Intern verslag 115


Addenda Keizerstraat, Waterstraat en Mortel oostzijde

In het nu voorliggende verslag worden aanvullende gegevens verstrekt over de rand van de Mortel aan de noordzijde (Keizerstraat en Waterstraat) en het oostelijk deel van de Mortel zelf. Deze addenda waren noodzakelijk om twee redenen. In de eerste plaats bleken tal van gegevens in de index op het Bossche schepenprotocol van Smulders/Spierings op verkeerde plaatsen terechtgekomen te zijn. Verder werd het archief van het jezuïetenklooster geraadpleegd, dat vanaf 1609 ten zuiden van de Waterstraat werd gevestigd. In dit archief bevinden zich verschillende retroakten vanaf het begin van de vijftiende eeuw. Hieruit kwam vast te staan dat in de genoemde indexen tal van gegevens niet voorkwamen. Waarschijnlijk bevinden ze zich op nog niet getraceerde plaatsen. Het is dus - wellicht vooralsnog - niet mogelijk een tamelijk volledig beeld van de ontwikkeling van de Mortel te krijgen.
In het hiernavolgende worden de percelen in de Keizerstraat en de Waterstraat van west naar oost behandeld.

Westelijk deel Hof van Zevenbergen (Keizerstraat 12-16)

Bij het onderzoek naar de bebouwing van de Sint-Jorisstraat werden in de index onder deze straatnaam ook nog gegevens aangetroffen, die betrekking bleken te hebben op bebouwing aan de zuidzijde van de Keizerstraat en wel het westelijk deel van het latere Hof van Zevenbergen (Keizerstraat 12-14). De maker van de index, F. Smulders, is destijds misleid door de aanduidingen in de akten iuxta cappellam sancti Georgii en in oppositum capelle sancti Georgii (dus ‘bij de Sint-Joriskapel’ en ‘tegenover de Sint-Joriskapel’). Hij bracht de fiches ten onrechte onder bij die van de Sint-Jorisstraat in plaats van bij de Keizerstraat.
De aangetroffen gegevens, daterend tussen 1462 en 1490, vormen een aanvulling op de bezits- en bewoningsgeschiedenis van die periode. Zoals al in het vorige verslag werd vastgesteld, was het complex, bestaande uit de latere nummers Keizerstraat 12, 14 en 16, in het derde kwart van de vijftiende eeuw in het bezit van Gozewijn Heym. In 1454 werd hij tevens als bewoner van het oostelijk deel van het Hof van Zevenbergen (Keizerstraat 12) aangeduid.1
Aan de westkant kwamen op 1 oktober 1462 erven van Gerit Schilder(s) en Jan de Bie in het bezit van Zweder van Vianen, nadat Gozewijn Heym ze als ontvanger van de hertog wegen achterstallige betaling van de hertogcijns in beslag had genomen.2 Mogelijk lagen deze erven, die gesitueerd werden bij de Sint-Joriskapel, niet aan de straat maar naar de Mortel toe. Op 19 april 1463 droeg Zweder ze over aan Gijsbrecht de Kok.3 Diens dochter Liesbet trouwde met Gozewijn Heym en langs deze weg zijn ze in zijn bezit gekomen.
1.GAHt, R. 1225, fol. 150-150v.: Dominus Petrus de Hemert, abbas monasterii de Berna, ordinis Premonstraten­sis, domum ac mansionem dicti domini abbatis, sitas in Buscoducis apud pontem Lombardorum, prout de presente Goeswinus! (Heym)a inhabitat, inter heredita­tem Willelmi Dicbier, filii Iohannis, ex uno et inter aquam ibidem fluentem ex alio, cum omnibus edificiis et attinentiis dictarum domus et mansionis, prout ibidem site sunt et ad dictum dominum abbatem et eius monasterium spectare dinoscitur, ut dicebat, locavit vero? locationis modo Matheo de Boudranijs, ab eodem ad spatium duodecim annorum, festum nativitatis beati Iohannis proxime futurum sine medio sequentium, pro censu domini nostri ducis exinde e iure solvendo, dando ab eo? dicto spatio annorum durante terminis et locis ad hoc debitis et consuetis, promittens sub obligatione omnium bonorum dicti monasterii warandiam dicto spatio annorum durante et obligationem deponere. Testes, datum supra (= Arnoldus Berwout et Spiker. Datum xa octobris).
2.R. 1232, f. 252: Iacopus Peters soen hereditates Gerardi Scilders et Iohannis dicti die Bye, sitas in Buscoducis iuxta capellam sancti Georgii, quas dictus Iacobus erga Goeswinum Heym, receptoris domini ducis Burgundie et Brabantie propter defectum solutionis census fundi dicti domini nostri ducis acquisierat, prout in litteris sigillis dicti Goeswini receptoris et hominibus feodalibus ut videbatur sigillatarum dicebat contineri, hereditarie supportavit Zwedero dicto de Vyanen cum dictis litteris et iure, promittens super omnia et habenda ratum servare et obligationem et impetitionem ex parte sui deponere. Testes Hedel et Spiker. Datum prima octobris.
3.R. 1232, f. 385: Zwederus de Vyanen hereditates Gerardi Scilders et Iohannis die Bye, scabini! Buscoducensis, iuxta capellam sancti Georgii, quas dictus Zwederus erga Iacobum Peters soen acquisierat, prout in litteris, hereditarie supportavit Ghiselberto die Kock predicto ---. Testes, datum supra.
2

Op 28 september 1468 en 12 september 1469 verkocht Gozewijn cijnzen uit zijn ‘huis, erf en tuin’, gelegen tussen erf van de Bossche lombard Matheus Boudranijs aan de ene kant en erven van Ide Speldenmaker, Dirk de Visser en anderen aan de andere kant.1 Hierin zullen de zojuist genoemde erven wel opgenomen zijn geweest.
Na het overlijden van Gozewijn Heym vóór 7 januari 1471 vererfde het hele complex aan zijn weduwe en kinderen.2 Blijkens de recent gevonden aanvullende gegevens droeg zij op 12 augustus 1479 haar vruchtgebruik in twee vierde delen van alle goederen van haar overleden echtgenoot over aan hun beider zonen Jan en mr. Hendrik Heym. Hierbij werden het huis, erf en tuin nadrukkelijk vermeld.3 Ruim drie jaar later droeg zij nog haar vruchtgebruik in een vierde deel, welk vierde deel Hendrik van zijn vader geërfd had en daarna nog van zijn moeder zou erven, aan Hendrik over.4
In 1484 blijken beide broers in het bezit van het goed te zijn.5 Nadat zij het op 1 juli 1484 aan de lombard Pagant de la Valle hadden willen verhuren,6 verkochten zij het hem op 22 oktober van
1.R. 1237, f. 108v.: Goeswinus Heym hereditarie vendidit Romboldo Vilt de Os ad opus sui et ad opus Ermgardis Vilt, sue sororis, hereditarium censum decem aureorum florenorum communiter overlens Rijnsgulden --- solvendum hereditarie mediatim Pasche et mediatim Remigii --- de et ex domo, area et orto dicti venditoris, sitis in Buscoducis iuxta capellam sancti Georgii in Buscoducis inter hereditatem Mathei de Boudranijs ex uno et inter hereditatem Yde Spelmekers, Theoderici die Visscher et quorundam aliorum ibidem ex alio ---, tali condione annexa quod dictus census post obitum dicti Reymboldi emptoris et Ermgardis eius sororis amborum et non prius ad dictum venditorem si protunc vixerit in humanis, alioquin ad proximiores heredes dicti venditoris protunc in humanis agentes hereditario iure succedetet devolvetur ---. Datum xxviii septembris.
 R. 1237, f. 108v.: Goeswinus Heym hereditarie vendidit Romboldo Vilt de Os ad opus sui et ad opus Ermgardis Vilt, sue sororis, hereditarium censum decem aureorum florenorum communiter overlens Rijnsgulden --- solvendum hereditarie mediatim Pasche et mediatim Remigii --- de et ex domo, area et orto dicti venditoris, sitis in Buscoducis iuxta capellam sancti Georgii in Buscoducis inter hereditatem Mathei de Boudranijs ex uno et inter hereditatem Yde Spelmekers, Theoderici die Visscher et quorundam aliorum ibidem ex alio ---, talic condione annexa quod dictus census post obitum dicti Reymboldi emptoris et Ermgardis eius sororis amborum et non prius ad dictum venditorem si protunc vixerit in humanis, alioquin ad proximiores heredes dicti venditoris protunc in humanis agentes hereditario iure succedetet devolvetur ---. Datum xxviii septembris.
2.M.W.J. de Bruijn, ‘Magnus ortus’; het gebied de Mortel (Utrecht 2006) (intern rapport 114) 38-39.
3.R. 1248, f. 333: Domicella Elizabeth relicta quondam Goeswini Heym cum tutore usufructum sibi ut dicebat competentem in duabus quartis partibus quorumcumque bonorum, mobilium et immobilium, hereditariorum atque paratorum, in quibus dictus quondam Goeswinus decessit et eadem domicella Elizabeth suum possidet usufructum, ubicumque locorum consistentium, et precipue in duabus quartis partibus domus, aree et orti cum suis iuribus et attinentiis, sitorum in Buscoducis iuxta cappellam sancti Georgii inter hereditatem olim Mathei de Boudranis, nunc conventus de Tongerloe ex uno et fine uno et inter hereditatem Bernardi de Eerde ex alio, tendentium ad communem plateam cum reliquo fine; ook in twee vierde delen van een hoeve --- legitime supportavit dictis Iohanni et magistro Henrico ---. Datum xii augusti.
4.R. 1252, f. 376v.: Domicella Elizabeth relicta quondam Goeswini Heym cum tutore usufructum sibi ut dicebat competentem in quarta parte quorumcumque bonorum, mobilium et immobilium, hereditariorum et paratorum, in quibus dictus quondam Goeswinus decessit et eadem domicella Elizabeth suum possidet usufructum, ubicumque locorum consistentium, solvendorum ac recipiendorum, et precipue in quarta parte domus, aree et orti cum suis iuribus et attinentiis, sitis in Buscoducis iuxta cappellam sancti Georgii inter hereditatem olim Mathei de Boudranijs inter conventus! de Tongherloe ex uno et fine uno et inter hereditatem Bernardi de Eerde ex alio, tendentium ad communem plateam cum reliquo fine; en in het vierde deel van een hoeve in Boekel; in illa videlicet quarta parte premissorum que magistro Henrico filio domicelle Elizabeth et quondam Goeswini predictorum de morte dicti quondam Goeswini iure successionis hereditarie advoluta est ac eidem post mortem dicte domicelle Elizabeth advolvanda est, ut dicebat, legitime supportavit dicto magistro Henrico, et effestucando resignavit ---. Datum quinta octobris.
5.R. 1253, f. 54v.: Henricus Heym et Bertoldus Back promiserunt super omnia et habenda indivisi dicto Petro de Vladeracken (= filio quondam magistri Gerardi de Vladeracken, doctoris legum) quadringentos et sexaginta florenos Rijnenses --- ad Remigii confessoris proxime futurum persolvendos, tali condicione annexa quod si Iohannes et magister Henricus predicti domum, aream et ortum cum suis attinentiis dicti quondam Goeswini, sitos in Buscoducis in oppositum domus lombardorum ibidem infra hinc et festum nativitatis Iohannis Baptiste proxime ...? futurum vendiderint et pecunias exinde recipient, quod ipsi michi dictos iiiictos et lxa florenos solvent dicto Petro in dicto festo Iohannis proxime futuro. Testes, datum supra (= quinta maii).
6.R. 1253, f. 312: Iohannes Heym et magister Henricus Heym fratres, liberi quondam Goeswini Heym, domum, aream,
3

hetzelfde jaar. Pagant beloofde op straffe van een forse boete dat hij zijn beroep van lombard niet in het huis zou uitoefenen. Het complex werd als volgt omschreven: ‘huis, erf, achterhuizen en tuin (...) ongeveer tegenover de kapel van Sint-Joris ridder en martelaar, tussen erf van de heer abt van Tongerlo aan de ene en tussen erf van Berend van Eerde en erf van verschillende andere buren aldaar aan de andere zijde, strekkende van de openbare straat naar achteren tot aan erf van genoemde heer abt en van Peter de Borchgreve’.1
Pagant de la Valle transporteerde het complex vervolgens op 31 december 1490 aan Lambert Millinck,2 die het in 1495 of kort daarna overdroeg aan Cornelis van Bergen, heer van Zevenbergen.3 Deze mansio is dus in de veertiende en vijftiende eeuw steeds in het bezit geweest van vooraanstaande lieden. De geschiedenis ervan bleek sterk af te wijken van wat men er doorgaans over
 domum posteriorem et ortum cum omnibus suis iuribus et attinentiis dicti quondam Goeswini Heym eorum patris, nunc vero dictorum fratrum, sitos in Buscoducis in oppositum capelle sancti Georgii militis et martiris inter hereditatem domini abbatis de Tongerlo ordinis Premonstratensis ex uno et inter hereditatem Bernardi de Eerde ex alio, tendentes a communi vico ad hereditatem dictam den Mortel, quodam fossato ibidem interiacente, quemadmodum premissa ibidem sita sunt, ut dicebant, locaverunt recto locacionis modo Pagano dicto Pagante de la Valle lombardo, ab eodem ad spacium trigintaunius annorum nativitatis Iohannis Baptiste ultimo preterito sine medio sequentium, habendos et possidendos pro annuo redditu trigintaquinque aureorum florenorum Renensium --- nativitatis Iohannis Baptiste --- (volgen voorwaarden). Insuper condicionatum est inter easdem partes quod dictus Paganus nec alter quicumque nomine suo nec eciam de consensu eiusdem Pagani dicto spacio annorum durante aut interim in premissis hereditatibus non tenebunt tabulam lombardorum aut questus eorundem non exercent ibidem, et in casu quo dictus Paganus aut alter nomine suo ut premittitur de premissis transgressionem fecerit, quod extunc etcetera ut infra ---. Datum prima iulii.
 De boetebepalingen volgen hieronder, maar de akte is niet afgewerkt. In de kantlijn staat: Iste contractus sub tali forma non habebit progressum.
1.R. 1254, f. 150v.-151: Iohannes Heym et magister Henricus Heym fratres, liberi quondam Goeswini Heym, domum, domos posteriores et ortum dicti quondam Goeswini Heym, eorum patris, nunc vero dictorum fratrum, sitos in Buscoducis quasi in oppositum capelle sancti Georgii militis et martiris inter hereditatem domini abbatis de Tongerloe ex uno et inter hereditatem Bernardi de Eirde necnon inter hereditatem quorundam aliorum vicinorum ibidem, fossato quodam ibi retro interiacente, ex alio, tendentes a communi vico retrorsum usque ad hereditatem dicti domini abbatis et Petri die Borchgreve --- hereditarie vendidit Pagano de Valle ---, exceptis censu fundi domino nostro duci, hereditariis censibus decem et viginti solidorum monete dominis decano et capitulo ecclesie sancti Iohannis evangeliste et hereditario censu trium librarum monete maiori infirmarie maioris ecclesie beginarum in Buscoducis annuatim exinde e iure solvendis ---. Testes, datum supra (= xxii octobris).
 Notum sit universis quod cum ita actum fuisset, constitutus igitur coram scabinis infrascriptis dictus Paganus palam recognovit et sub obligatione domus, aree, domorum posteriorum, orti et suorum iurum et attinentium predictorum dictis fratribus promisit quod idem Paganus aut nullus alius nomine suo nec alter, quicumque fuerit, in premissis hereditatibus nullo tempore futuro tenebunt aut teneri facient, tenebit seu teneri faciet eorum alter, tabulam lombardorum nec questus eorundem ibidem sumant? seu permittant quoquomodo, et in casu quo aliquis desuper in contrarium inventus fuerit, quod extunc idem transgressor qualibet vice sue transgressionis ac tociens quociens id contigerit absque aliqua remissione luet? et intrariet? penam centum aureorum denariorum leeuwen communiter vocatorum monete olim domini Philippi, dum vixerat Bourgoendie et Brabantie ducis, pro una domino nostro duci, pro alia pauperibus maioris hospitalis in Buscoducis pro tempore et pro 3a 3iis partibus dictis fratribus, si vixerint aut vixerit eorum alter in humanis, alioquam suis veris et proximioribus heredibus et successoribus protunc in humanis agentibus realiter applicandorum ---. Datum xxiia octobris.
 ---.
 Paganus de Lavalle promisit super omnia et habenda Iohanni Heym et magistro Henrico Heym fratribus --- 400 gulden op Maria Lichtmis naastkomende. Datum xxii octobris.
2.R. 1260, f. 159v.: Paganus de Lavalle domum et aream, domos posteriores et ortum olim Goeswini Heym, dehinc vero Iohannis Heym et magistri Henrici Heym fratrum, suorum filiorum, sitos in Buscoducis quasi in opposito capelle sancti Georgii militis et martiris inter hereditatem domini abbatis de Tongerloe ex uno et inter hereditatem Bernardi van Eerde necnon inter hereditatem quorundam aliorum vicinorum ibidem, fossato quodam ibi retro interiacente, ex alio, simul cum iuribus et attinentiis premissorum singulis et universis, pridem venditos dicto Pagano a Iohanne Heym et magistro Henrico Heym fratribus predictis, prout in litteris, hereditarie supportavit Lamberto Myllinck ---, exceptis tamen hereditariis censibus vigintiquinque et septuagintaquinque librarum monete, quos census dictus Paganus ad opus pauperum maioris hospitalis in Buscoducis dare et solvere necnon infra spacium certorum annorum redimere et acquitare promiserat iuxta continentiam quarundam litterarum desuper confectarum ---. Datum ultima decembris.
3.Zie De Bruijn, ‘Magnus ortus’, 39.
4

in de literatuur aantreft.

Aanvulling bezitters en overdrachtsdata:
Liesbet weduwe Gozewijn Heym 2/4 vruchtgebruik 1479.08.12 >
hun zonen Jan en mr. Hendrik
Liesbet weduwe Gozewijn Heym 1/4 vruchtgebruik 1482.10.05 >
mr. Hendrik Heym
Jan en Hendrik Heym 1484.10.22 >
Pagant de la Valle 1490.12.31 >
Lambrecht Millinck 1495-vóór 1497.09.13 >
Cornelis van Bergen, heer van Zevenbergen

Oost of west?

