droeg de huisplaats over aan Hendrik zoon van wijlen Jacob Schrijnmaker en deze laatste op 30 januari 1467 aan Jacob zoon van wijlen Hendrik van Hal.2 Jacob transporteerde het goed op 24 mei 1475 aan Dirk zoon van wijlen Gerit van Rode3 en deze op 18 februari 1484 aan Klaas Hendriksz. van Henxtem. De opgegeven belendingen waren helaas nog steeds dezelfde als in 1403.4

Overzicht bezitters

Gijb Knijf
mr. Goossen Hendriks. van Luissel (vóór 1403.11.15)
Aart Jan Jacobsz. van Beek >
Gerit Gerit Klaasz. van Grotel (van Erp) 1439.12.10 >
Belie weduwe Jan van Tricht en hun zoon Jan, vererving >
Jan Jansz. van Tricht 1442.12.04 >
Hendrik Goiartsz. van den Broek >
Hendrik Jacobz. Schrijnmaker 1467.01.30 >
Jacob Hendriksz. van Hal 1475.05.24 >
Dirk Geritsz. van Rode 1484.02.18 >
Klaas Hendriksz. van Henxtem

Stoofstraat achter en na 15?

Op 20 februari 1355 gaf Aart van Erp de helft van een kamer met toebehoren achter het Klein Begijnhof naast de kamer van Gerit van der Donk, van welke kamer de andere helft was geërfd door Dirk zoon van wijlen Aart Heymen, in cijns aan Dirk voor 10 schellingen cijns die uit de kamer betaald moeten worden en voor 35 schellingen uit de hele kamer, door Dirk aan Aart te betalen. De cijns van 35 schellingen is later aan het smedengilde gekomen en daarom bevinden bovenstaande
 Iohannis de Tricht et Iohanni filio Belie et quondam Iohannis predictorum.
1.R. 1213, f. 21: Iohannes filius quondam Iohannis de Trycht domistadium quondam Ghybonis Knijf, situm in Buscoducis retro claustrum fratrum minorum prope parvum beginagium ante domum et aream Godefridi Abbatis inter communem plateam ex uno et inter hereditatem Willelmi de Geldrop ex alio; insuper hereditarium censum quatuor librarum monete, solvendum hereditarie ex domistadio predicto, simul cum edificiis in eodem domistadio consistentibus, vendito? Bele relicte dicti quondam Iohannis de Trycht et primodicto Iohanni suo filio a Gerardo filio Gerardo dicti Claus soen de Grotel, prout in litteris, supportavit Henrico vanden Broeck, filio quondam Godefridi vanden Broeck.
2.R. 1236, f. 186v.: Henricus filius quondam Iacobi Screynmeker domistadium quoddam Gibonis Knijf, situm in Buscoducis retro claustrum fratrum minorum prope parvum beghinagium ante domum et aream Godefridi Abbatis inter communem platea ex uno et inter hereditatem Willelmi de Geldrop ex alio; insuper hereditarium censum quatuor librarum monete, solvendum hereditarie ex domistadio predicto, supportatos Henrico filio Iacobi Screynmeker ab Henrico vanden Broeck, filio quondam Godefridi vanden Broeck, prout in litteris, hereditarie supportavit Iacobo de Hall, filio quondam Henrici de Hall.
3.R. 1244, f. 319v.: Iacobus dictus de Hall, filius quondam Henrici dicti de Hall, domistadium quoddam Gibonis dicti Knijff, situm in Buscoducis retro claustrum fratrum minorum prope parvum beghinagium ante domum et aream Godefridi Abbatis inter communem plateam ex uno et inter hereditatem Willelmi dicti de Geldrop ex alio; insuper annuum et hereditarium censum quatuor librarum monete, solvendum anno quolibet hereditarie ex domistadio predicto, supportatos dicto Iacobo ab Henrico filio quondam Iacobi dicti Screynmeker, prout in litteris, simul cum edificiis in eodem domistadio nunc consistentibus, ut dicebat, hereditarie supportavit Theoderico filio quondam Gerardi de Roede.
4.R. 1253, f. 223v.: Theodericus die! Rode, filius quondam Gerardi de,! Rode, domistadium quoddam quondam Gibonis Knijff, situm in Buscoducis retro claustrum fratrum minorum prope parvum beghinagium ante domum et aream Godefridi Abbatis inter communem plateam ex uno et inter hereditatem Willelmi de Geldrop ex alio; insuper hereditarium censum quatuor librarum monete, solvendum anno quolibet hereditarie ex domistadio predicto, supportatos dicto Theoderico a Iacobi de Hall, filio quondam Henrici de Hall, prout in litteris, simul cum edificiis in dicto domistadio consistens, ut dicebat, hereditarie supportavit Nycolao filio quondam Henrici de Henxthem.
38