Op 16 november 1433 maakten Aart en Zeinse kinderen van wijlen Ingram van Deurne een deling. Hierbij vielen aan Zeinse ten deel:
  • een huis en erf in de Mortel tussen erf van Gudeld weduwe van Willem Aart Tielkens en tussen onderstaand stukje erf en erf van wijlen Aart Noude;
  • een stukje erf naast het genoemde huis en erf aan de ene zijde en tussen erf van Mathijs Brouwer (= Van Oyen of Van Teeffelen) aan de andere zijde;
  • de helft van een tuin van wijlen Ingram in de Mortel over het water, namelijk de helft gelegen naar het water toe;
  • een beemd.
Aan Aart vielen ten deel:
  • een huisje met zijn ondergrond en een tuintje tegenover het eerstgenoemde huis;
  • de andere helft van de bovengenoemde tuin gelegen naar de Beurdsestraat toe;
  • vier morgen land en een cijns.1
1.R. 1204, f. 136v.: Arnoldus et Zeynsa, liberi quondam Yngrami de Doerne, cum tutore, palam recognoverunt se divisionem hereditariam mutuo fecisse de quibusdam bonis ad se ut dicebant spectantibus.
Mediante qua divisione quedam domus et area sita in Buscoducis in loco dicto inden Mortel inter hereditatem Guedeldis relicte quondam Willelmi Arnoldi Tyelkini ex uno et inter quandam particulam hereditatis infrascriptam et hereditatem quondam Arnoldi Noyde ex alio; insuper iamdictam particulam hereditatis contigue iuxta iamdictam domum et aream consistentem ex uno et inter hereditatem Mathye Braxatoris ex alio, dempto iure utendi quadam via ibidem ordinata in iamdicta particula hereditatis a communi via ibidem existente usque ad quandam cloacam ibidem supra communem aquam consistentem, necnon dempto iure utendi iamdicta cloaca, que iura pertinere tenebuntur ad quamdam aliam domum et aream ibidem sitam in porcione sequente conscribendam; insuper medietas cuiusdam orti dicti quondam Yngrami sitam ibidem in dicto loco die Mortel vocatam! ultra communem aquam ibidem fluentem, videlicet dividendo dictum ortum in duas partes equales per eius latitudinem, videlicet illa medietas que sita est versus dictam communem aquam, dempto tamen (de)a dicta medietate iure utendi quadam via, novem pedatarum in latitudine sumenda de dicta medietate orti predicti versus hereditatem Luytgardis filie quondam Arnoldi de Beke, quod ius iamdictum pertinere tenebitur ad reliquam medietatem eiusdem orti infrascriptam; en een beemd, prout in litteris, simul cum iure utendi quadam porta et via ac ponte ibidem consistente similiter aliis hominibus ius in eisdem habentibus, dicte Zeynse cesserunt in partem ---.
Et mediante qua divisione quedam domuncula cum suo fundo et quidam ortulus eidem coadiacens, sita ibidem in dicto loco die Mortel vocato, in opposito primodicte domus et aree, simul cum iure utendi primodicta via et cloaca; insuper reliqua medietas secundodicti? orti ibidem consistentis ultra dictam aquam, videlicet illa medietas dicti ortique sita est versus vicum dictum die Boertschestraet, simul cum iure utendi supradicta via novem pedatarum in supradicta alia medietate eiusdem orti, necnon cum iure utendi dictis porta, via et ponte ibidem consistente ut prefertur aliis hominibus ius in eisdem habentibus en vier morgen land; item hereditarius census trium librarum et quindecim solidorum monete, quem censum Arnoldus filius quondam Gerisii de Os promiserat se daturum et soluturum quondam Yngramo predicto hereditarie mediatim nativitatis Domini et mediatim nativitatis beati Iohannis Baptiste ex quodam domistadio sito in Buscoducis iuxta pontem dictum die Lombartschebrugge, quod domistadium dictum Arnoldum filium quondam Gerisii erga dictum Yngramum pro dicto censu ad censum acquisierat, prout in litteris, dicto Arnoldo filio Yngrami cesserunt in partem ---
(volgen voorwaarden). Datum xvi novembris.
 a Dit woord ontbreekt.
5

Peter en Luitgard kinderen van Zeinse en van Hendrik Schelleken en Jan Berend van Overmeer als man van Geertruid dochter van Jan Watermaal en van Zeinse maakten op 11 maart 1443 een deling. Hierbij kreeg Luitgard het hierboven genoemde huis en erf en het stukje erf en Jan Berendsz. van Overmeer de helft van de tuin naar het water toe.1
Luitgard verkocht het huis en het stukje erf op 30 oktober 1447 aan haar broer Peter en Jan Berendsz. van Overmeer,2 die het vervolgens verkochten aan Aart Ingramsz. van Deurne. Deze droeg het goed op 14 december 1463 over aan Gerit Gerit Batenz. Er was nu sprake van de huisplaats van een vroeger huis en erf.3 Toen Gerit zoon van wijlen Gerit Gerit Batenz. het complex op 18 februari 1490 overdroeg aan Hendrik Loden, stond er weer bebouwing op.4 De erfgenamen van Hendrik
1.R. 1213, f. 65v.: Petrus et Luytgardis eius soror, liberi quondam Henrici Scelleken, ab eodem quondam Henrico et quondam Zeynsa filia quondam Yngrami de Doerne pariter geniti, et Iohannes filius quondam Bernardi van Overmeer, maritus et tutor legitimus ut asserebat Gertrudis sue uxoris, filie quondam Iohannis Watermael, ab eodem quondam Iohanne et dicta quondam Zeynsa pariter genite, ut dicebant, palam recognoverunt se quandam divisionem hereditariam mutuo fecisse de quibusdam bonis ad se ut dicebant spectantibus.
Mediante qua divisione domus et area sita in Buscoducis in loco dicto inden Mortel inter hereditatem Guedeldis relicte quondam Willelmi filii Arnoldi Tyelkini ex uno et inter quandam particulam hereditatis infrascriptam et hereditatem quondam Arnoldi Noeyde ex alio; insuper iamdicta particula hereditatis contigue iuxta iamdictam domum et aream consistentem ex uno et inter hereditatem Mathye Braxatoris ex alio, dempto iure utendi quadam via ibidem ordinata in iamdicta particula hereditatis, a communi via ibidem existente usque ad communem cloacam ibidem supra aquam ibidem consistentem, necnon dempto iure utendi iamdicta cloaca, que iura pertinere tenebuntur ad quamdam aliam domum et aream ibidem sitam, ad Arnoldum filium dicti quondam Yngrami spectantem, ut dicebat, dicte Luytgardi cesserunt in partem ---.
Et mediante qua divisione medietas cuiusdam orti dicti quondam Yngrami, sito ibidem in dicto loco die Mortel vocato ultra communem aquam ibidem fluente, videlicet dividendo dictum ortum in duas partes equales per eius latitudinem, illa videlicet medietas que sita est ibidem versus dictam communem aquam, dempto tamen de dicta medietate iure utendi quadam via, novem pedatarum in latitudine continente sumenda? de dicta medietate orti predicti versus hereditatem Luytgardi filie quondam Arnoldi de Beke, quod ius iamdictum pertinere dinoscitur ad hereditatem Arnoldi filii dicti quondam Yngrami ibidem situatam, ut dicebat, dicto Iohanni filio quondam Bernardi tamquam marito et tutori sue uxoris predicte cesserunt in partem ---.
Datum supra (= xi martii, 2a post Invocavit).

2.R. 1218, f. 210v.: Luytgardis filia quondam Henrici Scelleken cum tutore domum et aream sitam in Buscoducis in loco dicto inden Mortel inter hereditatem Guedeldis relicte quondama Willelmi filii Arnoldi Tielkini ex uno et inter quandam particulam hereditatis infrascriptam et inter hereditatem quondam Arnoldi Noyde ex alio; insuper iamdictam particulam hereditatis contigue iuxta dictam domum et aream consistentem ex uno et inter hereditatem quondam Mathie Braxatoris, nunc heredum eius, ex alio, dempto tamen iure utendi quadam via ibidem ordinata in iamdicta particula hereditatis a communi via ibidem existente usque ad communem cloacam ibidem supra aquam consistentem necnon dempto iure utendi iamdicta cloaca, que iura predicta pertinere tenebantur ad quandam aliam domum et aream ibidem sitam, ad Arnoldum filium quondam Yngrami de Doernen spectantem, ut dicebat, hereditarie vendidit Petro suo fratri, filio dicti quondam Henrici Scelleken, et Iohanni filio quondam Bernardi van Overmeer ---, salvis dicte Luytgardi suis pensionibus sibi a dictis Petro et Iohanne hodierna die premissis ---. Datum xxx octobris.
 a In het hs. tweemaal relicte quondam.
3.R. 1233, f. 150: Arnoldus filius quondam Yngrami de Doernen domistadium olim domus et aree, situm in Buscoducis in vico dicto inden Mortel inter hereditatem Guedeldis relicte quondam Willelmi filii quondam Willelmi Arnoldi Tielkini ex uno et inter quandam particulam hereditatis infrascriptam et inter hereditatem quandam Arnoldi Noyde ex alio; insuper iamdictam particulam hereditatis contigue iuxta dictam domum et aream consistentem ex uno et inter hereditatem quondam Mathie Braxatoris, nunc heredum eius, ex alio, quas domum, aream et particulam hereditatis predictas, demptis iuribus infrascriptis, dictus Arnoldus filius quondam Ygrami de Doernen erga Petrum filium quondam Henrici Scelleken et Iohannem filium quondam Bernardi de Overmeer acquisierat, prout in litteris, simul cum iure utendi quadam via ibidem ordinata in iamdicta particula hereditatis a communi via ibidem tendente usque ad communem cloacam ibidem supra aquam existentem necnon cum iure utendi iamdicta cloaca, que iura predicta pertinere consueverat ad quandam aliam domum et aream ibidem sitam ad dictum Arnoldum spectantem, ut dicebat, hereditarie supportavit Gerardo Bathen soen, filio quondam Gerardi ---. Datum xiiii decembris.
4.R. 1259, f. 257-257v.: Dictus Gerardus (= Gerardus filius quondam Gerardi, filii quondam Gerardi dicti Bathen soen) domistadium olim domus et aree site in Buscoducis in vico dicto in den Mortel inter hereditatem Guedeldis relicte quondam Willelmi Arnoldi Tielkini ex uno et inter quandam particulam hereditatis infrascriptam et inter hereditatem quondam
6

Loden droegen het op 19 juni 1499 over aan Jan
Jansz. Kanapart.1

Bezitters van het huis en stukje erf:
Aart en Zeinse kinderen van Ingram van Deurne bij deling >
Zeinse
haar erfgenamen 1443.03.11 >
Luitgard van Zeinse en van Hendrik Schelleken 1447.10.30 >
haar broer Peter Hendrik Schelleken en Jan Berendsz. van Overmeer >
Aart Ingramsz. van Deurne 1463.12.14 >
Gerit Gerit Batenz.
zijn zoon Gerit 1490.02.18 >
Hendrik Loden
zijn erfgenamen 1499.06.19 >
Jan Jansz. Kanapart
Bij deze bezittingen ging het om percelen ten westen van de straat De Mortel.2

De ene helft van de helft van de tuin, die eerst aan Zeinse toeviel, kwam bij deling van 11 maart 1443 aan Jan Berendsz. van Overmeer.3 Op 31 oktober 1454 droeg hij haar over aan Aart Ingramsz. van Deurne,4 die hiermee weer de helft van de tuin in zijn bezit had.

Op 14 december 1463 verkocht Aart Ingramsz. van Deurne goudsmid onder meer de huisplaats van een huis in de Mortel aan Gerit Gerit Batenz.5 Dat hij hier nog bebouwing behield, blijkt uit enkele schepenakten. Op 5 april 1474 beloofde hij aan Geertruid weduwe van Jan Berendsz. van Overmeer
 Arnoldi dicti Noyden ex alio; insuper iamdictam particulam hereditatis contigue iuxta dictam domum et aream consistentem ex uno et inter hereditatem quondam Mathie Braxatoris, nunc heredum eius, ex alio, simul cum iure utendi quadam via ibidem ordinata in iam dicta particula hereditatis a communi via ibidem tendente usque ad communem cloacam ibidem supra aquam existente, nec non cum iure utendi iam dicta cloaca, que domistadium et iura predicta Gerardus dictus Bathensoen, filius quondam Gerardi, erga Arnoldum filium quondam Yngrami dicti de Doernen acquisierat, simul cum edificiis nunc desuper consistentibus, ut dicebat, hereditarie supportavit dicto Henrico Loeden ---. Datum xviii februarii.
1.R. 1267, f. 389: Dicti omnes ut iam supra (= Elisabeth relicta quondam Henrici Loden, domicella Heilwigis relicta quondam magistri Gerardi Boest, filia quondam Arnoldi Dicbier, Hermannus, Henricus et Willelmus fratres, liberi quondam Willelmi de Os, ab eodem et quondam domicella Mechtelde eius uxore pariter genitis) domistadium olim domus et aree, situm in Buscoducis in vico dicto inden Mortel inter hereditatem Guedeldis relicte quondam Willelmi Arnoldi Tielkini ex uno et inter quandam particulam hereditatis contigue iuxta dictam domum et aream consistentem ex uno et inter hereditatem quondam Mathie Braxatoris, depost heredum eius, ex alio, simul cum iure utendi quadam via ibidem ordinata in iamdicta particula hereditatis, a communi via ibidem tendente usque ad communem cloacam ibidem supra aquam existentem necnon dempto iure utendi iamdicta cloaca, simul cum edificiis nunc desuper consistentibus, que domistadium et iura predicta simul cum dictis edificiis dictus Henricus Loden erga Gerardum filium quondam Gerardi filii quondam Gerardi dicti Bathen zoen dudum acquisierat, prout in litteris, hereditarie supportaverunt dicto Iohanni Kanapart (= filio Iohannis), simul cum dictis litteris, aliis, instrumento et iure ---. Testes, datum supra (= xixa iunii).
2.Zie het verslag ‘Magnus ortus’, 16-22.
3.R. 1213, f. 65v.
4.R. 1225, f. 157v.: Iohannes filius quondam Bernardi de Overmeer, tutor et maritus ut dicebat Gertrudis sue uxoris, filie quondam Iohannis Watermael, ab eodem quondam Iohanne et Zeynsa filia quondam Ingrami de Doernen pariter genite, medietatem cuiusdam orti olim dicti quondam Ingrami, siti in Buscoducis in loco dicto communiter dicto Mortel ultra communem aquam ibidem fluentem, videlicet dividendo dictum ortum in duas partes equales per eius latitudinem, illam scilicet medietatem dicti orti que sita est versus dictum communem aquam, dempto tamen de dicta medietate orti predicti iure utendi quadam via novem pedatarum in latitudine continente, sumenda de dicta medietate orti predicti versus hereditatem Luytgardis filie quondam Arnoldi de Beke, quod ius iamdictum pertinere dinoscitur ad hereditatem Arnoldi filii dicti quondam Ingrami ibidem situatam, que medietas orti predicti, dicto iure utendi via predicta dempto, primodicto Iohanni mediante quadam divisione hereditaria hereditario iure et suos in hoc coheredes cessit in partem, prout in litteris dicebat contineri, legitime et hereditarie supportavit Arnoldo filio dicti quondam Ygrami de Doernen ---. Datum ultima octobris.
5.R. 1233, f. 150. Zie hiervóór.
7

en haar kinderen een cijns uit onder meer drie huizen en erven in de Mortel tussen erf van Jan Lodewijksz. van Kraandonk en erf van Agnes weduwe van Gijsbrecht Lisschop, strekkende van de straat tot erf van de erfgenamen van Pauwels van Haastrecht, heer van Venloon.1 In 1481 werd gesproken van drie kameren of woningen.2 Op 9 augustus 1482, toen Aarts weduwe een cijns verkocht, werd weer gesproken van drie huizen en erven.3
Uit deze laatste gegevens kan worden afgeleid dat het hier om bebouwing ging ten oosten van de straat De Mortel, zoals ook uit het hierna volgende zal blijken.

De Waterstraat

Het archief van het jezuïetenklooster, dat zich vanaf 1609 in het gebied ten zuiden van de Waterstraat heeft gevestigd, leverde als gezegd een aantal aanvullende gegevens op. Het betrof hierbij percelen aan de zuidkant van de Waterstraat en in het oostelijk deel van de Mortel.

Aan de zuidzijde van de Waterstraat van west naar oost (hierna genummerd vanaf A tot en met G):
1.R. 1243, f. 243.: Geertrudis relicta quondam Iohannis Beernts soen van Overmeer cum tutore usufructum sibi ut dicebat competentem in quibuscumque bonis mobilibus et immobilibus, hereditariis atque paratis, que bona Censa dicta Zeyns, filia legitima quondam magistri Iohannis Pistorem? de Os, begina maioris curie beginarum in opido de Buscoducis, dicte Geertrudi prius? ad eius usufructum necnon prolibus Geertrudis et quondam Iohannis Beernts soen ad ius hereditarium in testamento seu ultima voluntate dicte quondam Ceynse legaverat et reliquerat, ut videbatur in instrumento publico contineri, legitime supportavit Bernardo, Yngramo et Iohanni fratribus, liberis Geertrudis et quondam Iohannis Beernts soen predictorum ---. Datum quinta aprilis, 3a post dominicam Palmarum.
Notum sit universis quod cum ita (actum)a fuisset, constituti igitur coram scabinis infrascriptis dicti fratres premissa bona hereditarie supportaverunt Arnoldo filio quondam Yngrami de Doernen aurifabro ---. Testes, datum supra.
Dictus Arnoldus promisit dicte Geertrudi et eius tribus liberis quod ipse dabit et solvet eidem Geertrudi quoadvixerit in humanis et post eius decessum dictis liberis hereditarium censum vigintisex librarum monete anno quolibet hereditarie Purificationis de et ex tribus domibus et areis ac earum iuribus et attinentiis, sitis in Buscoducis ad locum dictum den Mortel inter hereditatem Iohannes de Craendonc, filii Lodovici, ex uno et inter hereditatem Agnetis Lysscop, relicte quondam Giselberti Lysscop, ex alio, tendentibus a communi vico retrorsum ad hereditatem olim domicelli Pauli de Haestrecht, domini temporalis de Venloen, nunc eius heredum; insuper ex medietate ad dictum Arnoldum ut dicebat spectantem in quadam hereditate ibidem ultra aquam fluentem sita, dicta den Mortel, ex illa scilicet medietate que sita est versus occidentem ---. Testes, datum supra.

 a Dit woord ontbreekt.
2.R. 1250, f. 347v.: Arnoldus filius quondam Yngrami de Doernen aurifaber hereditarie vendidit Henrico vander Aafoort, filio quondam Henrici, hereditarium censum sex librarum monete, solvendum anno quolibet hereditarie nativitatis Iohannis Baptiste de et ex tribus cameris aut mansionibus cum earum fundis et attinentiis eiusdem venditoris sibi immediate adiacentibus, sitis in Buscoducis ad locum dictum inden Mortell contigue iuxta domum et aream olim Iohannis de Craendonck, nunc fratrum bagardorum in Buscoducis, ex uno et inter hereditatem Marcelii Lysscop calcificis ex alio; insuper ex orto eiusdem Arnoldi sito ultra fossatum ibidem in loco dicto inden Mortel, quemadmodum idem ortus ibidem situs est ---. Datum sexta iulii.
3.R. 1251, f. 614: Mechteldis relicta quondam Arnoldi filii quondam Ygrami de Doernen, potens ad hoc vigore testamenti dicti quondam Arnoldi ut apparebat, cum tutore, hereditarie vendidit domino Henrico Poynenborch, presbitero, filio quondam Iohannis, et Laurencio filio Elye Huben, hereditarium censum sex florenorum Renensium --- hereditarie Baptiste de et ex tribus domibus et areis sitis in Buscoducis in viculo seu loco dicto die Mortel inter hereditatem olim Iohannis de Craendonck ex uno et inter hereditatem Marselii die Schoemeker ex alio, tendentem a dicto viculo ad hereditatem domicelli de Loen ---. Testes, datum supra (= ix augusti).
8

Waterstraat 20 (A)

In 1419 was hier sprake van een ‘huisplaats’, die op 12 juli van dat jaar door Ingram Robbrechtsz. van Deurne ten erfelijke cijns werd gegeven aan Aart Gerisz. van Oss. Als voorwaarden werden hieraan toegevoegd dat Aart niet mocht bouwen aan het eind van de huisplaats naar het erf van Ingram toe tot een ruimte van elf voet en dat Ingram vóór langs de straat kon bouwen naast de huisplaats en zijn ‘stijlen’ - is poortposten - naast de op de huisplaats te zetten bebouwing mocht plaatsen. Verder mocht deze bebouwing afwateren op het overige erf van Ingram en de bebouwing van Ingram aan het eind van de huisplaats mocht afwateren op die huisplaats.1 De verdere geschiedenis van dit perceel is te vinden in mijn verslag ‘Magnus ortus’, 9-11.
Ter aanvulling hiervan : op de rugzijde van de orginele akte van 20 juli 1500, waarin Jan Sebastiaan Willem Noyens een cijns uit het goed verkocht, staat onder meer: Verscheyde brieven mentionerende van twee huyskens oft wooningen staende inde Waterstraet naest de huysinge mr. Robbert de Cock.2 In een akte van 14 juni 1511, toen het goed nog op naam stond van Jan Sebastiaan Noyens, wordt echter nog gesproken van huis, erf en tuin bij de Lombardsbrug tussen erf van Jan Pijnappel en de openbare straat geheten den Mortel.3 Kennelijk zijn er dus later twee huisjes voor in de plaats gebouwd.

Waterstraat (B)

Op 7 december 1383 gaf Aart van Beek aan Reinier Zegersz. van Vught voor de hertogcijns en een cijns van vijf pond ten erfelijke cijns een kamer met haar ondergrond in de straat van de Loefsbrug naar de Koningsbrug tussen erf van Jan Venneken en erf van de uitgever. De kamer met haar ondergrond was vóór aan de straat 25½ voet (= ruim 7 meter) en achter 20½ voet breed en 63 1/3 voet lang. Hieruit blijkt dat de term ‘met haar ondergrond’ meer kan omvatten dan alleen de ondergrond van de kamer. Men kan zich immers moeilijk voorstellen dat de oppervlakte van de kamer even groot was als het zojuist omschreven perceel. Aan de westzijde grensde de kamer aan een
1.BHIC, Jezuïeten 77 (reg. 8). Twee exemplaren, door mij a en b genoemd. Bewerkt naar b. Op de rugzijde van a onder meer: Fiat vidimus et tradatur Henrico Bloemart qui promisit super omnia tradere Iohanni filio quondam Iohannis Huben. Testes Ia. et Lu. Datum (doorgehaald: sexta) octava iunii. Thuys by den Mortel.
 Op de rugzijde van b onder meer: iiii lib. vi scillinc? min? die Henric Croywagen ghilt.
 Yngramus filius quondam Robberti dicti van Doerne quoddam domistadium situm in Buscoducis iuxta pontem dictum die Lombartschebrugge inter quandam viam sumptam de hereditate dicta die Mortel ex uno latere et inter hereditatem Agathe dicte Postkens ex alio latere, tendens a communi platea ad hereditatem dicti Yngrami, et quod domistadium ante iuxta dictam plateam continet decem et sex ac dimidiam pedatas in latitudine et retro iuxta dictam hereditatem eiusdem Yngrami, decem pedatas et tres quartas partes unius pedate in latitudine continens et sexagintaseptem et dimidiam pedatas minus uno pollice in longitudine, ut ipse dicebat, dedit ad annuum et hereditarium censum Arnoldo filio quondam Gerisii dicti de Os, ab eodem Arnoldo hereditario iure habendum et possidendum pro annuo et hereditario censu trium librarum et quindecim solidorum monete ---, dando et solvendo dicto Yngramo half met Kerstmis en half op Sint-Jan de Doper, talibus condicionibus annexis quod dictus Arnoldus non poterit edificare in fine eiusdem domistadii versus hereditatem dicti Yngrami ad spacium undecim pedatarum et quod dictus Yngramus ante iuxta plateam poterit edificare contigue iuxta dictum domistadium et suos stilos ponere contigue iuxta edificia supra dictum domistadium edificanda, salvo tamen quod edificia ibidem supra dictum domistadium edificanda stillabunt supra reliquam hereditatem Yngrami predicti ibidem consistentem, et quod edificia edificanda supra reliquam hereditatem dicti Yngrami in fine dicti domistadii similiter stillabunt supra dictum domistadium ---. Datum duodecima die mensis iulii anno Domini millesimo quadragesimo decimonono.
2.BHIC (Brabants Historisch Informatie Centrum, het voormalige Rijksarchief in Noord-Brabant), Jezuïeten (jezuïetenklooster in ’s-Hertogenbosch) 89 (regest 79).
3.BHIC, Jezuïeten 78 (reg. 87): Notum sit universis quod cum Iohannes filius quondam Sebastiani Noyens hereditarie vendidisset Iacobo filio quondam Iacobi Nollens hereditarium censum quatuor librarum monete --- in festo Pentecostes ex domo, area et orto, sitis in Buscoducis iuxta pontem dictum Lombaerts brugge inter hereditatem Iohannis Pijnappel ex uno latere et inter communem plateam dictam den Mortel ex alio latere ---, constitutus igitur coram scabinis infrascriptis dictus emptor palam recognovit et --- dicto venditori repromisit quod idem venditor redimere et acquitare poterit met 24 peters ---. Datum decimaquarta die mensis iunii anno Domini millesimo quingentesimo undecimo.
9

stenen muur van Aart van Beek.1
Op 31 oktober 1394 verkocht Aart van Beek drie van de vijf pond cijns terug aan Reinier;2 de resterende twee pond droeg hij op 12 november 1394 over aan zijn zoon Hendrik,3 die ze op 20 februari 1403 transporteerde aan het Bossche Rijke-Clarenklooster.4
1.R. 1176, f. 329v.: Arnoldus de Beke, filius naturalis etcetera, quandam cameram cum suo fundo, sitam in Buscoducis in vico tendente a ponte dicto Loefbrugge versus pontum dictum des Conincs brugge inter hereditatem Iohannis dicti Venneken ex uno et inter hereditatem dicti Arnoldi ex alio, et que camera cum eius fundo continet ante iuxta dictum vicum xxv pedatas et retro xx et dimidiam pedatas in latitudine, continens in longitudine lxiii pedatas et terciam partem unius pedate, mensurando eciam in premissis medietatem parietis lapidei consistentis inter dictam cameram et inter cameram primodictia Arnoldi, simul cum medietatibus parietum consistentium ab utroque latere dicte camere, scilicet cum illis? medietatibus que site sunt versus dictam cameram, ut dicebat, dedit ad hereditarium censum Reynero dicto Zeghers soen de Vucht --- pro uno grosso antiquo domino duci exinde solvendo ...? atque pro hereditario censu quinque librarum monete dando sibi ab eo hereditarie mediatim Domini et mediatim Iohannis --- condicione annexa quod dicti Arnoldus et Reynerus parietem consistentem inter dictam cameram et etiam dictam hereditatem dicti Arnoldi perpetue in bona dispositione similiter eorum communibus expensis tenebunt ---. Datum supra (= in octavis Andree). Hiertegenover beloofde Reinier aan Aart van Beek de genoemde erfelijke cijns van 5 pond: GAHt, Rijke Claren 43, f. 213: Reynerus dictus Zegers zoen de Vucht promisit ut debitor principalis se daturum et soluturum Arnoldo dicto de Beke, filio naturali quondam domini Arnoldi de Beke, presbiteri, annuum et hereditarium censum quinque librarum monete --- anno quolibet hereditarie mediatim in festo nativitatis Domini et mediatim in festo nativitatis beati Iohannis Baptiste --- ex quadam camera cum eius fundo, sita in Buscoducis in vico tendente a vico dicto Loefs brugge versus pontem dictum des Conincs brugge inter hereditatem Iohannis dicti Venneken ex uno latere et inter hereditatem dicti Arnoldi ex alio latere, que camera cum dicto eius fundo predictam ante iuxta dictum vicum vigintiquinque pedatas terre atque retro in fine eiusdem viginti et dimidiam pedatas terre in latitudine continet atque in longitudine sexagintatres pedatas et terciam partem unius pedate continet, mensurando eciam in premissis medietatem parietis lapidei consistentis inter predictam cameram et inter predictam hereditatem eiusdem Arnoldi de Beke, atque ex medietatibus parietum consistentium ab utroque latere dicte camere, scilicet ex illis medietatibus que site sunt versus cameram predictam, quam cameram predictam cum dicto eius fundo atque cum medietatibus dictorum parietum predictis dictus Reynerus pro uno antiquo grosso hereditarii census domino nostro duci annuatim prius exinde de iure solvendo atque pro predicto censu quinque librarum dicte monete erga predictum Arnoldum coram scabinis infrascriptis ad censum acquisierat ---. Testes ---. Datum in octavis beati Andree apostoli anno Domini millesimo tricentesimo octuagesimotercio.
2.R. 1176, f. 113v.: Arnoldus de Beke, filius naturalis quondam domini Arnoldi de Beke, presbiteri, hereditarium censum trium librarum monete de hereditario censu quinque librarum, quem censum ... quinque librarum dictus dominus Arnoldus solvendum habuit hereditarie mediatim nativitatis Domini et mediatim nativitatis Iohannis ex quadam camera cum suo fundo, sita in Buscoducis in vico tendente a ponte dicto Loefsbrugge versus pontem dictum des Conincs brugge inter hereditatem Iohannis Venneken ex uno et inter hereditatem dicti Arnoldi de Beke ex alio, que camera cum suo fundo ante iuxta dictum vicum vigintiquinque pedatas ... retro in fine ... xx ... pedatas in latitudine ... atque in longitudine sexagintatres pedatas et tercias partes unius pedate ... Reynerus dictus Zegers soen de Vucht, scilicet pro predicto censu quinque librarum et pro uno antiquo grosso ... duci exinde solvendis, prout in litteris, hereditarie vendidit? dicto Reynero ---. Datum in vigilia Omnium sanctorum.
3.GAHt, Rijke Claren 43, f. 213-214: Arnoldus dictus de Beke, filius naturalis domini quondam Arnoldi de Beke, presbiteri, annuum et hereditarium censum quadraginta solidorum monete --- de annuo et hereditario censu quinque librarum dicte monete, quem censum quinque librarum Reynerus dictus Zegers zoen de Vucht promisit se daturum et soluturum --- ex quadam camera cum eius fundo, sita in Buscoducis in vico tendente a ponte dicto Loefs brugge versus pontem dictum des Conincs brugge inter hereditatem Iohannis dicti Venneken ex uno latere et inter hereditatem primodicti Arnoldi ex alio latere, que camera cum eius fundo predicta ante iuxta dictum vicum viginti! pedatas terre atque retro in fine eiusdem vigintiquinque et dimidiam pedatas terre in latitudine continet, atque in longitudine sexagintatres pedatas et terciam partem unius pedate continet, mensurando eciam in premissis medietatem parietis lapidei consistentis inter predictam cameram et inter cameram primodicti Arnoldi ibidem et ex medietate parietum consistentium ab utroque latere dicte camere --- legitime et hereditarie supportavit Henrico de Beke suo filio ---. Datum in crastino beati Martini hyemalis anno Domini millesimo tricentesimo nonagesimoquarto.
4.Rijke Claren 43, f. 214-214v.: Henricus de Beke, filius Arnoldi dicti de Beke, filii naturalis quondam domini Arnoldi dicti de Beke, presbiteri, annuum et hereditarium censum quadraginta solidorum monete --- de annuo et hereditario censu quinque librarum dicte monete, quem censum quinque librarum dicte monete Reynerus dictus Zegers zoen de Busco Vucht! promiserat se daturum et soluturum primodicto Arnoldo de Beke anno quolibet hereditarie mediatim in festo nativitatis Domini et mediatim in festo nativitatis beat Iohannis Baptiste de et ex quadam camera cum eius fundo, sita in Buscoduci in vico tendente a ponte dicto Loefsbrugghe versus pontem dictum die Conincs brugge inter hereditatem Iohannis dicti
10

In 1422 werd gesproken van een huisplaats. Op 5 februari van dat jaar droegen de erfgenamen van Reinier Zeger Reiniersz. de helft in deze huisplaats over aan Dirk Hermansz. Hijsken timmerman. Deze droeg op 6 mei 1422 deze helft op zijn beurt over aan Hubrecht zoon van wijlen Michiel van Espdonc.1
Op laatstgenoemde datum transporteerde Clarissa weduwe van Jan Jansz. van Doorne eveneens de helft van een huisplaats aan Hubrecht. Deze heette afkomstig te zijn van wijlen Agatha echtgenote van Reinier Postkens.2 Waarschijnlijk was deze identiek met Reinier Zeger Reiniers.
 Venneken ex uno latere et inter hereditatem primodicti Arnoldi de Beke ex alio latere, que camera cum eius fundo predicta ante iuxta dictum vicum viginti! pedatas terre in latitudine atque retro in fine eiusdem vigintiquinque et dimidiam pedatas terre in latitudine continet atque in longitudine sexaginta tres pedatas et terciam partem unius pedate continet, mensurando eciam in premissis medietatem parietis lapidei consistentis inter primodictam cameram et inter cameram primodicti Arnoldi de Beke ibidem et ex medietate parietum consistentium ab utroque latere dicte camere, quem censum quadraginta solidorum dicte monete dictus Henricus de Beke erga dictum Arnoldum suum patrem acquisierat --- legitime et hereditarie supportavit Henrico dicto Matheeus ad opus conventus sancte Clare in Buscoducis --- et effestucando resignavit ---. Datum feria tercia post diem beati Valentini martiris anno Domini millesimo quadragesimo secundo.
1.R. 1193, f. 13; BHIC, Jezuïeten 82 (reg. 12): Zegherus filius quondam Zegeri Reyners soen van Ghemonden et Zegerus, Reynerus, Iohannes et Petrus fratres, liberi quondam Arnoldi filii quondam Zegeri Reyners soen predicti, atque Zegerus, Gerardus fratres et Marina! et Elizabeth eorum soror, liberi quondam Rutgeri dicti Gheritssoen, ab ipso et quondam Aleyde filia quondam Zegeri Reyners soen pariter geniti, cum tutore, et Rutgerus filius quondam Iohannis filii dictorum quondam Rutgeri et Aleydis, et Thomas filius quondam Baudewini Heyn Lemkenssoen, ab ipso et quondam Elizabeth sua uxore, filia dicti quondam Zegeri, pariter genitur, et Iohannes Phlips! soen, maritus et tutor legitimus ut asserebat Heylwigis sue uxoris, filie dicti quondam Baudewini et Elizabeth, et Lambertus, Iohannes et Rodolphus fratres, liberi quondam Henrici die Wyse, ab eodem quondam Henrico et quondam Elizabeth sua uxore, filia dicti quondam Baudewini et Elizabeth, pariter geniti, et Petrus filius quondam Petri van Casteren, maritus et tutor legitimus ut asserebat Cristine sue uxoris et Gerardus filius Willelmi Wandelart, maritus et tutor legitimus ut asserebat Elizabeth sue uxoris, filiarum dictorum quondam Henrici die Wyse et Elizabeth sue uxoris, et Florencius et Iohannes fratres, liberi quondam Henrici Coelboerner, ab eodem et quondam Oda sua uxore, filia dicti quondam Zegeri pariter geniti, et Wolterus filius quondam Wolteri vanden Slammortel, maritus et tutor legitimus ut asserebat Ode sue uxoris, filie dictorum quondam Henrici Coelborner et quondam Ode, et Egbertum dictum Emme Scheenken, maritum et tutorem legitimum ut asserebat Katherine sue uxoris, filie quondam Henrici Dovenen, ab ipso et Margareta eius uxore, filia dicti quondam Zegeri pariter genite, pro se et dicta sua uxore atque Margareta predicta, medietatem eis ac eorum alteri per mortem quondam Reyneri filii quondam Zegeri Reyners soen predicti successione advolutam in quodam domistadio eiusdem quondam Reyneri, sito in Buscoducis in vico tendente a ponte dicto Coninx brugge versus pontem dictum Loefbrugge inter hereditatem Iohannis Vos sartoris ex uno et inter hereditatem Mette relicte quondam Arnoldi Gherijs ex alio, tendente a communi platea ad hereditatem Yngrami van Doerne, ut dicebat, hereditarie vendidit Theoderico filio quondam Hermanni Hiisken carpentatori ---, excepta medietate unius grossi antiqui et hereditarii census xl solidorum monete ex dicto domistadio solvenda ---. Datum in festo Aghate.
2.Ald. 82 (reg. 13). Op de rugzijde: van den cameren aen die Lombartsbrugge.
Theodericus filius quondam Hermanni dicti Hijsken carpentator medietatem cuiusdam domistadii quondam Reyneri filii quondam Zegeri dicti Reyners soen, siti in Buscoducis in vico tendente a ponte dicto Coninx brugge versus pontem dictum Loefbrugge inter hereditatem Iohannis dicti Vos sartoris ex uno latere et inter hereditatem Mette relicte quondam Arnoldi dicti Gherijs ex alio latere, tendentis a communi platea ad hereditatem Yngrami dicti van Doerne, quam medietatem domistadii predicti dictus Theodericus erga Zegerum filium quondam Zegeri dicti Reyners soen van Ghemonden et Zegerum, Reynerum, Iohannem et Petrum fratres, liberos quondam Arnoldi filii quondam Zegeri Reyners soen predicti, atque Zegerum, Gerardum fratres et Marinam! atque Elizabet eorum sororem, liberos quondam Rutgeri dicti Gherits soen, ab ipso et quondam Aleyde filia quondam Zegeri Reyners soen pariter genitos, necnon Rutgherum filium quondam Iohannis filii dictorum quondam Rutgeri et Aleydis, et Thomam filium quondam Baudewini dicti Heyn Lemkens soen, ab ipso et quondam Elizabet sua uxore, filia dicti quondam Zegerum, pariter genitum, atque Iohannem dictum Phlips! soen, maritum et tutorem legittimum ut asserebat Heylwigis sue uxoris, filie dictorum quondam Baudewini et Elizabet, et Lambertum, Iohannem et Rodolphum fratres, liberos quondam Henrici dicti die Wyse, ab eodem quondam Henrico et quondam Elizabet sua uxore, filia dictorum quondam Baudewini et Elizabet pariter genitorum, Petrum filium quondam Petri dicti van Casteren, maritum et tutorem legttimum ut asserebat Cristine sue uxoris et Gerardum filium Willelmi dicti Wandelaert, maritum et tutorem legittimum ut asserebat Elizabet sue uxoris, filiarum dicti quondam Henrici die Wyse et Elizabet sue uxoris predicte, et Florencium atque Iohannem fratres, liberos quondam Henrici dicti Coelboerner, ab eodem Henrico et quondam Oda sua uxore, filia dicti quondam Zegeri pariter geniti, et Wolterum filium quondam Wolteri dicti vanden Slammortel, maritum et tutorem legittimum ut asserebat Ode sue uxoris, filie dictorum quondam Henrici Coelborner et

11

Later werden op deze huisplaats twee kameren gebouwd, die op 17 maart 1474 werden overgedragen aan Roelof Jansz. van den Borne. Deze transporteerde ze op 11 maart 1484 aan Jan Pijnappel.1 Op 30 augustus 1511 werden ze door hem ten cijns gegeven aan Jan Sebastiaan Noyens.2

Bezitters:
Aart van Beek 1383.12.07 >
Reinier Zeger Reiniersz. (van Vught alias Postkens)
zijn weduwe Agatha
zijn erfgenamen de helft 1422.02.05 >
Dirk Hermansz. Husken timmerman de helft 1422.05.06 >
Hubrecht weduwe Michielsz. van Espdonc
Clarissa weduwe Jan Jansz. van Doorne de helft 1422.05.06 >
Hubrecht Michielsz. van Espdonc
zijn dochter Mechteld, gehuwd met Hendrik Korstiaansz. van den Heuvel 1474.03.17 >
Roelof Jansz. van den Borne 1484.03.11 >
Jan Pijnappel 1511.08.30 >
Jan Sebastiaansz. Noyens

Waterstraat (C)

Blijkens de hierboven genoemde belending bevond zich hier een erf van Jan Venneken. Op 18 juni 1427 droeg Jan Jansz. Vos snijder het recht om in een stenen gevel tussen de kamer van Aart van Nuenrebeke en de bebouwing van Jan Venneken over aan Liesbet vrouw van Dirk van Haastrecht.3 Blijkens een schepenakte van 31 juli 1469 had Jan Vos onder meer dit recht verkregen van Aart Scheimaker, zoon van wijlen Aart Krey. Op deze datum droeg Katelijn dochter van Jan Vos en weduwe van Roelof van der Hagen haar vruchtgebruik in de huisplaats van een kamer tussen erf van
 quondam Ode, atque Engbertum dictum Emme Scheenken, maritum et tutorem legittimum ut asserebat Katherine sue uxoris, filie quondam Henrici dicti Dovenen, ab ipso et Margareta eius uxore, filia dicti quondam Zegeri, pariter genite, emendo acquisierat, prout in litteris scabinorum de Buscoducis super hoc confectis plenius continetur, legittime et hereditarie supportaverunt Huberto filio quondam Mychaelis dicti van Espdonck, simul cum dictis litteris et cum toto iure sibi in dictis litteris et in hiis que continentur in eisdem quovismodo competente, et effestucando resignavit modo in talibus consueto, promittens dictus Theodericus ut debitor principalis super se et bona sua omnia quod ipse huiusmodi supportacionem et resignacionem ratas ac firmas perpetue sine contradictione observabit et quod omnem obligacionem ex parte sui in dicta medietate domistadii predicti existentem dicto Huberto deponet omnino. Testes interfuerunt scabini in Buscoducis Willelmus Brant Rover et Iohannes die Rover. Datum sexta die mensis maii, feria quarta post dominicam qua cantatur Iubilate anno Domini millesimo quadringentesimo vicesimosecundo.
1.R. 1253, f. 414v.; BHIC, Jezuïeten 82 (reg. 54). Zie De Bruijn, ‘Magnus ortus’, 11-12.
2.BHIC, Jezuïeten 82, reg. 84: Iohannes Pijnappel duas cameras cum earum fundis, iuribus et attinentiis sibi invicem coadiacentibus, sitis in Buscoducis iuxta pontem dictum die Lombaertsche brugge inter hereditatem Goeswini Scaelmeker ex uno latere et inter hereditatem Agnetis Lijscops ex alio latere, quas cameras cum earum fundis, iuribus et attinentiis dictus Iohannes Pijnappel erga Rodolphum filium quondam Iohannis vanden Borne acquisierat --- dedit ad anuum et hereditarium censum Iohanni filio quondam Sebastiani Noyens --- pro hereditario censu quinque et dimidie librarum monete --- cuidam beghine maioris curie beghinarum in Buscoducis necnon hereditario censu duarum librarum dicte monete conventui sancte Clare in Buscoducis --- atque pro annuo et hereditario censu quatuor florenorum Rynsgulden communiter vocatorum --- necnon octo huiusmodi stuferorum --- anno quolibet hereditarie in festo nativitatis beati Iohannis Baptiste --- de et ex premissis ---. Quo facto idem Iohannes, filius quondam Sebastiani Noyens promisit --- dicto Iohanni Pijnappel dictum annuum et hereditarium censum quatuor florenorum et octo stuferorum --- necnon de et ex domo, area et vacua hereditate dicti Iohannis filii quondam Sebastiani, sitis ibidem interr iamdictas cameras ex uno latere et inter quandam viam dictam die Mortelstraet ex alio latere, tendentibus a communi vico ad hereditatem Willelmi Coelborner ---. Datum tricesima die mensis augusti anno Domini millesimoquingentesimoundecimo.
3.R. 1196, f. 143: Iohannes Vos sartor, filius quondam Iohannis Vos, ius edificandi in quodam lapideo edificio dicto ghevel, sito in Buscoducis in vico tendente a ponte dicto Loefsbrugge versus vicum dictum Huls inter cameram seu domum Arnoldi de Nuenrebeke ex uno et inter edificia Iohannis Venneken ex alio, quod ius edificandi Iohannes Venneken erga Arnoldum de Nuenrebeke acquisierat, prout in litteris, hereditarie supportavit michi ad opus domicelle Elisabeth uxoris legitime Theoderici de Haestrecht ---. Datum xviii iunii.
12