oorkonde en enkele andere akten zich in het archief van dit gilde.1 Op de rugzijde van de oorkonde van 20 februari 1355 staat: Dit is den consistensiebrief? van 35 schillinghen paiment, maeckt 12 ¼ st. after den kleynen baghynhof. --- In de Stoestrate? neffens het ingancsken.2 Zoals we gezien hebben, rustte deze cijns na de Middeleeuwen op het perceel Stoofstraat 15. Op 2 april 1405 werd de cijns verkocht en overgedragen aan Jan van Holten de smid en op 12 november 1408 droeg Frank zoon van wijlen Frank de Dekker alle goederen aan hem door zijn moeder Jutte, vrouw van Jan van Holten, vermaakt, over aan zijn stiefvader Jan van Holten. Deze verkocht en transporteerde de cijns op 29 april 1409 aan het Smedengilde.3 De helft van de kamer was op dat moment een huis op zich, toebehorend aan Jan van Holten en gelegen tussen erf van Aart Heer de vleeshouwer aan de ene zijde en tussen twee kamers van Jan van Holten aan de andere zijde, strekkend achter tot het erf dat van Daneel Roesmont was, nu aan Gerit Polslauwer toebehorend.4
In 1431 was deze kamer in het bezit van Herman Marselisz. de vleeshouwer. Zij was aan hem verkocht door Hubrecht van Herwijnen door middel van een schepenvonnis. Op dat moment was het een leeg erf van 18¼ voet breed, gelegen tussen erf van Margriet Spijker - waarschijnlijk ter plaatse van ht latere Postelstraat 47 -5 en tussen erf van Herman, strekkend van de openbare straat tot erf van Reinke Biekens. Herman droeg het erf op 17 maart van genoemd jaar over aan Klaas Loenman, die op dezelfde dag ten behoeve van Herman Marselisz. afstand deed van een tuintje achter het Klein Begijnhof tussen erf van Peter de Weert en erf van Herman, strekkend van erf van Klaas tot erf van
1.Ambachtsgilden 82 (Smedengilde).
2.De tekst van de oorkonde luidt: Arnoldus de Erpe medietatem cuiusdam camere ad se spectantem, site in Buschoducis retro parvum beghinagium contigue iuxta cameram Gerardi dicti van der Donc, cuius quoque camere predicte reliqua medietas ad Theodericum filium quondam Arnoldi dicti Heymen iure successionis hereditarie erat advoluta, ut ipse dicebat, cum attinentiis omnibus et singulis predicte medietatis camere supradicte, ut ipse dicebat, dedit ad annuum et hereditarium censum predicto Theoderico, ab eodem iure hereditario possidendam et habendam pro decem solidis annui et hereditarii census, qui de dicta camera solvendi sunt annuatim terminis in hiis debitis et consuetis, necnon pro annuo et hereditario censu trigintaquinque solidorum monete pro tempore solutionis huiusmodi census in Buschoducis ad bursam communiter currentis, dando et solvendo predicto Arnoldo a dictoa Theoderico anno quolibet hereditarie mediatim in festo nativitatis Domini et mediatim in festo nativitatis beati Iohannis Baptiste de integra camera antedicta, promittens Arnoldus predictus ut debitor principalis super se et bona sua omnia quod ipse dicto Theoderico de dicta medietate camere supradicte, ei ad censum ut dictum est data, debitam et iustam pro prescriptis censibus prestabit warandiam et quod omnem aliam obligationem in dicta medietate camere supradicte existentem eidem Theoderico deponent! omnino. Quo facto repromisit idem Theodericus ut debitor principalis super se et bona sua omnia se daturum et soluturum Arnoldo predicto predictum annuum et hereditarium censum trigintaquinque solidorum monete supradicte terminis predictis de dicta medietate camere supradicte ac de reliquis suis bonis singulis et universis, ubicumque locorum situatis, ut ipse dicebat.
 Testes interfuerunt scabini in Buschoducis Gheerlacus Rover et Henricus Steenwech.
 Datum feria sexta post diem beati Valentini martiris anno Domini millesimo CCCmo quinquagesimoquarto.
 a In het hs. tweemaal dicto.
3.Ibidem.
4.Iohannes dictus de Holten faber annuum et hereditarium censum trigintaquinque solidorum monete --- anno quolibet hereditarie mediatim in festo natvitatis Domini et mediatim in festo nativitatis beati Iohannis Baptiste ex medietate camere site in Buscoducis retro parvum beghinagium contigue iuxta cameram Gerardi dicti vander Donc, et ex attinentiis eiusdem medietatis camere predicte singulis et universis, quem censum dictus Iohannes erga Wijtmannum dictum vanden Eynde et Petrum eius fratrem, liberos quondam Iohannis dicti de Fine de Huculem, emendo acquisierant --- et que medietas nunc est una domus per se ad dictum Iohannem de Holten pertinens, sita inter hereditatem Arnoldi dicti Heer carnificis ex uno latere et inter duas cameras ad dictum Iohannem de Holten spectantes ex alio latere, tendens retro ad hereditatem que fuerat Danyelis Roesmont, nunc ad Gerardum dictum Polslauwer spectantem, ut dictus Iohannes dicebat, legitime et hereditarie vendidit Arnoldo dicto Snoec fabro ad opus gulde fabrorum in Buscoducis , supportavit dicto Arnoldo ad opus gulde predicte --- et effestucando resignavit. De minuut in R. 1186, f. 146.
5.Zie het verslag over het Klein Begijnhof.
39

Gerit Klaasz. van Grotel.1 Klaas Loenman ten slotte droeg op 1 april 1439 over aan Gerit Geritsz. van Grotel behalve de genoemde ‘helft van een kamer’:
  • een huis en erf in de straat van de Vughterstraat naar de Vismarkt – de Postelstraat dus – tussen het Klein Begijnhof en tussen erf van Peter Groetleeuwe, uitgezonderd een stukje erf aan Margriet natuurlijke dochter van Jan Gijskens, priester; en een cijns van vier pond uit genoemd huis en erf; Klaas had die goederen verkregen van Margriet;
  • een stukje land achter de minderbroeders tussen erf eertijds van Peter Vucht, later Aart Heerkens, en tussen een nieuwe muur, met de helft van die muur en zijn ondergrond en het gebruik van het toilet op dat stukje land; Klaas had dit verkregen van Reinke Slijkveger.2 Laatstgenoemd stukje erf was op 16 april 1422 door Liesbet Staessen, dochter van wijlen Gijb de Waal, aan Margriet natuurlijke dochter van Jan Gijskens, priester, getransporteerd, toen omschreven als een stukje erf van wijlen Aart Schade, later van Aleid van Eyck, bij het Klein Begijnhof tussen het hof aan de ene en tussen erf van Jan Petersz. Kousmeker en Simon van der Geest aan de andere zijde, strekkend van de openbare weg vóór het begijnhof naar het minderbroedersklooster, namelijk het stukje genomen uit genoemd erf dat gelegen is tussen het begijnhof en het erf van Jan Jansz. Kousmeker, strekkend van de stenen muur aldaar tot erf van Aart Heren, tegelijk met die muur en zijn ondergrond.3
Mogelijk ging het hierbij om verschillende percelen op en bij de noordwesthoek van de Stoofstraat met de Postelstraat. Later in dat jaar, op 10 december 1439, deed Van Grotel afstand van het hiervóór behandelde, waarschijnlijk oostelijk aangrenzende huis van Gijb Knijf.
1.R. 1201, f. 69 nw.: Hermannus Marselis zoen carnifex medietatem cuiusdam camere, que ad Arnoldum de Erpe spectabat, site in Buscoducis retro parvum beginagium contigue iuxta cameram Gerardi vander Donck, cuius quoque camere predicte reliqua medietas ad Theodericum filium quondam Arnoldi Heymen iure successionis hereditarie erat advoluta, cum attinentiis omnibus et singulis medietatis camere predicte, venditam dicto Hermanno a Huberto de Horwinen per iudicem mediante sententia scabinorum de Buscoducis, prout in litteris, et que medietas nunc area vacua esse dinoscitur et continet decem et octo pedatas et quartam partem unius pedate in latitudine, et sita est inter hereditatem Margarete Spyker ex uno et inter hereditatem dicti Hermanni ex alio, tendens a communi platea ad hereditatem Reynkini Byekens zoen, ut dicebat, in ea quantitate qua ibidem sita et palata est, ut dicebat, hereditarie supportavit Nycholao Loenman ---, cum condicione annexa si exinde plus fuerit solvendus quam hereditarius? (census) XXXV solidorum monete gulde sancti Eligii sive officio fabrorum in Buscoducis exinde solvendus, ut dicebat, hoc plus deponebit.
2.R. 1209, f. 68: Nycolaus Loenman domum et aream sitam in Buscoducis in vico tendente a vico Vuchtensi versus forum Piscium inter parvum beghinagium ex uno et inter hereditatem Petri Groetleeuwe ex alio, dempta tamen Margarete filie naturali domini quondam Iohannis Ghijskens presbiteri una particula aree predicte sita ibidem; insuper hereditarium censum quatuor librarum monete, solvendum hereditarie Purificationis ex domo et area predicta, quos domum, aream et censum, dicta particula dempta, dictus Nycolaus Loenman erga dictam Margaretam acquisierat, prout in litteris; insuper medietatem cuiusdam camere, que ad Arnoldum de Erpe spectabat, site in Buscoducis retro parvum beghinagium contigue iuxta cameram Gerardi vander Donc, quam medietatem predictam dictus Nycolaus Loenman erga Hermannum Marselis soen carnificem acquisierat, prout in aliis litteris; insuper particulam terre sitam in Buscoducis retro conventum fratrum minorum inter hereditatem dudum Petri Vucht, postea? Arnoldi Heerkens, ex uno et inter novum! murum ibidem prius? situatum ex alio, cum medietate eiusdem muri et eius fundi et cum pleno usu et fruitione cloace consistentis in dicta particula terre, quam particulam terre iamdictus dictus! Nycolaus Loenman erga Reyntkinum Slijcvegher acquisierat, prout in aliis litteris, hereditarie supportavit Gerardo de Grotel, filio Gerardi de Grotel.
3.R. 1192, f. 483v.: Elisabeth Staessen, filia quondam Gibonis die Wael, cum tutore, particulam hereditatis quondam Arnoldi Scaden, postmodum quondam Aleydis de Eyck, site in Buscoducis iuxta parvum beghinagium inter dictum beginagium ex uno et inter hereditatem Iohannis filii quondam Petri Kousmeker et Symonis vanden Geist ex alio, tendentem a communi vico tendentem! ante parvum beghinadium versus conventum fratrum minorum ad hereditatem Arnoldi Heeren, scilicet illam particulam dicte hereditatis seu sumptam de dicta hereditate, que particula sita est ibidem inter dictum beghinagium ex uno et inter hereditatem Iohannis filii quondam Iohannis Koûsmeker predicti ex alio, tendentem a quodam lapideo muro ibidem sito ad hereditatem Arnoldi Heren predicti, simul cum dicto muro et cum eius fundo, ut dicebat, hereditarie supportavit Margarete filie naturali quondam domini Iohannis Ghijskens presbiteri.
40