Jan van Gestel en erf van Aart van Beek, en in de tuin en een deel van een huisplaats van twee gebinten van een huis en erf achter de genoemde kamer, in een cijns van veertig schellingen en in het genoemde bouwrecht over aan haar kinderen Roelof en Jan, die deze rechten vervolgens transporteerden aan Gozewijn Geritsz. Schaalmaker.1 Op 2 september 1450 was er een cijns van vier pond uit de genoemde kamer, tuin en deel van huis en erf overgedragen. Thomas van Mameren had deze cijns van Jan Venneken verkregen.2 Op 3 februari 1487 droeg Jan Hendriksz. van de Laar de rechten over aan Lambert Lambert Klaasz. Er was nu sprake van een huis, erf en tuin tussen erf van Jan Pijnappel en de kamer of het erf van genoemde Jan van de Laar.3 Dit verklaart de schepenakte van 19 november 1468, waarin de bovengenoemde Katelijn afstand had gedaan van haar vruchtgebruik in huis, erf en tuin tussen erf van Gozewijn Schaalmaker en erf van Hendrik Korstiaansz. ten behoeve van haar kinderen Roelof en Jan, met de bepaling dat zij het goed nog gedurende haar leven zou mogen bezitten.4
1.R. 1238, f. 248v.: Katherina filia quondam Iohannis dicti Vos sartoris, filii quondam Iohannis dicti Vos, relicta quondam Rodolphi vander Haghen, cum tutore, usumfructum sibi ut dicebat competentem in domistadio olim cuiusdam camere, site in Buscoducis in vico tendente a ponte dicto Loefsbrugge inter hereditatem quondam Iohannis dicti de Gestel ex uno et inter hereditatem Arnoldi de Beke, filii naturalis domini quondam Arnoldi de Beke, presbiteri, ex alio, atque in orto ac quadam parte domistadii olim duas ligaturas continente domus et aree retro dictam cameram olim site, nec non in hereditario censu quadraginta solidorum atque iure edificandi in edificio lapideo stenen gevel vocato, sito iuxta cameram seu domum iam dictas!, quos cameram, ortum ac partem duas ligaturas continentem necnon censum atque ius edificandi in dicto edificio lapideo dictus quondam Iohannes Vos sartor, filius quondam Iohannis dicti Vos, erga Arnoldum dictum Sceymaker, filium quondam Arnoldi dicti Krey, acquisierat, prout in diversis litteris, legitime supportavit Rodolpho et Iohanni fratribus, liberis quondam Rodolphi et Katherine predictorum ---. Testes, datum supra (= ultima iulii).
Notum sit universis quod cum ita actum esset, constituti igitur coram scabinis infrascriptis Rodolphus et Iohannes premissa hereditarie supportaverunt Goesswino filio quondam Gerardi Scaelmeker, exceptis hereditario censu quatuor librarum monete Iohanni de Asperen atque hereditario censu quatuor librarum monete predicte Theoderico Lemmens, ut dicebat, e iure solvendis ---.

2.R. 1220, f. 144: Reymboldus filius quondam Theoderici Reymbouts soen, Goeswinus filius quondam Iacobi Iudaes soen, Matheus de Uden, filius quondam Iohannis de Uden, tutorem et maritum ut dicebat legitimus Aleidis sue uxoris, filie dicte quondam Iacobi, Willelmus de Heze, Iohannes filius Willelmi predicti, Elisabeth relicta quondam Iohannis Gerijs soen, Willelmus, Katherina et Gertrudis, liberi dicti quondam Iohannis Gerijs soen, cum tutore Elisabeth, Katherine et Gertrudis, annuum et hereditarium censum quatuor librarum monete, solvendum hereditarie mediatim nativitatis Domini et mediatim nativitatis Iohannis ex quadam camera cum suo fundo, siti in Buscoducis in vico tendente a ponte dicto Loefs brugge versus pontem dictum Coninxbrugge inter hereditatem Iohannis quondam dicti de Gestel ex uno et inter hereditatem Arnoldi de Beke, filio naturalis quondam domini Arnoldi, presbiteri, ex alio; atque ex orto et quadam parte duas ligaturas continente cuiusdam domus et aree retro predictam cameram situate, quem censum Thomas de Mameren erga Iohannem Venneken acquisierat, prout in litteris, hereditarie supportavit Iohanni filio quondam Engelberti Ludinck de Uden, Arnoldo filio naturali quondam Godefridi die Weder, presbiteri, et Iohanni filio naturali quondam Iohannis vanden Bosch ---. Datum 2a septembris.
3.R. 1256, f. 456-456v.: Iohannes filius Henrici vanden Laer domistadium olim cuiusdam camere, site in Buscoducis in vico tendente a ponte dicto Loefsbrugge inter hereditatem quondam Iohannis dicti de Gestel ex uno et inter hereditatem Arnoldi de Beke, filii naturalis domini quondam Arnoldi de Beke, presbiteri, ex alio, atque ortum et quandam partem domistadii, olim duas ligaturas continentem, domus et aree retro dictam camere olim site, nec non hereditarium censum quadraginta solidorum atque ius edificandi in edificio lapideo, stenen gevel vocato, sito iuxta cameram seu domum iamdictas, supportatas Goeswino filio quondam Gerardi dicti Scaelmeker a Rodolpho et Iohanne fratribus, liberis quondam Rodolphi vander Hagen, prout in litteris, et quod domistadium nunc una domus, area et ortus esse dinoscitur, site ibidem inter hereditatem Iohannis Pijnappel ex uno et inter cameram seu hereditatem reliquam dicti Iohanni ex alio, tendentes a communi platea ad hereditatem heredum quondam Arnoldi Ygrams aurifabri, ut dicebat, hereditarie supportavit Lamberto filio quondam Lamberti Claessoen carpentatori --- hereditarius census quatuor librarum monete olim Iohanni de Asperen, nunc vero heredibus quondam Alardi Spijker annuatim exinde e iure solvendus ---. Testes Uden et Vucht. Datum 3a februarii.
4.R. 1238, f. 6: Katherina relicta quondam Rodolphi dicti vander Hagen carpentatoris cum tutore [usufructum] sibi ut dicebat competentem in domo, area et orto, sitis in Buscoducis iuxta pontem Lombardorum inter hereditatem Goeswini Scaelmeker ex uno et inter hereditatem Henrici Korstiaens soen ex alio, ut dicebat, legitime supportavit Rodolpho et Iohanni fratribus, liberis dictorum Katherine et quondam Rodolphi ---. Testes, datum supra (= xix novembris).
Notum sit universis quod cum ita actum esset, constituti igitur coram scabinis infrascriptis dicti fratres hereditarie

13

De stenen gevel met het recht om daarin te bouwen droeg Pauwels van Haastrecht, heer van Venloon, op 9 juni 1469 over aan genoemde Gozewijn.1 Jan van de Laar, als erfgenaam van Gozewijn droeg ze op 16 januari 1501 over aan Hendrik Hermansz. van Deventer. Uit deze akte blijkt dat Hendrik Jansz. van de Laar en zijn vrouw Mechteld dochter van Jan Akarijns krachtens het testament van Gozewijn Schaalmaker en zijn vrouw Marie een huis, erf en tuin en drie kameren had overgedragen aan de zoon Jan van Hendrik en Mechteld.2 Voor de vestiging van het Van-Deventersgasthuis op deze percelen - het ging in totaal om negen kameren - zie het bekende boek van Van Sasse van Ysselt.3

Bezitters:
Jan Venneken
Jan Jansz. Vos snijder
zijn dochter Katelijn, tr. met Roelof van der Hagen, 1468.11.19 en 1469.07.31 vruchtgebruik >
hun zonen Roelof en Jan van der Hagen >
Jan van de Laar 1487.02.03 >
Gozewijn Geritsz. Schaalmaker, getr. met Marie
 vendiderunt Theoderico filio quondam Lamberti van Overbeke annuum et hereditarium censum quatuor librarum monete, solvendum hereditarie Remigii confessoris ex premissis ---. Testes, datum supra.
Rodolphus Conen prebuit, alter cessit, et reportavit. Testes, datum supra.
Notum sit universis quod cum ita actum esset prout in prima contractu, constituti igitur coram scabinis infrascriptis dicti fratres palam recognoverunt et super omnia et habenda dicte Katherine indivisi promiserunt quod ipsa nichilominus, non obstante resignacione sui usufructus predicti, eandem domum, aream et ortum quoadvixerit possidebit. Testes, datum supra.
1.BHIC, Jezuïeten 83 (reg. 45). Op de rug onder meer: Goeswinus Schaelmaker. Ook R. 1238, f. 345v.: Domicellus Paulus de Haestrecht, dominus temporalis de Venloen, quoddam edificium stenen gevel vocatum, consistens in fine porte sue versus cameras Goeswini Schaelmeker, simul cum iure edificandi in eodem edificio, ut dicebat, legitime et hereditarie vendidit dicto Goeswino, ab eodem emptore iure hereditario habendum et possidendum, supportavit et effestucando resignavit modo in talibus consueto, promittens dictus domicellus Paulus ut debitor principalis super se et bona sua omnia ab eo ad presens habita et imposterum ab eo habenda et acquirenda quod ipse dicto emptori de dicto edificio et iure edificandi in eodem debitam et iustam prestabit warandiam et quod ipse omnem obligacionem in premissis existentem prefato emptori deponent omnino, cum condicione tali quod quicquid dictus Goeswinus in dicto edificio edificando fregerit, hoc suis propriis expensis reparari procurabit. Testes interfuerunt scabini in Buscoducis Symon die Hoesch et Ghiselbertus Pels. Datum nona die mensis iunii anno Domini millesimo quadringentesimo sexagesimonono.
2.R. 1269, f. 225-225v. BHIC, Jezuïeten 83 (reg. 80): Notum sit universis quod cum domicellus Paulus de Haestrecht, dominus temporalis de Venloen, quoddam edificium, stenen gevel vocatum, consistens in fine porte sue versus cameras Goeswini Scaelmeker, simul cum iure edificandi in eodem edificio, heredarie supportasset dicto Goeswino; et cum deinde Henricus vanden Laer, filius quondam Iohannis vanden Laer, et Mechteldis eius uxor legitima, filia quondam Iohannis Akarijns, potentes ad infrascripta vigore testamenti ac ultime voluntatis quondam Goeswini Scaelmeker et Marie sue uxoris ac quarundam aliarum litterarum ipsis desuper concessarum, domum, aream et ortum et tres cameras cum earum fundis, iuribus et attinentiis olim dictorum quondam Goeswini et Marie coniugum, sitos in Buscoducis iuxta pontem dictum die Lombaertsche brugge inter hereditatem domini de Venloen ex uno et inter hereditatem heredum quondam Arnoldi Yngrami de Doernen aurifabri et quorundam aliorum ex alio, tendentes a communi vico retrorsum usque ad hereditatem Iacobi vanden Eynde, insuper quecumque bona dicti quondam Goeswini Scaelmeker, mobilia et immobilia, hereditaria atque parata, in quibus dictus quondam Goeswinus decessit, depost vero ad eosdem Henricum et Mechteldem coniuges spectantes, hereditarie supportassent Iohanni eorum filio, prout in diversis litteris; constitutus igitur coram scabinis infrascriptis dictus Iohannes filius dictorum quondam Henrici vanden Laer et Mechteldis sue uxoris supradictum edificium, stenen gevel vocatum, simul cum iure edificandi in eodem, atque dumtaxat dictas tres cameras cum earum fundis, iuribus et attinenciis, quequidem tres camere cum suis iuribus et attinenciis predicte pronunc site sunt ibidem inter hereditatem seu domum domini de Venloen ex uno et fine posteriori et inter hereditatem Lamberti (halve regel opengelaten; niet ingevuld) ex alio et tendunt cum fine anteriori ad communem plateam ibidem, prout pronunc dicte tres camere cum suis iuribus et attinentiis ibidem site sunt ut dicebat, hereditarie supportavit Henrico de Daventria, filio quondam Hermanni de Daventria, simul cum dictis litteris, aliis, instrumentis et iure occasione --- hereditarius census sex librarum monete heredibus quondam Rodolphi die Bever et hereditarius census sex librarum monete predicte domino de Venloen annuatim exinde solvendus ---. Testes Berkel et Elmpt. Datum supra (= xvita ianuarii).
3.A.F.O. van Sasse van Ysselt, De voorname huizen en gebouwen van ’s-Hertogenbosch (’s-Hertogenbosch 1910-1914) II, 60-62.
14

Hendrik Jansz. van de Laar 1501.01.16 >
Hendrik Hermansz. van Deventer

Waterstraat (D)

Op 18 mei 1444 droeg Aart van Loenen als man van Liesbet dochter van wijlen Jan van Orthen een huis, erf en tuin over aan Antoon van Cauderariis. Mogelijk was hij identiek met Aart van Nuenrebeke, die in 1420 in een als belender van het hiernavolgende perceel werd genoemd.1 Dit goed werd gesitueerd tussen erf van Roelof van der Hagen en erf van Willem Colen, zich uitstrekkend van de straat tot erf van Pauwels van Haastrecht.2 Op 26 juni 1444 droeg deze het goed over aan Lambrecht Korstiaans van Doorne ten behoeve van Gerit Mol van Driel.3 Op 27 april 1445 transporteerde deze het aan Jan Wisch Kortenz.4 Op 23 januari 1463 deze aan Gozewijn Geritsz. Schaalmaker.5
In 1463, 1467 en 1469 verkocht Gozewijn cijnzen uit dit en het volgende perceel. Hierbij werd gesproken van ‘twee huisplaatsen met hun ondergrond en toebehoren’ respectievelijk ‘huizen en erven’. Zij werden gesitueerd tussen erf van Roelof van der Hagen en erf van Pauwels van Haestrecht.6
In 1470 verkocht Gozewijn cijnzen uit bovenstaande huizen en het inmiddels door hem verworven, hiervoor behandelde perceel C. Op 11 juli 1470 werd gesproken van twee huizen en erven en een tuin en twee kameren daar op het einde aanliggend tussen erf van Pauwels van Haastrecht en erf van Hendrik Korstiaans.7 Op 10 december 1470 werd gesproken van drie in plaats van twee kameren.8

Bezitters:
Aart van Nuenrebeke =?
Aart van Loenen, gehuwd met Liesbet dochter van wijlen Jan van Orthen 1444.05.18 >
Antoon van Cauderariis 1444.06.26 >
Gerit Mol van Driel 1445.04.27 >
Jan Wisch Kortenz. 1463.01.23 >
Gozewijn Geritsz. Schaalmaker
1.R. 1191, f. 500 nw. Zie hierna.
2.R. 1214, f. 181v. BHIC, Jezuïeten 83 (reg. 25). Op de rug onder meer: Litera sicut? Arnoldus de Luna vendit unam domum Anthonio Cauderario.
Arnoldus dictus de Luenen, maritus et tutor legitimus ut dicebat Elizabeth sue uxoris, filie quondam Iohannis dicti de Orthen, domum, aream et ortum, sitos in Buscoducis infra pontem dictum die Loefsbrugge et pontem dictum Coninccupers brugge inter hereditatem Rodolphi dicti vander Haghe ex uno latere et inter hereditatem Willelmi filii quondam dicti Colen ex alio latere, tendentes a communi platea ad hereditatem Pauli dicti de Haestrecht, ut dicebat, legitime et hereditarie vendidit Anthonio dicto de Couderariis --- supportavit --- et effestucando resignavit ---, excepto annuo et hereditario censu sex librarum monete ---. Datum decimaoctava die mensis maii anno Domini millesimo quadringentesimo quadragesimoquarto.

3.R. 1214, f. 189v. BHIC, Jezuïeten 83 (reg. 26).
4.R. 1215, f. 189v. BHIC, Jezuïeten 83 (reg. 33).
5.R. 1232, f. 271v. BHIC, Jezuïeten 83 (reg. 42).
6.R. 1235, f. 133 (11 januari 1466): duobus domistadiis cum eorum fundis et attinentiis; 1237, f. 3 v. (23 oktober 1467), en 1238, f. 183v. (9 februari 1469): domibus et areis --- inter hereditatem Rodolphi vander Haghen ex uno et inter hereditatem Pauli de Haestrecht, domini de Venloen, ex alio latere et fine uno, tendentibus cum alio fine ad communem vicum.
7.R. 1239, f. 97: Goeswinus Scaelmeker, filius quondam Gerardi, promisit Hillegondi filie Bartrami Jans soen quod ipse dabit et solvet eidem Hillegondi hereditarium censum decem aureorum denariorum peters communiter vocatorum --- anno quolibet hereditarie mediatim Omnium sanctorum et mediatim Philippi et Iacobi apostolorum --- de et ex duabus domibus et areis ac uno orto et duabus cameris ipsis finaliter coadiacentibus, sitis in Buscoducis iuxta locum dictum den Mortel inter hereditatem domicelli Pauli de Haestrecht, domini temporalis de Venloen, ex uno et inter hereditatem Henrici Corstiaens ex alio, tendentibus a communi vico retrorsum ad hereditatem dicti domicelli Pauli necnon hereditatem Arnoldi filii quondam Yngrami de Doernen aurifabri --- (volgen voorwaarden). Datum supra (= xi iulii).
8.R. 1240, f. 197v.
15

(zie verder onder C)
16

Waterstraat (E)

In 1420 bevond zich hier een huis, erf en tuin van Hubrecht Michielsz. van Espdonk. Het goed werd gesitueerd tussen erf van Jan Bloeys en erf van Aart van Nuenrebeke snijder. Naar achter strekte het zich uit tot erf van Jorden Aart Tielkens.1
Waarschijnlijk gaat het hierbij om het inmiddels bebouwde stuk erf dat Dirk van Haastrecht als man van Gijsbrechtke dochter van Jorden Aart Tielkens ten cijns had gegeven aan Hubrecht. Dit stuk erf was genomen uit het het erf van Jorden en werd gesitueerd tussen erf van de vrouwe Van der Lake, later van Jan Vos snijder, aan de ene zijde en tussen erf van Jan Lucasz. aan de andere zijde. Het ging om het stuk erf naast erf van Aart van Nuenrebeke. Vóór langs de straat was het 24 voet (= iets minder dan zeven meter) breed en achter 21 voet en het was 58 voet min één duim lang. Op 31 maart 1428 transporteerde Hubrecht van Espdonk dit stuk erf met zijn bebouwing aan Peter Willemsz. Colen van Oerle.2 Op 12 februari 1454, toen Willem zoon van Peter Colen het complex overdroeg aan de kanunnik Willem Woutersz. Colen van Oerle, werd het weer omschreven als huis, tuin en erf en gesitueerd tussen erf van Liesbet weduwe van Hubrecht van Herwijnen en erf van Jan van Wiessen (= Wisch?).3 Willem Woutersz. Colen droeg het goed op 11 januari over aan Gozewijn Geritsz. Schaalmaker.4