Overzicht bezitters

Dirk Aartsz. Heymen helft
Aart van Erp helft 1355.02.20 >
Dirk Aartsz. Heymen
Jan van Holten
schepenvonnis >
Hubrecht van Herwijnen >
Herman Marselisz. vleeshouwer 1431.03.17 >
Klaas Loenman 1439.04.01 >
Gerit Geritsz. van Grotel

Tot besluit

Het is duidelijk dat de middeleeuwse gegevens zich niet naadloos op die uit de zeventiende en achttiende eeuw laten leggen. In de Middeleeuwen was het aantal percelen aan de noordkant van de Stoofstraat groter dan daarna. Opvallend is vooral – zowel in de Middeleeuwen als daarna nog – het grote aantal ijzerbewerkers in deze omgeving: smeden, bussenmakers, slotenmakers, messenmakers, nagelmakers, sporenmakers, schedemakers, enzovoorts. Mogelijk houdt de aanwezigheid van een stoof, waar uiteraard brandstof voor nodig was, verband met de ovens en smidsvuren die toch al voor de ijzerbewerking aanwezig waren. Het wachten is op de resultaten van de opgravingen. Mogelijk kunnen hierna nog correcties en nuanceringen in dit verslag worden aangebracht.

Martin W.J. De Bruijn, Utrecht maart 2004
41