Bezitters:
Hubrecht Michielsz. van Espdonc huis erf en tuin
Dirk van Haastrecht stuk erf >
Hubrecht Michielsz. van Espdonc
(1420.06.26) huis, erf en tuin
1428.03.31 >
1.R. 1191, f. 500 nw. (503 oud): Hubertus filius quondam Mychaelis van Espdonc hereditarie vendidit michi ad opus Godefridi Berwout et ad opus Iohannis filii Godefridi vanden Schoer hereditarium censum sex librarum monete, solvendum hereditarie Iacobi --- de et ex domo, area et orto dicti venditoris, sitis in Buscoducis in vico tendente a ponte dicto Loefsbrugge versus pontem dictum Coninccupers brugge inter hereditatem Iohannis Bloeys ex uno et inter hereditatem Arnoldi van Nuenrebeke sartoris ex alio, tendentibus a communi vico ad hereditatem quondam Iordani filii Arnoldi Tyelkini ---. Datum xxvi iunii, quarta post nativitatis Iohannis.
2.R. 1198, f. 53v.: Notum sit universis quod cum Theodericus de Haestrecht tamquam maritus et tutor legitimus ut dicebat Ghiselberte sue uxoris, filie quondam Iordani Arnoldi Tielkini, partem hereditatis, sumptam de hereditate dicti quondam Iordani, sita in Busco! in vico tendente ante habitacionem domine quondam vander Lake, postea Iohannis Vos, a ponte dicto Loefsbrugge versus pontem olim Coninx Cupers, nunc Lombardorum, inter hereditatem quondam domine Vander Lake, postea Iohannis Vos sartoris, ex uno et inter hereditatem quondam Iohannis Lucas soen ex alio, illam scilicet partem hereditatis que sita est contigue iuxta hereditatem Arnoldi de Nuenrebeke et que pars predicta ante iuxta vicum predictum xxiiii pedatas et retro xxi pedatas in latitudine, et ab eodem vico retrorsum mensurando lviii et latitudine unius pellicis in longitudine continet, simul cum edificiis in eadem parte consistentibus, dedisset ad hereditarium censum Huberto filio quondam Michaelis de Espdonc, prout in litteris, constitutus igitur coram scabinis infrascriptis dictus Hubertus dictam partem hereditatis simul cum edificiis predictis hereditarie supportavit Petro filio Wolteri Colen de Oirle ---, exceptis oneribus --- atque hereditario censu duarum librarum monete, quem idem Petrus magistro Martino ad opus Theoderici de Haestrecht, domini temporalis de Venloen, hodierno die solvere promiserat ex premissis ---. Datum ultima marcii, 4ta post Palmarum.
3.R. 1224, f. 185v. BHIC, Jezuïeten 83 (reg. 36). Op de rug onder meer: Dominus Willelmus Colen soen. Vanden huyse biden Mortel.
Willelmus filius quondam Petri dicti Colen soen, domum, aream et ortum cum suis attinentiis, sitos in Buscoducis ad vicum tendentem ante domum habitacionis Pauli dicti de Haestrecht inter hereditatem Elisabeth relicte quondam Huberti dicti de Horwinen ex uno latere et inter hereditatem Iohannis dicti de Wiessen ex alio latere, tendentes ab hereditate dicti Pauli de Haestrecht ad vicum predictum --- legitime et hereditarie vendidit Godefrido Boest ad opus domini Willelmi dicti Colen, filii quondam Wolteri Colen de Oirle, canonici in Buscoducis --- supportavit et effestucando resignavit --- excepto hereditario censu sex librarum monete --- Iohanni Monix ---, tali condicione annexa quod dicti domus, area, ortus cum suis attinentiis stabit ad iura patrie et vicinorum quod exponetur staen sullen te scoet, te loet ende te lantrecht similiter aliis bonis secularibus. ---. Datum duodecima die mensis februarii anno Domini millesimo quadringentesimo quinquagesimotercio.

4.R. 1225, f. 24v.; BHIC, Jezuïeten 83 (reg. 39).
17

Peter Woutersz. Colen van Oerle
zoon Willem Peter Colenz. huis, erf en tuin 1454.02.12 >
Willem Wouter Colen van Oerle, kanunnik, 1455.01.11 >
Gozewijn Geritsz. Schaelmaker
(zie verder onder C)

Waterstraat (F)

Op 23 september 1421 droeg Gerit Geel de speldenmaker een huis, erf en tuin tussen erf van Hubrecht van Espdonk lakenscheerder en tussen een weg toebehorend aan Dirk van Haastrecht over aan Liesbet weduwe van Jan Bloys. Jan Bloys had dit goed in zijn testament aan Gerit Geel vermaakt.1 Liesbet is waarschijnlijk later gehuwd met Hubrecht van Herwijnen, die zij zal hebben overleefd. Dit verklaart belendingen uit 1441 en 1451.2 Op 19 juli 1464 transporteerde zij het goed echter weer als weduwe van Jan Bloys aan Pauwels van Haastrecht, heer van Venloon.3

Bezitster:
Jan Bloys bij testament >
Gerit Geel speldenmaker 1421.09.23 >
Liesbet weduwe Jan Bloys 1464.07.19 >
Pauwels van Haastrecht, heer van Venloon

Waterstraat (G)

Voor dit complex - het Huis van Loon - zie het verslag ‘Magnus ortus’.4 In 1443 was sprake van twee huizen en tuinen tussen erf van Jacob Monic en erf van Jan Lodewijksz. van Kraandonk, Aart Ingramsz. en Jan Bloys, strekkend van de straat tot het aldaar stromende water,5 in 1450 luidden de belendingen: tussen erf van Jacob Monic en zijn kinderen aan de ene zijde en tussen erf van Jan Lodewijksz. van Kraandonk en de erfgenamen van Hubrecht van Herwijnen aan de andere zijde, strekkend van de straat tot erf van de begarden en de gracht geheten den Mortelgrave.6
1.R. 1192, f. 244: Gerardus dictus Gheel die spelmeker domum, aream et ortum sitos in Buscoducis in vico tendente a ponte dicto Loefsbrugge versus pontem Lombardorum inter hereditatem Huberti de Espdonc rasoris pannorum ex uno et inter viam spectantem ad Theodericum de Haestrecht ex alio, tendentes a dicto vico retrorsum ad hereditatem dicti Theoderici, quos domum, aream et ortum Iohannes Bloys, filius quondam Iohannis Bloys erga dictum Theodericum de Haestrecht acquisierat et quos domum, aream et ortum predictos quondam Iohannes Bloys predictus dicto Gerardo in suo testamento legaverat, ut dicebat, supportavit Elisabeth relicte quondam Iohannis Bloys ---. Datum xxiii septembris.
2.Zie hiervóór en hierna.
3.R. 1233, f. 81v.: Elizabeth relicta quondam Iohannis Bloys cum tutore domum, aream et ortum, sitos in Buscoducis in vico tendente a ponte dicto Loefsbrugge versus pontem Lombardorum inter hereditatem Huberti dicti de Espdonc, rasoris pannorum, ex uno et inter viam spectantem ad Theodericum dictum de Haestricht ex alio, tendentes a dicto vico retrorsum ad hereditatem dicti Theoderici, quos domum, aream et ortum Elizabeth predicta erga Gerardum dictum Geel die spelmeker acquisierat, prout in litteris, hereditarie supportavit michi ad opus domicelli Pauli de Haestrecht, domini temporalis de Venloen ---. Datum supra (= xix iulii).
4.15-16.
5.R. 1214, f. 85.
6.R. 1220, f. 246: Paulus de Haestrecht, dominus de Venloen, hereditarie vendidit Goeswino Toelinc ad opus sui et ad opus Bernardi Hughen soen pannicide, Arnoldi Coelborner et Heilwigis Pennincs, executorum testamenti quondam Petri die Gorter, hereditarium censum decem aureorum florenorum communiter overlens Rijnsch gulden vocatorum vel valorem, solvendum hereditarie Purificationis --- de et ex domo, area et orto cum suis attinentiis eiusdem venditoris, sitis in Buscoducis in vico tendente a ponte Lombardorum versus pontem dictum Loefsbrugge inter hereditatem Iacobi Monic et eius liberorum ex uno et inter hereditatem Iohannis de Craendonc, filio Lodovici, et heredum quondam Huberti de Horwijnen ex alio, tendente a dicto vico ad hereditatem baggardorum et fossatum dictum den Mortelgrave ---. Datum xvii augusti.
18

De grote tuin De Mortel

De verdeling van het complex De Mortel van Aart Aartsz. van Beek krijgt meer perspectief door een erfdeling van 17 juni 1410, waarvan de originele akte bewaard gebleven is in het archief van de Bossche jezuïeten. Het goed wordt in deze schepenakte omschreven als ‘de mansio met haar toebehoren gewoonlijk die Mortel genoemd van wijlen Aart voornoemd, gelegen in ’s-Hertogenbosch bij de brug gewoonlijk genaamd die Coninxbrugge’. Verder behoorden er nog huizen en kameren toe, die bij de mansio gelegen waren. Blijkens de inhoud van deze akte vielen aan Ingram van Deurne, gehuwd met Heilwig Aartsdochter van Beek, voor de helft en aan de erfgenamen van Peter Polslauwer, gehuwd geweest met Liesbet Aartsdochter van Beek, ten deel:
  • huis en erf naast de Koningsbrug en een kamer aan de straat naast de poortstijl van de mansio in de richting van de Sint-Joriskapel;
  • huis met zijn ondergrond en tuin tussen erf van Heimerik Groy, met een water ertussen, aan de ene zijde en tussen de weg aldaar gemaakt uit het erf van wijlen Aart van Beek, zich uitstrekkend tot aan het water;
  • de helft van de grote tuin van Aart van Beek, gelegen over het water, namelijk het deel naar erf van Jan van Brolyo, toen Heimerik Groy, toe, dit is dus het westelijk deel. De ene helft viel aan Ingram van Deurne en de andere aan de overige hierboven genoemden ten deel.
Aan Luitgard van Beek en de kinderen van Jacob Goes en Liesbet Aartsdochter van Beek vielen ten deel:
  • een kamer met ondergrond aan de zijde van de poort naar de Verwerstraat toe met de stijlen aan beide zijden van de poort en de zolder op de bebouwing over de weg aldaar;
  • huis, erf en tuin met gronden tussen de genoemde weg en erf van Jorden Aart Tielkens, strekkende tot aan het water;
  • de helft van de grote tuin over het water, waarbij het deel naar het begardenklooster toe aan Luitgard en de andere helft aan de kinderen van Jacob Goes ten deel viel.1
1.BHIC, Jezuïeten 77 (reg. 4). (Op de rug onder meer: Fiat vidimus de istis duabus litteris et tradantur fratribus Iohanni de Peer tamquam ministro, Willelmo de Rueremunda, Symone de Zoemeren, Adam de Peer, Nycolao de Dumo et Anthonio Scrinipari presbiteris necnon Iohanni Gheyster, Coenrardo de Goch et Adriano de Monte sancte Gertrudis laicis, pronunc conventualibus conventus Bogardorum 3e regule sancti Francisci siti in Buscoducis iuxta vicum Tinctorum ibidem, qui promiserunt indivisi sub obligatione omnium bonorum dicti conventus michi ad opus opidi de Buscoducis tradere vidimus opido nisi per incendium? ut in forma. Testes Gheel et Hijnden. Datum xxiiiia septembris anno domini etc. lxxxvi.)
Henricus dictus de Beke et Luytgardis eius soror, liberi quondam Arnoldi dicti de Beke, filii naturalis domini quondam Arnoldi de Beke presbiteri, cum tutore dicte Luytgardis ad hoc ab ea electo et ei a iudice rite dato, Yngramus filius quondam Robberti dicti van Duerne, maritus et tutor legitimus ut asserebat Heilwigis sue uxoris, filie dicti quondam Arnoldi, Henricus Sweirtvegher, maritus et tutor legitimus ut asserebat Katherine sue uxoris, Willelmus dictus de Meghen bastart, maritus et tutor legitimus ut asserebat Heilwigis sue uxoris, Philippus dictus de Heesterbeke, maritus et tutor legitimus ut asserebat Mechtildis sue uxoris, et Godescalcus dictus Becker, maritus et tutor legitimus ut asserebat Beatricis sue uxoris, filiarum quondam Petri Polslauwer, ab eodem quondam Elizabeth sua uxore, filia dicti quondam Arnoldi pariter genitorum, pro seipsis, atque Iacobus Goes ex parte et nomine quorumcumque eius liberorum, ab ipso Iacobo et quondam Elizabet sua uxore, filia dicti quondam Arnoldi pariter genitorum, palam recognoverunt se divisionem hereditariam mutuo fecisse de mansione cum suis attinentiis communiter die Mortel vocata quondam Arnoldi predicti, sita in Buscoducis iuxta pontem dictum communiter die Coninxbrugge, atque de domibus et cameris que fuerant dicti quondam Arnoldi tempore decessus eius ibidem iuxta et ante predictam mansionem sitis. Mediante qua divisione domus et area sita contigue iuxta pontem predictum Coninxbrugge vocatum atque quedam camera cum eius fundo, sita iuxta communem plateam contigue iuxta stilum porte mansionis predicte, scilicet illa camera cum suo fundo que sita est a latere dicte porte versus capellam sancti Georgii, atque domus cum suo fundo et ortus situs inter hereditatem Heymerici Groy, quadam aqua interiacente, ex uno latere et inter viam ibidem ordinatam de hereditate dicti quondam Arnoldi de Beke ex alio latere, et qui domus, area et ortus tendunt retrorsum ad aquam; item medietas magni orti quondam Arnoldi de Beke, siti ibidem ultra aquam ibidem currentem, videlicet dividendo illum ortum cum suis fossatis ad ipsum pertinentibus in duas medietates equales, scilicet illa medietas que sita est versus hereditatem quamdam Iohannis dicti de Brolyo, nunc Heymerici Groy, ut ipsi dicebant, dicto Yngramo pro una medietate et dictis Henrico Sweirtvegher, Willelmo de Meghen, Philippo et Godescalco Becker (pro reliqua medietate)a cessissent in partem, prout primodicti Henricus et Luytgardis cum dicto suo tutore ab ea electo pro se et dictus Iacobus Goes pro predictis suis liberis palam recognoverunt, super quibus bonis prefatis

19

De grote tuin werd dus in vieren gedeeld. Op 20 maart 1411 maakten Luitgard van Beek en de kinderen van Jacob Goes een verdere deling. Hierbij werd het grote huis - magna domus mansionis - en de helft van de tuin aan Luitgard toebedeeld. Deze kwam hiermee in bezit van de oostelijke helft van de oorspronkelijke tuin.1 Op 11 mei 1475 droeg de weduwnaar van Luitgard, Jan Lodewijksz.
 Yngramo ac generis quondam Petri Polslauwer in partem cessis primodicti Henricus et Luytgardis cum dicto suo tutore et Iacobus pro seipso et dictis suis liberis atque super toto iure eis et dictis liberis Iacobi Goes in premissis competente ad opus dictorum Yngrami et generorum dicti quondam Petri Polslauwer legitime et hereditarie renunciaverunt effestucando modo consueto, promittentes dicti Henricus de Beke et Luytgardis cum dicto eius tutore pro se et Iacobus Goes pro dictis suis liberis super se et bona sua omnia huiusmodi divisionem et renunciacionem ratas et firmas perpetue observare et obligationem ex parte eorum in premissis existentem predictis Yngramo et generis dicti quondam deponere omnino. Et mediante qua divisione quedam camera cum suo fundo, sita in latere dicte porte versus vicum dictum Colperstraet simul cum stilis ad utroque latere dicte porte stantibus atque cum solario in edificiis supra viam ibidem consistentibus, atque domus et area et ortus cum suis fundis, siti inter predictam viam ex uno et inter hereditatem Iordani filii Arnoldi Tielkini ex alio latere, tendentes retrorsum ad aquam ibidem fluentem, atque medietas dicti magni orti ultra aquam predictam siti, scilicet dividendo ipsium ortum in duas partes vel medietates equales, videlicet illam medietatem que sita est versus conventum bagardorum, ut ipsi dicebant, prefate Luytgardi pro una medietate atque dicti liberis Iacobi Goes, ab ipso Iacobo et dicta quondam Elizabeth sua uxore pariter genitis pro reliqua medietate cesserunt in partem, prout dicti Henricus de Beke, Yngramus, Henricus Sweirtvegher, Willelmus de Meghen, Philippus et Godescalcus palam recognoverunt, super quibus bonis sic prefate Luytgardi et dictis liberis Iacobi Goes in partem cessis ut premittitur primodicti Henricus et Yngramus, Henricus Sweirtvegher, Willelmus, Philippus et Godescalcus atque super toto iure eis in eisdem boni competente ad opus dicte Luytgardis pro una medietate et ad opus dictorum liberorum dicti Iacobi pro relique medietate legitime et hereditarie renunciaverunt effestucando modo in talibus consueto, promittentes iamdicti Henricus, Yngramus et Henricus, Willelmus, Philippus et Godescalcus super se et bona sua omnia huiusmodi divisionem ac renunciacionem perpetue ratam! et firmam! servare et omnem obligacionem ex parte eorum in eisdem bonis prefatis Luytgardi ac liberis Iacobi Goes in partem cessis existentem Luytgardi ac liberis Iacobi predictis deponere omnino, additis condicionibus sequentibus, primo videlicet quod dicta via erit ac permanebit perpetue communis Luytgardi predicte et dictis liberis Iacobi Goes atque Yngramo et heredibus quondam Petri Polslauwer predicti, et ipsa via habebit latitudinem ubique novem pedatarum minus tamen quarta parte unius pedate, mensurando linealiter inter predictos duos stilos dicte porte iuxta plateam stantes et iuxta duos palos citra aquam et contigue iuxta predictam aquam sitos; item quod edificia supra predictam viam edificata et edificanda distabunt undique undique a terra sursum supra viam predictam ad altitudinem novem et dimidie pedatarum; item quod dicti Luytgardis ac liberi Iacobi Goes solvent exnunc deinceps ac perpetue medietatem census domini nostri ducis ac aliorum censuum quos dictus quondam Arnoldus de Beke solvere tenebatur decano et capitulo et quibusdam altaribus ecclesie de Buscoducis sic aut taliter quod Henrico de Beke, Yngramo predictis ac dictis Henrico, Willelmo, Philippo et Godescalco generis dicti quondam Petri ac ad et supra reliquas eorum hereditates dampna exinde non eveniant in futurum; item quod predicti Yngramus, Henricus Sweirtvegher, Willelmus, Philippus et Godescalcus reliquam medietatem iamdictorum censuum taliter ac sic solvent quod prefatis Luytgardi ac liberis dicti Iacobi ac! ad et supra reliquas eorum hereditates dampna exinde non eveniant in futurum; item quod dicte partes inter duos palos predictos facient seu fieri procurabunt unum novem pontem ultra et supra communem aquam ibidem, quem pontem dicte partes sub eorum communibus expensis in bona et laudabili dispositione conservabunt, videlicet dicti Luytgardis et liberi Iacobi Goes pro una medietate et dicti Yngramus et generi dicti quondam Petri pro reliqua medietate, prout ipse partes predicte mutuo recognoverunt et sibi mutuo cum tutore dicte Luytgardis sub obligatione premissorum bonorum eis in partem cessorum repromiserunt. Testes interfuerunt scabini in Buscoducis Iacobus de Neynsel et Willelmus Broeder. Datum feria tercia post festum beati Viti martiris anno Domini millesimo quadringentesimodecimo.
 a Deze woorden ontbreken. Zie echter de passage betreffende de andere helft van de tuin.
1.BHIC, Jezuïeten 77 (reg. 6): Luytgardis filia quondam Arnoldi dicti van Beke cum suo tutore ab ea ad hoc electo et ei a iudice rite dato et Iacobus Goes pro se et nomine atque ex parte Iacobi, Arnoldi et Henrici fratrum, liberorum primodicti Iacobi, ab eodem Iacobo et quondam Elizabeth sua uxore, filia quondam Arnoldi primodicti pariter genitorum, palam recognoverunt se divisionem hereditariam mutuo fecisse de medietate hereditatum dicti quondam Arnoldi, communiter die Mortel nuncupatarum, scilicet de illa medietate que sita est versus hereditates Iordani filii Arnoldi Tielkini tendente linealiter a communi vico usque communem aquam ibidem currentem, atque de medietate magni orti eiusdem quondam Arnoldi de Beke ibidem sita ultra aquam predictam, et que medietas orti tendit a quadam via communi ibidem sita et ordinata in primodictis hereditatibus usque ad hereditatem Iordani predicti et quorundam aliorum vicinorum ibidem huiusmodi medietas hereditatum predictarum et medietas magni orti ibidem site sunt, ut ipsi dicebant. Mediante qua divisione quedam camera dicti quondam Arnoldi de Beke, sita ibidem contigue iuxta portam eiusdem quondam Arnoldi de Beke atque quidam ortulus situs retro cameram iamdictam; insuper quedam domuncula cum quadam vacua hereditate retro
20

van Kraandonk, die inmiddels wel stokoud moet zijn geweest, het huis en de helft van de tuin over aan Sander Ottenz. Piek van Batenburg.1
In de jaren vijftig van de vijftiende eeuw procedeerde Jan van Kraandonk tegen een aantal buren, die hun uitwerpselen zowel in de Mortelgrave als op het land deponeerden, wat een geweldige stinkboel opleverde. De transcriptie van het bewaard gebleven processtuk is als bijlage aan dit verslag toegevoegd.
Tussen 11 mei 1475 en 6 juli 1481 moet de helft van de tuin in het bezit van de begarden zijn gekomen. In een akte van laatstgenoemde datum is als belending van bezitttingen van Aart Ingramsz. van Deurne goudsmid sprake van huis en erf eertijds van Jan van Kraandonk, nu van de broeders begarden.2 Op 24 september 1486 droeg het klooster de zuidelijke helft van de tuin over aan de stad, die ze bestemde voor het plaatsen van lakenramen. In het archief van de jezuïeten bevinden zich drie door het stadsbestuur uitgevaardigde akten waarin stukjes van de tuin werden verkocht aan particulieren. Het waren er minstens zeven; zoals uit een akte van 26 november 1496 blijkt, werd het zevende namelijk verkocht aan Jacob Hendriksz. Donk.3 Het tweede werd eveneens verkocht aan Jacob Hendriksz. Donk, het derde en vierde aan Wouter Jansz. Ooms en het zesde aan Klaas Coel van
 eandem domunculam sita, tendens a communi vico retrorsum ad magnam domum mansionis eiusdem quondam Arnoldi de Beke ibidem sitam, dempto tamen de huiusmodi spacio una et dimidia pedatis terre inter iamdictam magnam domum et dictam vacuam hereditatem situato, que una et dimidia pedate ibidem remanebunt pro communi stillicidio dicte magne domus et dicte vacue hereditatis, simul cum edificiis supra portam predictam consistentibus et cum iure viandi per eandem portam et dictam viam usque ad aquam predictam, prout dictus quondam Arnoldus de Beke in eisdem decessit, ut ipsi dicebant, prefatis Iacobo, Arnoldo et Henrico fratribus, liberis dictorum Iacobi Goes et quondam Elisabeth sue uxoris cesserunt in partem, ut dicta Luytgardis cum dicto suo tutore palam recognoverunt, super quibus bonis, sic iamdictis liberis Iacobi Goes in partem cessis, atque super toto iure sibi in eisdem bonis competente ad opus eorundem liberorum Iacobi Goes legitime et hereditarie renunciaverunt effestucando modo in talibus consueto --- . Et mediante qua divisione magna domus mansionis supradicta atque dicta medietas dicti magni orti ibidem ultra communem aquam siti, simul cum iure viandi per viam et portam predictas atque cum iure pertinente ad pontem ibidem consistentem ac situandam, scilicet in forma et omni iure, prout huiusmodi pons situs est ibidem et situandam pertinet et pertinebit ad reliquam hereditatem dicti quondam Arnoldi, nunc ad Yngramum dictum van Doern spectantem, ut ipsi dicebant, dicte Luytgardi cesserunt in partem, prout dictus Iacobus Goes palam recognovit ---, talibus condicionibus annexis quod dicta Luytgardis medietatem census domini nostri ducis atque medietatem hereditarii census octo librarum communis pagamenti, quos census primodictus quodam Arnoldus de Beke solvere consuevit ex certis integris suis hereditatibus exnunc deinceps taliter solvet ---; item quod iamdicti Luytgardis et liberi Iacobi Goes pariter servabunt dictam portam pendentem in introitu dicte vie ac eam tenebunt in bona et laudabili disposicione suis communibus expensis iuxta tenorem, condicionatum et ordinacionem factam in divisione alias facta de predictis integris hereditatibus. Insuper promisit dictus Iacobus Goes super se et bona sua omnia dicte Luytgardi quod ipse dictos Iacobum, Arnoldum et Henricum eius liberos et quemlibet eorum quamcito ad annos pubertatis pervenerint seu pervenerit super premissis bonis dicte Luytgardi in partem cessis et super toto iure eis in eisdem bonis competente ad opus eiusdem Luytgardis hereditarie faciet renunciare dicteque divisione consentire eamque promittere ratam servare et cum effectu adimplere et non contravenire ---. Datum anno Domini millesimo ccccmo decimo, feria sexta post dominicam qua cantatur Oculi.
1.R. 1244, f. 203v. Zie verder De Bruijn, ‘Magnus ortus’, 29-33.
2.R. 1250, f. 347v.: contigue iuxta domum et aream olim Iohannis de Craendonck, nunc fratrum bagardorum in Buscoducis.
3.BHIC, Jezuïeten 79 (reg. 71); R. 1265, f. 505v.: Henricus filius quondam Hermanni de Davantria particulam hereditatis dictam een gedeelt, sumptam de quadam hereditate den Mortel nuncupata oppidi de Buscoducis, sitam in dicto oppido in loco dicto den Mortel ad partem versus oriens inter hereditatem Nicolai Coel de Orthen ex uno et inter hereditatem Wolteri Oems ex alio, et que particula hereditatis predicte ante et retro continet latitudinem viginti quatuor pedatarum, simul cum quadam portione cuiusdam? novi muri voer aen thooft secundum portionem latitudinis particule hereditatis predicte nec non iure utendi dicto vico nec non quodam gradu aquatili iuxta hunc finem et prope pontem ad aquam ibidem adhuc ordinandum similiter aliis hominibus eciam ius in eisdem habentibus, et que particula hereditatis predicte est septima in ordine de pluribus aliis hereditatibus quibusdam aliis personis predictum! oppidum! venditis capiendo ordinem ad et iuxta quendam murum dictum een weersmur, qui tendit a dicto vico usque ad conventum bogardorum ibidem, et quam particulam hereditatis predicte cum iuribus et attinentiis predictis Franco de Langel ad opus dicti Henrici erga Iacobum Donck, filium quondam Henrici, acquisierat, prout in litteris, hereditarie supportavit Henrico filio Wilhelmi Martenszoen ---, salvo et dicto Henrico reservato suo hereditario censu viginti duarum librarum monete sibi a dicto Wilhelmo ex predicta hereditate et quibusdam aliis hereditatibus hodierna die venditis ---. Datum xxvi novembris.
21

Orthen.1 De tekst van de verkoop van dit zesde perceel luidt:
Wij scepenene, gezworen raidslude diemen noempt ledige lude, dekenen vanden ambachten, een deel der goeder knapen ende alle die gemeyn stadt van sHertogenbossche doen condt allen luyden dat wij van wegen ende in name der voirscreven stadt voir ons ende voir onse oire ende nacomelingen nae ons wittelicken ende waell vercoft hebben Claessen Coell van Orten een stuck erffenissen geheiten een gedeelte, genomen van eenre erffenissen den Mortel genoemt aen die zijde oestwarts, tussen den erve Jans die Haze Henrix soene aen deen zijde ende tussen den erve Jacop Donck aen dander zijde, streckende vander gemeynre straten scerp vuyt gaende tott opten erve Henrick Oems, Dirck Colen ende Thomas vander Rullen, ende welck stuck erffenissen voirscreven voir ende after helt een gelike breydde van vier ende twintich voeten, te samen oick met enen gedeelte vander nuwer mueren voire aent hooft na vervolge der breydden vanden stuck erfffenissen voirscreven, ende metten gebruycke vander voirscreven straten ende oick vanden watertrappen diemen op dit eynde ruerens aen dat brugsken aent dwater aldair noch ordineren sall, gelijc anderen diversen personen oick hen gebruyck dair inne hebbende, ende welck stuck erffenissen voirscreven is dat seste erve inder ordinancie, als van meer erven die dese stadt nuu anderen diversen personen aldair vercoft heeft, ende men sall die oirden ierst aennemen op dit eynde aen die nuwe dweers muer die dair strect vander straten totten convente toe vanden bogarden aldair, vanden voirscreven Claessen Coell van Orten ende zijnen oire, erve ende nacomelingen nae hem dit voirscreven stuck erffenissen mit zijnen rechte ende toebehoirten in eenen erffelicken rechte te hebbenen ende te gebruycken. Ende hebben alsoe geloeft ende geloven voir onse nacomelingen nae hem vanden voirscreven erve met zijnen rechten ende toebehoirten sculdige ende gerechte sullen doen waerscap, ende allen commer ende aensprake dair inne wesende off namails comende den selven aff te doene geheelyck, met sulker conditien ende vorwairden dair inne toegedaen als dat die voirscreven Claes Coell van Orten hij noch zijn nacomelingen nae hem die voirscreven erffenisse tot egeenen toecomende tijden en sullen vercopen, verhueren noch in hennen name laten gebruycken ennigen geestelicken personen, ende dat op die verboerte vanden erffenisse voirscreven, bij alsoe off dat alsoe gebourden, dwelc ummer alsoe niet gescieden en moet, dat alsdan dese erven ter stonde wederomme erffelick comen sullen aen die voirscreven stadt sonder verdrach. Item noch is vorwairde ende bespreck, inden gevalle dat die possessoren nae tijde wesende vanden anderen erven oick den Mortel genoemt op dander zijde vander gemeynre straten dair tegenover liggende die selver hen erven namails betymmeren wilden, dat zij alsdan sculdich sullen wesen metter selver huere tymmeringen vander voirscreven gemeynre straten achterwairts te vlieden ende tussen die voirscreven straet ende hen hen tymmeringe vander voirscreven ombecummert te laten van een spatie van thien voeten omme die voirscreven straet des huer volcomen breydde te hebbenen ende te behouden, alle fraude ende argelist dair inne uutgesceiden. Ende want wij willen dat allen dese voirscreven punten vast ende stade sullen moigen bliven ten ewigen daigen sonder dair tegen yet te doene off in onsen name ter contrarien van dien te laten gescien in enniger manieren, soe hebben wij den gemeynen groeten segel der voirscreven stadt van sHertogenbossche hier beneden aen desen onsen brieff doen hangen in oirconden der wairheit. Gegeven opten achtiensten dach der maent van decembri int jair ons Heeren duysent vierhondert negen ende tachtentich.
Op 26 november 1496 transporteerde Hendrik Hermansz. van Deventer het zevende perceel, zoals hierboven al vermeld afkomstig van Hendrik Jacobsz., aan Hendrik Willem Martensz.2
1.BHIC, Jezuïeten 79, reg. 65; 81, reg. 66; 80, reg. 67. De aanduidingen in de regesten bij de inventaris zijn ten dele onjuist.
2.BHIC, Jezuïeten 79 (reg. 72). Op de rug onder meer: Henricus de Davantria. xxii pont inden inden! Mortel. Den brief van xxii £ inden Mortel.
Henricus filius Willelmi Martenszoen, Iohannes vander Aa carpentator senior et Iohannes filius quondam Amisii Blocks legitime et hereditarie vendiderunt Henrico filio quondam Hermanni de Davantria annuum et hereditarium censum viginti duarum librarum monete --- in festo purificationis beate Marie virginis --- de et ex particula hereditatis dicta een gedeelt, sumpta de quadam hereditate den Mortel nuncupata opidi de Buscoducis, sita in dicto opido in loco dicto den Mortel ad partem versus oriens inter hereditatem Nycolai Coel de Orthen ex uno latere et inter hereditatem Wolteri Oems ex alio

22

Ruim een maand later, op 30 december 1496 vond er een uitgebreide herverkaveling van de uitgegeven stukjes grond plaats. Om te beginnen droeg Aart Jansz. wolwever zijn recht op een stukje erf genomen uit een stukje erf genaamd enen overloep uit de Mortel samen met een deel van de nieuwe muur voor aan het hoofd en gebruik van de weg en de watertrap bij een brug aldaar en uit een ander stuk erf geheten een gedeelte ook met een deel van de muur en het genoemde gebruik, welke erven hij samen met Jan Jansz. Ooms van de stad had gekocht, over aan genoemde Jan Ooms. Vervolgens droegen genoemde Aart Jansz. en Jan Ooms stukjes erf uit het resterende deel van de genoemde overloep en het gedeelte over aan respectievelijk Frank Post, Roelof Gijsbertsz. wolwever, Hendrik Ooms Jansz., Antonis Zerijs, Berend Pas en Thomas Costers. Jan Ooms droeg nog zijn recht op een stukje over aan Aart Jansz.1
 latere; insuper ex domo, area et orto dicti Iohannis vander Aa, sitis in opido predicto in vico dicto die Kerckstraet ---; item ex particula hereditatis dicti Iohannis Blocks, sita in Buscoducis in oppositum particule hereditatis iamdicte in loco dicto den Mortel inter hereditatem Laurencii die Tymmerman ex uno latere et inter hereditatem Iohannis Jacops soen ex alio latere, tendente a communi vico dicto den Mortel ad hereditatem domini Cornelii de Bergis --- supportaverunt et effestucando resignaverunt ---. Datum vicesimasexta die mensis novembris anno Domini millesimo quadringentesimo nonagesimosexto.
1.R. 1265, f. 305-309. In de kantlijn bij onderstaande akte: A.
Notum sit universis quod cum Iohannes Oems, filius Iohannis, et Arnoldus Janssoen textoris laneorum peciam hereditatis dictam enen overloep, sumptam de quadam hereditate den Mortel appellata opidi de Buscoducis, sitam in quodam loco den Mortel nuncupato ad latus versus oriens inter hereditatem Iohannis Oems et Arnoldi Jans soen predictorum ex uno et inter hereditatem Iohannis Oems, Franconis Post, liberorum quondam Wolteri vander Stappen, Henrici Oems, domini Iohannis Zerijs, Bernardi Pass et Arnoldi Jans zoen ex alio, tendentem a communi platea retrorsum usque ad hereditatem relicte quondam Petri Martens et Gerardi Zerijs, simul etiam cum quadam parte cuiusdam novi muri ante in capite secundum exigentiam latitudinis dicte pecie hereditatis, et cum iure utendi quadam platea ibidem et gradu aquatili ibidem adhuc ordinando iuxta quendam pontem ibidem; insuper quandam aliam peciam hereditatis dictam een gedeelte, sumptam de quadam hereditate den Mortel appellata opidi de Buscoducis, sita in quodam loco den Mortel nuncupato ad latus versus oriens inter hereditatem Wolteri Oems Jans zoen ex uno et inter dictam hereditatem den overloep vocatam Iohannis Oems et Arnoldi Jans zoen predictorum ex alio, tendentem a communi platea linealiter retrorsum vulgariter dicendo lijnrecht scerp uutgaende usque ad hereditatem Thome Costers et Elizabeth relicte quondam Petri Martens, nunc uxoris legitime Lamberti de Scijnle, et que pecia hereditatis predicta ante et retro continet unam equalem latitudinem vigintiquatuor pedatarum, simul etiam cum quadam parte cuiusdam novi muri ante in capite secundum exigentiam latitudinis iamdicte pecie hereditatis, et cum iure utendi platea et gradu aquatili predictis, erga dictum opidum de Buscoducis emendo acquisivissent ---, constitutus igitur --- dictus Arnoldus Janssoen totam partem et omne ius ad ipsum ut dicebat spectantem in particula hereditatis quatuor virgatas et quarta parte unius virgate terre unacum parte novi muri ibidem continentem, sumptam de peciis hereditatum predictarum sitam ibidem inter dictam communem plateam ex uno et inter hereditatem Franconis Post ex alio et fine uno, tendentem cum reliquo fine ad domum posteriorem et ortulum Theoderici vanden Waude, filii Theoderici, ut dicebat, hereditarie supportavit dicto Iohanni Oems ---. Datum penultima decembris.
Notum sit universis quod cum ita actum esset prout in contractu precedente usque ibi ‘constitutus’ et tunc sic: constituti igitur coram scabinis infrascriptis dicti Iohannes Oems et Arnoldus Janssoen duas et dimidiam virgatas et decimam partem unius virgate terre, sumptas de peciis hereditatum predictis, sitas ibidem contigue iuxta domum posteriorem Franconis predicti inter hereditatem dicti Iohannis Oems ex uno et inter hereditatem Rodolphi Ghijsberts ex alio, tendentes a dicta domo posteriori ad hereditatem olim Wolteri Oems, nunc dicti Franconis, simul cum iure utendi dictis communi platea et gradu aquatili similiter aliis personis etiam ius inibi habentibus, ut dicebant, hereditarie supportaverunt dicto Franconi Post ---. Testes, datum supra.
Notum sit universis quod cum ita actum esset prout in contractu A usque ibi ‘constitutus’ et tunc sic: constituti coram scabinis infrascriptis dicti Iohannes Oems et Arnoldus Janssoen unam virgatam et terciam partem unius virgate hereditatis, sumptas de peciis hereditatum predictis, sitas ibidem contigue iuxta domum posteriorem Rodolphi Gijsberts inter hereditatem dicti Franconis Post ex uno et inter hereditatem Henrici Oems Janssoen ex alio, tendentes a dicta domo posteriori ad hereditatem olim Wolteri Oems, nunc dicti Franconis Post, simul cum iure utendi dictis communi platea et gradu aquatili similiter aliis personis etiam ius inibi habentibus, ut dicebant, hereditarie supportaverunt dicto Rodolpho Ghijsberts textori laneorum ---. Testes, datum supra.
Notum sit universis quod cum ita actum esset prout in contractu A usque ibi ‘constitutus’ et tunc sic: constituti coram scabinis infrascriptis dicti Iohannes Oems et Arnoldus Janssoen duas virgatas et terciam partem unius virgate necnon terciam partem unius pedate hereditatis, sumptas de peciis hereditatum predictis, sitis ibidem contigue iuxta ortulum Henrici Oems et domum posteriorem Rodolphi Ghysberts inter hereditatem eiusdem Rodolphi ex uno et inter hereditatem

23

Wouter Jansz. Ooms had een stuk erf geheten een gedeelte met de genoemde rechten van de stad gekocht. Hiervan had hij het grootste deel aan Frank Klaasz. Post verkocht. Op genoemde datum 30 december 1496 droeg genoemde Frank hieruit stukjes erf met de genoemde gebruiksrechten over aan genoemde Jan Ooms, Roelof Gijsbertsz., Hendrik Ooms Jansz., Antonis Zerijs, Berend Pas en Aart Jansz.1 Vervolgens gaf Frank aan de eigenaren of bezitters van de huizen van respectievelijk Antonis
 Anthonii Zerijs ex alio, tendentes ab ortulo et dicta domo posteriori predictis ad hereditatem olim Wolteri Oems, nunc dicti Franconis Post, simul cum iure utendi dictis communi platea et gradu aquatili similiter aliis personis eciam ius inibi habentibus, ut dicebat, hereditarie supportaverunt dicto Henrico Oems Janssoen ---. Testes, datum supra.
Notum sit universis quod cum ita actum esset prout supra in contractu A usque ibi ‘constitutus’ et tunc sic: constituti coram scabinis infrascriptis dicti Iohannes Oems et Arnoldus Jans zoen dimidiam virgatam, quartam partem unius virgate necnon octavam partem unius virgate hereditatis, sumptas de peciis hereditatis predictis, sitas contigue iuxta hereditatem seu cloacam Anthonii Zerijs inter hereditatem Henrici Oems Janssoen ex uno et inter hereditatem Bernardi Pass ex alio, tendentes a dicta cloaca ad hereditatem olim Wolteri Oems, nunc Franconis Post, simul cum iure utendi dictis communi platea et gradu aquatili similiter aliis personis etiam ius inibi habentibus, ut dicebat, hereditarie supportaverunt Anthonio Zerijs predicto ---. Testes, datum supra.
Notum sit universis quod cum ita actum esset prout supra in contractu A usque ibi ‘constitutus’ et tunc sic: constituti coram scabinis infrascriptis dicti Iohannes Oems et Arnoldus Janssoen dimidiam virgatam necnon quartam et octavam partes unius virgate hereditatis, sumptas de peciis hereditatum predictis, sitas ibidem contigue iuxta hereditatem seu cloacam Bernardi Pass inter hereditatem Anthonii Zerijs ex uno et inter hereditatem Arnoldi Janssoen predicti ex alio, tendentes a dicta cloaca ad hereditatem olim Wolteri Oems, nunc dicti Franconis Post, simul cum iure utendi dictis communi platea et gradu aquatili similiter aliis personis etiam ius inibi habentibus, ut dicebant, hereditarie supportaverunt dicto Bernardo Pass ---. Testes, datum supra.
Notum sit universis quod cum ita actum esset ut in contractu A usque ibi ‘constitutus’ et tunc sic: constituti coram scabinis infrascriptis dictus Iohannes Oems totam partem et omne ius ad ipsum ut dicebat spectantem in una et dimidia virgatis hereditatis minus dimidia quarta parte unius pedate, sumptis de peciis hereditatis predictis, sitis ibidem contigue iuxta hereditatem dicti Arnoldi, Elizabeth relicte quondam Petri Martens, nunc uxoris legitime Lamberti de Scijnle, et Henrici Valkenborch inter hereditatem Bernardi Pass ex uno et inter hereditatem Thome Costers ex alio, tendentibus ab hereditate dictorum Arnoldi, Elizabeth et Henrici ad hereditatem olim Wolteri Oems, nunc Franconis Post, simul cum iure utendi utsupra, ut dicebat, hereditarie supportavit dicto Arnoldo Janssoen ---. Testes, datum supra.
Notum sit universis quod cum ita actum esset utsupra in contractu A usque ibi ‘constitutus’ et tunc sic: constituti coram scabinis infrascriptis dicti Iohannes Oems et Arnoldus Janssoen septem er dimidiam pedatas hereditatis, sumptas de peciis hereditatis predictis, sitas contigue iuxta hereditatem Thome Costers inter hereditatem dicti Arnoldi Janssoen ex uno et Wolteri Oems ex alio latere et fine uno, tendentes cum reliquo fine ad dictam hereditatem Thome predicti, simul cum iure utendi dictis communi platea et gradu aquatili similiter aliis personis etiam ius inibi habentibus, ut dicebat, hereditarie supportaverunt dicto Thome Costers ---. Testes, datum supra.
1.In de kantlijn bij onderstaande akte: B.
Notum sit universis quod cum Wolterus Oems, filius Iohannis, peciam hereditatis, dictam een gedeelte, sumptam de quadam hereditate den Mortel appellata opidi de Buscoducis, sitam in quodam loco den Mortel nuncupato ad latus versus oriens inter hereditatem Iacobi Donck ex uno et inter hereditatem Arnoldi Jans soen et Iohannis Oems Jans soen ex alio, tendentem a communi platea linealiter retrorsum vulgariter dicendo scerp uutgaende usque ad hereditatem Nycolai Coel van Orthen, dicti Iohannis Oems et Thome die Coster, et que pecia terre ante et retro continet unam equalem latitudinem vigintiquatuor pedatarum, simul etiam cum quadam parte cuiusdam novi muri ante in capite secundum exigentiam latitudinis dicte pecie hereditatis, et cum iure utendi quadam platea ibidem et gradu aquatili ibidem adhuc ordinando iuxta quendam pontem ibidem erga dictum opidum de Buscoducis emendo acquisivisset ---; cumque dictus Wolterus maiorem partem sumptam de dicta pecia hereditatis Mortel vocate, illam vero maiorem partem que tendit a communi platea versus oriens usque dat quendam palum contigue iuxta hereditatem dicti Iacobi Donck ibidem terre infixum necnon ad quendam alium palum iuxta hereditatem Arnoldi Janssoen ibidem terre infixum, et que maior pars predicta ad latus et versus hereditatem dicti Iacobi Donck centum pedatas et ad latus versus hereditatem dicti Arnoldi Janssoen centum et undecim pedatas, unacum parte novi muri ad et iuxta dictam communem plateam ibidem consistentis in longitudine continet, simul cum iure utendi dictis communi platea et gradu aquatili, salvo tamen dicto Woltero et sibi libere reservato suo usu per et trans dictam maiorem partem contigue iuxta hereditatem dicti Iacobi Donck in quadam via latitudinis sex pedatarum et quo ad longitudinem maioris partis pecie hereditatis predicte usque ad communem plateam predictam hinc et illinc ad eius commodum et profectum hereditarie supportasset Franconi Post, filio quondam Nycolai Post, prout in litteris, constitutus igitur coram scabinis infrascriptis dictus Franco particulam hereditatis que sita est ibidem contigue iuxta communem plateam inter eandem plateam ex uno et inter hereditatem Franconis Post ex alio, tendentem ab hereditate dicti Iohannis Oems usque ad dictam viam ibidem protensam, et que particula hereditatis predicta decem et octo pedatas in longitudine et

24

 in medio eiusdem unacum parte novi muri ad et iuxta dictama plateam consistentem viginti novem pedatas in latitudine continet, simul cum iure utendi dicta via usque ad dictam plateam, per quandam portam in novo muro ad finem eiusdem vie ordinata hinc et illinc, eundo et redeundo necnon eisdem porta, communi platea et gradu aquatili predicto similiter aliis personis etiam ius inibi habentibus, ut dicebat, hereditarie supportavit Iohanni Oems predicto ---, salvo tamen dicto Franconi Post occasione sue particule hereditatis longitudinis decem et octo et latitudinis vigintiquatuor pedatarum ibidem site etiam suo usu in via, porta, platea et gradu aquatili predictis, tali annexa condicione quod dicti Franco et Iohannes Oems dictam viam nullis suis edificiis occupare nec stillicidium supra dictam viam ponere nec aquam aliquam ducere poterunt, sed omnino eandem inoccupatam et in latitudine qua iam existit manere permittent, expensas quoque in reparatione ac refectione eiusdem vie necnon porte, platee et gradus aquatilis predictorum imposterum faciendis tociens quociens id opus fuerit secundum quantitatem suarum hereditatum portare tenebuntur ---. Testes, datum supra.
Notum sit universis quod cum ita actum esset ut in contractu B usque ibi ‘constitutus’ et tunc sic: constitutus igitur coram scabinis infrascriptis dictus Franco particulam hereditatis, sumptam de dicta maiori parte pecie hereditatis predicte, illam scilicet particulam hereditatis que sita est ibidem inter hereditatem dicti Franconis ex uno et inter hereditatem Henrici Oems Janssoen ex alio, tendentem ab hereditate Rodolphi Ghysberts ad dictam viam ibidem protensam, et que particula hereditatis predicta decem et octo in longitudine et sex pedatas in latitudine continet, simul cum iure utendi dicta via usque ad dictam plateam per quandam portam in novo muro ad finem eiusdem vie ordinatam hinc et illinc, eundo et redeundo, necnon eisdem porta, communi platea et gradu aquatili predicto similiter aliis personis etiam ius inibi habentibus, salvo nichilominus eidem Franconi occasione certe particule hereditatis longitudinis decem et octo et latitudinis vigintiquatuor pedatarum ibidem sitarum suo usu in via, porta, platea et aquatili gradu predictis, ut dicebat, hereditarie supportavit dicti Rodolpho Ghysberts ---. Testes, datum supra.
 Notum sit universis quod cum ita actum esset utsupra in contractu B usque ibi ‘constitutus’ et tunc sic: constitutus igitur coram scabinis infrascriptis dictus Franco particulam hereditatis, sumptam de dicta maiori parte pecie hereditatis predicte, illam scilicet particulam hereditatis que sita est ibidem inter hereditatem Rodolphi Ghysberts ex uno et inter hereditatem Anthonii Zerijs ex alio, tendentem ab hereditate Henrici Oems ad dictam viam ibidem protensam, et que particula hereditatis predicta decem et octo pedatas in longitudine et sedecim pedatarum in latitudine continet, simul cum iure utendi dicta via usque ad dictam plateam per quandam portam in novo muro ad finem eiusdem vie ordinatam hinc et illinc, eundo et redeundo, necnon eisdem porta, communi platea et gradu aquatili predicto similiter aliis personis etiam ius inibi habentibus, salvo nichilominus eidem Franconi occasione certarum suarum hereditatum sitarum ibidem suo usu in via, porta, platea et aquatili gradu predictis, ut dicebat, hereditarie supportavit dicto Henrico Oems Janssoen ---, tali condicione annexa quod dictus Henricus Oems dictam iam nullis suis edificiis occupare nec stillicidium supra dictam viam ponere nec aquam ducere poterunt, sed omnino eandem inoccupatam et in supradicta latitudine manere promittet, expensas quoque in reparatione ac refectione eiusdem vie necnon porte, platee et gradus aquatilis predictorum imposterum faciendis tociens quociens id opus fuerit secundum quantitatem suarum hereditatum ibidem cum aliis in premissis ius habentibus portare tenebitur ---. Testes, datum supra.
 Notum sit universis quod cum ita actum esset utsupra in contractu B usque ibi ‘constitutus’ et tunc sic: constitutus igitur coram scabinis infrascriptis dictus Franco particulam hereditatis, sumptam de dicta maiori parte pecie hereditatis predicte, illam scilicet particulam hereditatis que sita est ibidem inter hereditatem Henrici Oems ex uno et inter hereditatem Bernardi Pass ex alio, tendentem ab hereditate Anthonii Zerijs ad dictam viam ibidem protensam, et que particula hereditatis predictam decem et octo pedatas in longitudine et quinque pedatas in latitudine continet, simul cum iure utendi dicta via usque ad dictam plateam per quandam portam in novo muro ad finem eiusdem vie ordinatam hinc et illinc, eundo et redeundo, necnon eisdem porta, communi platea et gradu aquatili predicto similiter aliis personis etiam ius inibi habentibus, ut dicebat, hereditarie supportavit dicto Anthonio Zerijs ---, salvo tamen dicto Franconi occasione certarum suarum hereditatum ibidem suo usu in via, porta, platea et gradu aquatili predictis, cum condicione ut iam supra mutatis mutandis. Testes, datum supra.
 Notum sit universis quod cum ita actum esset utsupra in contractu B usque ibi ‘constitutus’ et tunc sic: constitutus igitur coram scabinis infrascriptis dictus Franco particulam hereditatis, sumptam de dicta maiori parte pecie hereditatis predicte, illam scilicet particulam hereditatis que sita est ibidem inter hereditate Anthonii Zerijs ex uno et inter hereditatem Arnoldi Janssoen ex alio, tendentem ab hereditate Bernardi Pass usque ad dictam viam ibidem protensam, et que particula hereditatis predictam decem et octo pedatas in longitudine et quinque pedatas in latitudine continet, simul cum iure utendi dicta via usque ad dictam plateam per quandam portam in novo muro ad finem eiusdem vie ordinatam hinc et illinc, eundo et redeundo, necnon eisdem porta, communi platea et gradu aquatili predicto similiter aliis personis etiam ius inibi habentibus, ut dicebat, hereditarie supportavit dicto Bernardo Pass ---, salvo tamen et cum condicione utsupra mutatis mutandis. Testes, datum supra.
 Notum sit universis quod cum ita actum esset utsupra in contractu B usque ibi ‘constitutus’ et tunc sic: constitutus igitur coram scabinis infrascriptis dictus Franco particulam hereditatis, sumptam de dicta maiori parte pecie hereditatis predicte, illa scilicet particula hereditatis que sita est ibidem inter hereditatem Bernardi Pass ex uno et inter hereditatem Wolteri
25

Zerijs en de armen van de Weversplaats, van Liesbet weduwe van Peter Martens, van Gerit Zerijs, van Hendrik Jansz. Valkenburg en van Hendrik Jansz. Ooms het recht om gebruik te maken van de zojuist genoemde weg, poort en watertrap.1
 Oems ex alio, tendentem ab hereditate dicti Arnoldi Janssoen usque ad dictam viam ibidem protensam, et que particula hereditatis decem et octo pedatas in longitudine et quindecim et dimidiam pedatas in latitudine continet, simul cum iure utendi dicta via usque ad dictam plateam per quandam portam in novo muro ad finem eiusdem vie ordinatam hinc et illinc, eundo et redeundo, necnon eisdem porta, communi platea et gradu aquatili predicto similiter aliis personis etiam ius inibi habentibus, ut dicebat, hereditarie supportavit dicto Arnoldo Janssoen --- salvo tamen et cum condicione utsupra mutatis mutandis. Testes, datum supra.
1.In de kantlijn bij onderstaande akte: C.
 Notum sit universis quod cum ita actum esset ut in contractu B usque ibi ‘constitutus’ et tunc sic: constitutus igitur coram scabinis infrascriptis dictus Franco palam recognovit et consentiit quod Thomas die Coster necnon sui post ipsum successores, possessores prio tempore domus et aree sue inhabitationis, site in oppositum capelle sancte Barbare in Buscoducis, per et trans dictam viam usque ad dictam plateam per quandam portam in quodam novo muro ad finem eiusdem vie contigue iuxta dictam plateam consistentem et ordinatam hinc et illinc, ad eorum profectum viare eisdemque via, porta, platea et gradu aquatili predicto, uti et frui poterunt similiter aliis personis etiam ius inibi habentibus, et quod ea occasione iidem Thomas et sui post ipsum successores, possessores dicte domus et aree suam quotam huiusmodi exprensarum in reparatione et refectione vie, porte, platee et gradus aquatilis predictorum imposterum faciendis tociens quociens opus erit proportionaliter et similiter aliis inibi ius habentibus saltem secundum exigentiam sui usus portare et solvere tenebitur ---. Testes, datum supra.
 Notum sit universis quod cum ita actum fuisset utsupra in contractu B usque ibi ‘constitutus’ et tunc sic: constitutus igitur coram scabinis infrascriptis dictus Franco palam recognovit et consentiit quod proprietarii seu possessores pro tempore cuiusdam domus et aree, site in Buscoducis ad locum dictum Buerde olim Petri Zerijs, filii quondam Petri Zerijs senioris, depost domini Iohannis Zerijs presbiteri et Anthonii sui fratris, nunc vero eiusdem Anthonii et tronci seu pauperum ad vicum dictum Weverplaetse inter hereditatem eiusdem Anthonii ex uno et inter hereditatem Henrici Oems Janssoen ex alio per et trans dictam viam usque ad dictam plateam per quandam portam in quodam novo muro ad finem eiusdem vie contigue iuxta dictam plateam consistentem et ordinatam hinc et illinc ad eorum profectum viare per totum ut iam supra mutatis mutandis ---. Testes, datum supra.
Tradatur dicto Anthonio.
 Notum sit universis quod cum ita actum fuisset utsupra in contractu B usque ibi ‘constitutus’ et tunc sic: constitutus igitur coram scabinis infrascriptis dictus Franco palam recognovit et consentiit quod Lambertus de Scijnle tamquam maritus et tutor legitimus Elizabeth sue uxoris, relicte quondam Petri Martens, necnon sui post ipsum successores, possessores pro tempore cuiusdam domus et aree olim Petri Martens, nunc dicte Elizabeth, site in Buscoducis ad vicum dictum die Buerde inter hereditatem Henrici Valkenborch ex uno et inter (hereditatem) Thome Costers ex alio per et trans dictam viam usque ad dictam plateam per quandam portam in quodam novo muro ad finem eiusdem vie et sic ulterius utsupra in contractu C ---. Testes, datum supra.
 Notum sit universis quod cum ita actum esset utsupra in contractu B usque ibi ‘constitutus’ et tunc sic: constitutus igitur coram scabinis infrascriptis dictus Franco palam recognovit et consentiit quod Henricus Valkenborch, filius quondam Iohannis tamquam proprietarius pronunc cuiusdam domus et aree olim Gerardi Zerijs et sui post ipsum successores, possessores pro tempore domus et aree predicte, site in Buscoducis in oppositum capelle sancte Barbare per et trans dictam viam usque ad dictam plateam per quandam portam in quodam novo muro ad finem eiusdem vie et sic ulterius utsupra in contractu C ---. Testes, datum supra.
 Thomas die Coster, Arnt Jans zoen, Wouter Oems, Lambert van Scynle als man ende man! Lysbetten zyns wyfs, weduwe wylen Peter Martens, ende Henrick Valkenborch hebben oepenbaerlike bekent als hoe dat zy mynlic overcomen zyn van zekere conventien, vorwarden ende ordinancien aengaende enen wech geordineert tusschen den erve ende hoff Arnt Janssoen ter eenre dende den erve Thomas die Coster ende Wouter Oems ter andere zyden, streckende vanden erve des voirscreven Arnts ende Thomas westwairt tot op enen wech aldair teynden geordineert ruerens byden erve voirtyts Jacop Donckx, breet wesende sess voeten nae forme ende manieren hier nae bescreven. Inden iersten eest vorwarde dat Arnt Jans zoen voirscreven tusschen breyden des yerste genoemden weechs van zynen properen erve ende (niet afgemaakt).
 Notum sit universis quod cum ita actum esset utsupra in contractu B usque ibi ‘constitutus’ et tunc sic: constitutus igitur coram scabinis infrascriptis dictus Franco palam recognovit et consentiit quod Henricus Oems Jans soen tamquam proprietaris pronunc cuiusdam domus et aree, site in Buscoducis ad locum dictum die Buerde inter hereditatem eiusdem dicti Henrici ex uno et inter hereditatem Anthonii Zerijs et pauperum vici dicti vanden Weverplaetsen ex alio, necnon sui post ipsum successores, possessores pro tempore eiusdem domus et aree per et trans dictam viam usque ad dictam plateam et sic ulterius ut in contractu C ---. Testes, datum supra.
 a In het hs. tweemaal dictam.
26

Deze akten bevatten een groot aantal situeringen. Duidelijk is dat een aantal percelen aan de Weversplaats lagen. Alleen voortgezette studie naar de noordzijde van de Weversplaats tussen de straat Mortel en de Beurdsestraat zou de ligging van deze percelen nader kunnen specificeren. Naar achteren, dus in de Mortel, is deze specificatie waarschijnlijk niet meer mogelijk, tenzij de genoemde muur en watertrap nog eens bij archeologisch onderzoek aan het licht zouden komen.

Huis van Albert Simon Thomasz.

Op 12 mei 1509 werd aan Jan Dirk Roelofsz., weduwenaar van Liesbet Wouter des Cremers Jansz. gerechtelijk toegeëigend een huis, erf, tuin, leeg erf van Albert Simon Thomasz. in de Mortel tussen erf van wijlen Jacob van den Eynde en tussen erf van Jan Ooms, Frank Post en Klaas Coel van Orthen, met een weg ertussen, zich uitstrekkende van de straat tot aan erf van de begarden. Jan droeg dit goed vervolgens over aan Marcelis van Kriekenbeek, die het op 25 juni 1512 weer overdroeg aan Jan Dirk Roelofsz.1 De retroakten van dit goed heb ik niet kunnen traceren. Mogelijk gaat het, gezien de belendingen, hierbij om één van de percelen die op 18 december 1489 door de stad zijn verkocht.
Jan Dirk Roelofsz. transporteerde het complex op 18 november 1513 aan Peter Petersz. van Ackeren,2 die zijn vruchtgebruik op 26 januari overdroeg aan zijn kinderen.3 Dezen transporteerden het aan Korstiaan Mathijs de Bresser, die het op 27 augustus 1515 overdroeg aan Boudewijn Jan Andriesz. kramer.4 Boudewijn droeg het goed op 27 mei 1522 over aan Wouter Woutersz. Schuurmans. Op 21 maart 1539 ten slotte verkocht Klaas Klaasz. Watermaal als man van Katelijn dochter van Wouter Schuurmans een cijns uit twee huizen, erven, lege erven en uit een huis en tuin en een aangrenzend huisje. Dit complex, waarin bovenstaand goed begrepen zal zijn geweest, werd gesitueerd in die Mortelstraet naar het oosten toe tussen erf van het begardenklooster en tussen erf van Adriaan Ooms en anderen aan de andere zijde, zich uitstrekkende van de straat tot aan erf van het genoemde klooster.5
1.BHIC, Jezuïeten 80 (reg. 88): Notum sit universis quod cum Iohannes filius quondam Theoderici Roelofssoen, relictus legitimus quondam Elisabeth sue uxoris, filie quondam Wolteri des Cremers Janssoen, adiusticiatus fuisset in iudicio per iudicem mediante sententia scabinorum in Buscoducis ad domum, aream, ortum, vacuam hereditatem et alias suas attinentias sibi mutuo adiacentes Aelberti filii quondam Symonis Thomaessoen, sitas in Buscoducis in loco dicto communiter inden Mortel inter hereditatem heredum quondam Iacobi dicti vanden Eynde ex uno latere et inter hereditatem Iohannis dicti Oems, Franconis Post et Nycolai dicti Coel van Orthen, quodam transitu interiacente ex alio latere, tendentes a communi platea retrorsum ad hereditatem fratrum bogardorum ibidem, occasione defectus solutionis annui et hereditarii census sex florenorum Rijns gulden communiter vocatorum --- in festo nativitatis beati Iohannis Baptiste de et ex premissis, quem censum predictum dictus Aelbertus filius quondam Symonis Thomaessoen dudum supradicto Iohanni filio quondam Theoderici Roelofssoen ad opus sui quo ad eius usufructum et ad opus Elizabeth filie legitime eiusdem Iohannis et quondam Elizabeth eius uxoris dum vixit quo ad ius hereditarium hereditarie vendiderat prout in litteris --- quarum data continet duodecima die mensis maii, sabbato post dominicama qua cantatur Cantate anno Domini millesimo quingentesimo nono; cumque dictus Iohannes huiusmodi adiusticiationem integraliter supportasset Marcelio de Krieckenbeeck et eundem in premissis potentem fecisset et deinde omnibus proclamationibus premissorum in Buscoducis in iuditio rite factis sententiatum fuisset a scabinis in Buscoducis quod dictus Marcelius premissa pro solutione dicti census assequenda vendere posset et quod iudex in Buscoducis ex parte domini nostri ducis emptoribus premissorum warandiam prestare deberet de eisdem; cumque vero dictus Marcelius premissa prout de iure prebere debebat prebuisset redimenda --- dictus igitur Marcelius de Krieckenbeeck premissa, ab eo sic ut premittitur assecuta, legitime et hereditarie vendidit dicto Iohanni filio quondam Theoderici Roelofssoen ---. Datum vicesimaquinta die mensis iunii anno Domini millesimo quingentesimoduodecimo.
Tradatur Cristiano filio Mathie Bressers

 
ex causa supportationis.
 
iii scuta.
 Op de rugzijde onder meer: Cristianus filius Mathie Bressers.
 a In het hs. tweemaal post dominicam.
2.Ald., reg. 90.
3.Ald., reg. 92.
4.Ald., reg. 93.
5.BHIC, Jezuïeten 80 (reg. 113): Nycolaus Watermael, filius quondam Nycolai, tamquam maritus et tutor legitimus ut dicebat Katherine sue uxoris, filie quondam Wolteri Scuermans, legitime et hereditarie vendidit magistri Paulo filio
27

Huis van Willem Cornelisz. Coelborner

Waarschijnlijk ook aan de oostkant van de straat De Mortel stond het huis van Willem Cornelis Coelborner. Deze verkocht op 6 februari 1517 aan Hendrik Rutger Jacobsz. timmerman en zijn vrouw Marij dochter van wijlen Gielis de Volder een huys ende erve met eenen ledigen plaetsken ende afterhuys dair after aen gelegen, gelegen inder stadt vanden Bossche inde straet geheyten die Mortel straet tussen den anderen huyse ende erve des voirscreven Willems aen die een zijde ende tussen huyse ende erve der kynderen wilner Cornelis Coelborner voirgenoempt aen die ander sijde, streckende vander gemeynder straten achterwaerts totten erve Arnts Monix, in alsulcken voegen ende manieren als tselve huys met synen toe behoerten huyden des daigs aldair gelegen ende afgeheymdt is ende by eenen genoempt Jan van Oirscot screynwerker als huerlinck bewoent wordt, dats te wetene gelijck tselve huys boven strijckt ende gaet boven opt dack des andere huys des voirscreven Willems dair naest staende, dair Jan die Wolff nu ter tyt inne woendt, ende welcke ledige plaetsken voirscreven achter inder breyde begrijpende is elff voet ende vier dumen ende insgelijcx het achterhuys is vander selver breyden te samen ende totten voirscreven huys gereserveert die druppe vallende vanden dacke staende tegen den ledigen erve, dat Willem voirscreven vanden selven huyse behouden heeft, oick metter helfte vander sijdelmueren des voirscreven huys.1 Ook dit goed behoorde mogelijk tot de in 1489 door de stad uitgegeven percelen. Op 18 mei 1574 verkocht Hendrik het aan Ansem Petersz. van Weelde, wiens erfgenamen het op 21 januari 1619 verkochten aan Goiart Jansz. Scheffers.
 quondam magistri Rasonis Raessen, doctoris in medicinis, annuum et hereditarium censum decem et octo florenorum Carolus gulden communiter vocatorum --- in festo annunciationis beate Marie virginis --- de et ex duabus domibus, areis et vacuis hereditatibus necnon ex area et orto ac domuncula sibi lateraliter adiacente ac sua plaetsa et aliis attinentiis, sitis in Buscoducis in vico dicto die Mortelstraet versus ortiens inter hereditatem conventus bogardorum ibidem ex uno latere et inter hereditatem Adriani Oems et plurium aliorum ex alio latere, tendentibus a dicto vico die Mortelstraet vocato retrorsum ad hereditatem dicti conventus fratrum bogardorum et plurium aliorum --- dictumque censum dictus Nycolaus prefato magistro Paulo supportavit et effestucando resignavit --- excepto hereditario censu sex florenorum Renensium Iutte relicte quondam Cristiani Lucassoen prius annuatim exinde e iure solvendo (volgen voorwaarden, onder meer betreffende de afkoop) ---. Datum vicesimaprima die mensis martii, feria sexta post dominicam qua cantatur Letare Iherusalem anno Domini millesimo quingentesimooctavo.
 Op de rugzijde van de akte onder meer aantekeningen betreffende de afkoop.
1.BHIC, Jezuïeten 113, reg. 94.
28

Bijlage

BHIC, Jezuïeten 77 (reg. 40). (Op de rug onder meer: Jan van Craendonck. Brieven ende bescheeden van ennige huysen inde Mortel. Cranendoncq claegt voor schepenen deser stadt over de stillen op sijn erve gemaeckt inden Mortel grave ende opdrachten van erven inde Mortel.)
Wij Jan Monix, Ghijsbrecht Haeck, Melijs van Boechem, Dirck vander Aa, Henrick Monix, Daem die Lu ende Ghijsbrecht vanden Broeck, scepenen in sHertogenbosch, doen cont enyegeliken dat Jan van Craendonck inden recht aen gesproken heeft Heylwijch wedue //
wilner Peter Serijs, Agnese wittige wijf Jans Keelbrekers ende Jan Oem die jonge mit eenre cedulen aldus inhoudende: Heer scouthet ende ghij heren ghij scepenen, Jan van Craendonck claigt ende croent u over Heylwijch Serijs, weduwe Agnees wittich wijf //
Jan Keelbrekers ende Janne Oems die jonge of hoe sij met recht genoemt zijn, ende over elken van hen bysunder, als dat sij ende elc bijsunder staende hebben ruerens in ende aen den erve svoirscreven Jan van Craendonc geheyten den Mortel grave, gelegen //
bynnen deser stat, seker stillen ende heymelicheiden, uuten welken donreynicheyt velt ende blijft liggen opten erve Jans van Craendonck voirscreven, dair bij die selver Jan ende dander bruyckeren zijnre erfenissen aldair met allen sere belet ende behindert werden //
vanden quaden roeke ende stanck comende uuten stillen ende onreynicheiden voirscreven, ende hoe langer hoe mere, dwelc hen zeer ongenuechelic ende bijsunder in tijden alst pestilencie is zeer zorchelic ende periculoes heurs levens is, soe sullen die voirscreven //
Heylwijch Serijs, Agnees Jan Keelbrekers wijff, Jan Oems ende elc van hen van rechts wegen gehouden wesen die voirscreven onreynicheiden vanden erve svoirscreven Jans van Craendonck ewech te doene ende dair toe heur stillen alsoe verre inwaerts op heuren //
erve te trecken ende die soe redelic te besluyten dat die voirscreven Jan die spreect ende ander bruyckeren zijnre erffenissen des groten hijnder ende ongerief verdragen sijn mogen achtervolgende der ordinancie die voortijden bij der stadt dair af overdragen is. Ende //
wouden die voirscreven aengesproken personen dair yet jegen seggen dese voirscreven punten, ende weeren allen wair deser punten ende alre punten, heeftie Jan van Craendonck genoemt of niet genoemt, dair hij wairheyt toe behoeft ende hem scade doen mogen //
tsijnen recht, diere gedreegt hij hem ter wairheit alsoe verre alst der wairheit kundich is, ende die te leyden soe wanneer die heren die scepenen wijsen zullen dat recht es, want Jannen van Craendonck aen zijn erve geet. Hier omme heer scouthet soe bidt //
Jan van Craendonck ende heyscht van rechts wegen die voirscreven aengesproken personen in dien te hebben dat sij die onreynicheide ewech doen vanden erve desselfs Jans ende dair en teynden heur sullen alsoe verre nae hen trecken ende die // alsoe redelike stellen ende besluyten alsoe voer geruert staet, of hem alsoe vele rechts dair ynne doet gescien als die heren die scepenen wijzen zullen dat recht es, behoudelic hom sijns raets ende rechts, ende of hijs noet hadde onrecht //
wairheyt te scutten met betere wairheyt. Op welker aenspraken die voirscreven partijen geantwoert hebben met eenre cedulen aldus inhoudende:
Heer scouthet ende ghij heren ghij scepenen Heylwigen Zerijs, weduwe wilner Peter Zerijs, //
ende Jannen Oems die jonge ende Janne Keelbrekers als voirstender Agnesen sijns wijfs steet wael voer hoe dat onlanx comen is inden recht Jan van Craendonck, ende heeft aengesproeken die voirscreven Heylwigen Zerijs, // Agnesen ende Jan Oems als dat sij ende elck van hen staende souden hebben ruerens in ende aen den erve des voirscreven Jans van Craendonck, den Mortel grave geheyten, bynnen deser stat seker stillen ende heymelicheiden uut den //
welken donreynicheyt vallen ende bliven liggen soude opten erve Jans voirscreven, dair by hij ende dander bruyker belet ende behyndert souden werden, begerende ten sloet die onreynicheit ewech gedaen te werden van sijnen erve ende die heyme//
licheiden na hen te trecken ende te besluyten dat hem dat ongerief af gedaen werde of woe die aenspraeck begrepen is dat die voirscreven Heylwijch, Jan Keelbreker ende Jan Oems des ombegrepen zijn, van welker aenspraken die voirscreven Jan Keel//
breker die voirscreven Agnees zijn wijf voirscreven vorstont. Ende tegen welken aenspraeck die
29

voirscreven Heylwijch, Jan ende Jan Oems daechs ende rechs begerden die hen waert met vonnis ende recht, dair die dach van recht op huyden af comen is. Ende dat //
antwoerden die voirscreven Heylwijch, Jan Keelbreker ende Jan Oems daer? op ende seggen dat hoir stillen op huers selfs erve staen ende soe verre inwaert op huers selfs erve dat dair buyten tot Jans erve waert van Craendonc genoech van hoiren //
erve is blyven liggen dair die onreynicheit op velt ende niet op Jans erve van Craendonc, dwelc men soe als sij hopen wael bevijnden sal, ende bij dien redenen hopen sij quijt te sijn ende vander voirscreven aenspraken ongemoidt te bliven. //
Ende woude die voirscreven Jan van Craendonc hier yet tegen seggen dese voirscreven punten, en(de) weeren allen wair deser punten ende alre punten, hebbense die voirscreven Heylwijch Jan Keelbreker ende Jan Oems genoemt of niet genoempt, dair sij wairheit toe behoeven ende //
hen scade doen moegen tot hoeren recht, diere gedragen sij hen alle ter wairheit alsoe verre alst der wairheit condich is. Ende die wairheyt willen sij hebben ende brengen tot wat tide ende wanneer die scepenen wijsen sullen dat recht is, behoude//
lic hen hoers raets ende rechts. Ende ofs hen noet were onrecht wairheit met beter wairheit te moeten schutten, ende alsoe die partijen aen beyden sijden op wairheit dedingen, dair toe sij mitten vonnisse gewesen waren, soe heeft Jan van Craen//
donck voirscreven in presencie der wederpartijen voirscreven sijn wairheit geleydt inder maeten hier na volgende: Inden yersten Dirck die Coster, Jan Oems ende Henric vander Cullen tuygden dat Agnees Jan Keelbreekers wijf als tochters enen steenen //
werf liggende heeft aen den Mortelgrave ende dat inden selven werf ten grave waert aen een gat vander stillen gemaect is ende verscheert. Item Jan van Beke, Aert van Beke, Aert Ygraems, Gerit Hals, Tielman Aerts soen ende Goes//
wijn Scaelmeker tuygden dat alle onreynicheit die comen of vallen uuten stillen staende aen den voirscreven grave dairmen hier om dingt, comen ende vallen moeten inden grave voirscreven ende anders nerghent genen uutganck en hebben. Item Gielis //
die Ridder tuygde dat tanderen tijden doemen dingden overmyds den grave voirscreven hen ende anderen die heymelicheiden opten voirscreven grave hadden vanden scepenen geseygt was dat sy die onreynicheit ewech doen souden ende dat hij ende andere //
voirscreven die onreynicheit doen af deden ende leyden inden grave tot Jans erve waert aen, ende decten die onreynicheit met eerden, soe dat geen stanck dair af en quam. Item Ghijsbrecht Valkenborch tuygde als voirscreven is sonder dat hij niet //
en weet vanden gedyngen of bevelen der scepenen. Item die selve Gielis ende Ghijsbrecht tuygden dat die onreynicheit comen vanden voirscreven heymelicheiden inden grave voirscreven sijnt Paesche ewech gedaen is ende geleegt inden grave voirscreven //
ten erve waert aen Jans voirscreven ende gedect waert mit eerden als voirscreven is vanden genen die die heymelicheide dair hadden. Item Peter Serijs ende Aert Gerijs tuygden dat die onreynicheit comende uut den heymelicheiden der geenre //
die werve hebben aenden voirscreven grave yerst vallen opten erve der geenre die die heymelicheide dair hebbe, ende ten laesten soe vallen sij inden grave voirscreven, mer of die grave geheel toe behoert Janne voirscreven of hoe verre en weten sy //
niet, mer die personen voirscreven hebben buyten den werven erfs genoech dair op die onreynicheit yerst vallen ende bliven liggen ter tijt dat dwater soe groot wordt dat die onreynicheiden ewech driven mitten water. Item Gielis die //
Ridder, Peter Serijs ende Aert Geris tuygden dat Heylwich Serijs, Jan Oems die jonge ende Ghijb Beckers heymelicheiden gesloeten sijn elc met sijnen sloeten ende dat dair op nyemont anders en gaen dan sij ende heur huysgesynne ten //
weere of yemant bij nacht of onwill der personen voirscreven dair op gyngen dat sij niet en weten. Item dede Jan tsijnre wairheit lesen kontbrieve aldus beghynnende: Wij Jan Monix, Corstiaen Koenen, Goyart Scilder, Claes Spierinc, Willem //
van Ghent, Jan Monix Jacobs soen ende Gerit van Berkel, scepenen in sHertogenbosch etcetera, ende aldus eyndende: Gegeven opten dorden dach der maent van septembri int jair ons Heren dusent vierhondert drie ende vijftich. Item Jan van Beke, Aert //
30

van Beeck ende Aert Ygraems tuygden gelijc sij inden processe voirscreven getuygt hebben ende dat die grave nu ter tijt enger is dan hij by tijden Aerts van Beeck, Luytgarden vader, die wijf is Jans voirscreven, plach te wesen, ende dat is toecomende bij den //
genen die hoer stillen opten voirscreven graven hebben liggende. Item Dirck die Coster ende Jan Oems tuygden dat Jan voirscreven tanderen tijden tegen hen gedingt heeft omder onreynicheit ende grave voerscreven, ende tfonnisse doen Jan van Craendonc mede //
ende hen tegen gynck, ende dat sij doen die heymelicheyden die over den grave hyngen in toegen op heur erve ende deden die onreynlicheit ewech. Item Gerit Hals tuygde dat den grave dairmen hier om dingt in voirleden tijden vele //
wijer plach te wesen dan hij nu is, ende dat dat toe coempt vander onreynicheyt der geenre die dair heymelicheiden op hebben staende dair hij met vervult woirdt ende dair met geengt woerdt. Item Franck van Langel tuygt //
dat hij omtrent Pinxteren lest leden op enen sonnendach ter beden Jans van Craendonc gegaen is om te besien den voirscreven grave, ende dat hij doen sach dat die onreynicheyt vanden stenen heymelicheiden staende opten voirscreven grave lagen gevallen //
inden voirscreven grave, ende dat dair zere stanck vanden voirscreven onreynicheiden, ende dat Jan voirscreven den voirscreven Francken seyden dat hij des anderen daigs sijn aenspraeck inden recht doen soude op die personen die die voirscreven heymelicheiden toe//
behoeren. Item Tielman Aert Tielmans soen tuygt dat hij na dien Jan van Craendonc sijn aenspraeck gedaen hadde op die personen dairmen die wairheit tegen leydt gegaen was metten voirscreven Jannen opten voirscreven grave, ende dat doen //
ter tijt die onreynicheiden comende vander stillen dair op staende zeer qualic lagen inden grave ende stanc datter zere vermylic te gaen was. Item hier na heeft Jan van Craendonc voirscreven inden recht aengesproken Henrick vander //
Rullen ende Roloff vander Stappen als van heymelicheiden ende stillen die sij elc van hen staende hebben after heuren huysen hangende over den Mortel grave Jans voirscreven, dair af die onreynicheiden vallen inden grave Jans voirscreven, dair //
af Jan voirscreven ende andere gebruykeren sijnre erve aldair gelegen zeer groten stanck ende quaden roeck hebben ende lijden, dwelc hen sunderlinge in tijden van pestilencie zeer zorgelijc periculoese ende ongenuechlic is, ende vermat hem deser //
punten ende alre punten die hem tsijnen recht scade doen mochten wairheit etcetera. Op welcker aenspraken Henric vanden Rullen voirscreven antwoerden dat hij thuys mitter stillen voirscreven, dair Jan voirscreven nu sijn aenspraeck op gedaen heeft, in hue//
ringen besetten heeft een deel jaeren in alre maten soe die stille voirscreven in sijnen iersten aenbegynne dair stond, ende heeft die gebruyct soe sijn vorderen gedaen hadden, ende hij en meynde diere niet langer te bruycken dan tot sent Jans misse //
naest comende, want sijn huer dan uutgaet, vermetende hem totter proprieteyten dair af geen recht, ende hoepten dair mede alsoe te gestaen. Ende Roloff vander Stappen voirscreven antwoerde inden recht dat die stille ende heymelicheit voirscreven //
steet op sijnre erfenisse ende bynnen sijnen palen ende renen na begreep sijnre brieve, ende hebben dair af sijn vorderen voir ende hij na over menigen jaeren in vredelike possessie geweest hebben, hoopten daer in soe voert te berusten. Ende gedraegen //
die voirscreven Henric ende Roloff hen des ter wairheit. Ende soe die partijen aen allen sijden op wairheit dedingden dair toe sij mitten recht gewesen worden, soe heeft Jan van Craendonc sijn wairheit geleyt, ierst op Rolof vander Stappen inder maten hier //
na volgende: inden iersten tuygde Gerit Hals, Tielman Aerts soen, Goeswijn Scaelmeker, Peter Goyart Willems soen ende Peter Lambrechs soen dat die heymelicheit dair Roloff vander Stappen hen rechts toe vermet ende dairmen hier om dingt hangt over den //
Mortel grave Jans voirscreven begrepen inden brieve Jans voirscreven hier gelesen, ende dat die onreynicheiden dair af vallen inden voirscreven grave, ende dat dair af comen onredelike ende groete stancken, alsoe dat die gene die inden hoeven Jans voirscreven gaen groten stanck //
ende gebreck dair af hebben ende dagelics lijden. Item Tielman voirscreven ende Jan Oems tuygden dat tanderen tijden Jan van Craendonck voirscreven dingaftich worden was tegen Baten Rembouts,
31

Dirc die Coster ende Jan Oems voirscreven om den heymelicheiden die hingen over //
den grave voerscreven, ende dat tfonnisse Janne van Craendonc mede ende den anderen voirscreven tegen gynck, soe dat die voerscreven Baet, Dirc ende Jan heur heymelicheiden in togen, ende die onreynicheit ruymden ende decten. Item Jan van Craendonc leyde in tsijnre // wairheit den konde brief die hij voer in geleegt hadde ende een instrument van testament Luytgarden sijns wijfs. Item hier na leyden Jan voirscreven sijn wairheit op Henric vanden Rullen voirscreven. Inden iersten kenden Henric voirscreven dat hij doen Jan voirscreven // hem aensprack in hueren besat thuys wilner Hillen Carmans, gelegen aen die Weverplaets, mitter heymelicheit dair after staende, ende dat hij die heymelicheit voirscreven bruycten als in hueren tot sente Jans misse toe. Des torkonden hebben wij scepenen //
voirscreven onse zegelen aen desen brieve doen hangen. Gegeven opten twintichsten dach der maent van septembri int jair ons Heren dusent vierhondert seven ende vijftich.

Martin W.J. De Bruijn, Utrecht juli 2006
32