Intern verslag 113


Zuidzijde Weversplaats (bij de Sint-Barbarakapel) : Mortelproject II

Dit archiefverslag behandelt de omgeving van de Sint-Barbarakapel aan de Weversplaats op de hoek van de Beurdsestraat.


Beurde

In de beide verslagen over de Weversplaats en het verslag over de Oude Hulst (Zuidwal)1 is al enige aandacht gewijd aan het stadsdeel Beurde en de daar aanwezige toponiemen. Het is zinvol hier nog iets uitvoeriger en in meer algemene zin bij stil te staan. De oudste vermelding is van 25 januari 1295, toen een erf van Frank perkamentmaker gesitueerd werd iuxta Beurde, wat vertaald kan worden als ‘in Beurde’.2 Op 16 maart 1298 wordt gesproken over een huiserf ‘over de oude brug waarlangs men naar Beurde gaat’. Een veertiende-eeuwse aantekening op de rugzijde van de oorkonde zegt van het erf dat het was ghelegen te Burde over die aude brugghe.3 Het zal hierbij om de brug in de over de Dieze in de Beurdsestraat zijn gegaan, beschouwd vanaf de Verwerstraat. Dit laatste wordt bevestigd in een oorkonde uit 1300, waarin sprake is van ‘een huis en erf gelegen in ’s-Hertogenbosch in de straat strekkende van het midden van de straat geheten Colpelstrata (= Verwerstraat) naar Beurde over de oude brug van genoemde straat waarlangs men naar Beurde gaat’. De brug wordt in een vijftiende-eeuwse aantekening die Boerdsche brug genoemd,4 een benaming die al in de veertiende eeuw bestond.5 Er is ook al vroeg sprake van de Beurdsestraat. De aanduiding vicum dictum (te)
1.M.W.J. de Bruijn, Onderzoek Oude Hulst (Zuidwal) (intern rapport ...) (Utrecht, oktober 2002); Archiefonderzoek Weversplaats (intern rapport ...) (Utrecht 2004) en Zuidzijde Weversplaats (Mortelproject I) (intern rapport ...) (Utrecht, november 2005).
2.Gemeentearchief ’s-Hertogenbosch [GAHt], Archief Tafel van de H. Geest 17; editie: Oorkondenboek Noord-Brabant [ONB], nr. 516.
3.Tafel van de H. Geest 32; editie: ONB 568.
4.Tafel van de H. Geest 34; editie: ONB 610.
5.Tafel van de H. Geest 202 (30 juni 1334): ultra pontem de Burde; ald. 249 (25 januari 1342): ultra pontem dictum Beurdschebrugghe.
2

Buerde (Boerde)1 wordt later aangeduid als Buerdschestraet (Boerdschestraet).2
Deze straat was uitgestrekter dan de huidige Beurdsestraat. Jongere vermeldingen leren dat hiermee ook - op zijn minst het oostelijk deel van - de Weversplaats bedoeld is en tevens de straat langs de Sint-Barbarakapel naar de stadsmuur, die overigens ook Weversplaats en zelfs nog (Oude) Huls genoemd wordt. De aanduidingen van de namen (Oude) Huls, Weversplaats en Beurdsestraat lopen dus in elkaar over, wat het onderzoek aanmerkelijk bemoeilijkt. Voor het oostelijk deel van de Weversplaats komt ook een enkele keer de aanduiding Prikershoec voor, naar de familie Priker, die er bezittingen had.3 Later wordt dit gedeelte van de Weversplaats de Kemelsharen hoek genoemd.
Opmerkelijk is dat het gebied Beurde, een zandopduiking temidden van lager gelegen terreinen, al vóór de tweede ommuring enigszins verstedelijkt was en dat de erven er tot het stadsgebied gerekend werden. Er bestaat ook een ten zuidwesten van ’s-Hertogenbosch veel voorkomende familienaam Van Beurden, die mogelijk naar Beurde verwijst.

De Sint-Barbarakapel en haar omgeving

Aan de noordoostkant van de Weversplaats, op de hoek van de Beurdsestraat, stond vroeger de Sint-Barbarakapel. De kerkelijk geschiedschrijver Schutjes zegt zonder bronvermelding dat de kapel al in 1361 bestond.4 De eerste vermelding in een Bossche schepenakte dateert echter, voor zover viel na te gaan, pas uit 1442, toen Joost Michielsz. Loekens en Jan Hendriksz. Keelbreker werden vermeld als kapelmeesters.5 Er is gezien het hiernavolgende reden om aan te nemen dat de kapel pas in of na 1425 gebouwd is. De kapelmeesters waren allen uit de buurt afkomstig. Men mag daarom aannemen dat de stichting een buurtinitiatief is geweest. Er was ook een Sint-Barbaragilde aan de kapel verbonden. In 1475 traden Aart Daneelsz. van de Kelder, Wouter van der Stappen, Dirk Gijsbrechts Marselisz., Daneel Hendriksz. van Baarle, Willem Andriesz. Uitenbogaard en Dirk Bruistens als gildebroeders op.6 Acht jaar later was Jan Zerijs, priester, rector van het altaar aan de noordkant van de kapel, gewijd aan de Drie Koningen, Sint-Joris en Sint-Margriet. Kapelmeesters waren toen Gielis Goiartsz. Zecker en Antonis Zerijs, ook weer buurtgenoten.7 Er was verder ook nog een armenblok aan de
1.Bv. GAHt, Archief Agnes van den Broecksgasthuis, nr. 24 (28 juni 1353): vicum dictum te Boerde.
2.Bv. GAHt, Rechterlijk archief, Bosch’ protocol [R.] 1223, f. 205 (19 april 1453): in vico dicto die Boerdschestraet.
3.Zie bv. R. 1229, f. 261v. (19 februari 1459): ad locum dictum Prikershoec.
4.L.H.C. Schutjes, Geschiedenis van het bisdom ’s-Hertogenbosch IV (Sint-Michielsgestel 1873) 381.
5.GAHt, R. 1212, f. 39v.: Yudocus filius quondam Mychaelis Loekens et Iohannes Keelbreker, filius quondam Henrici, tamquam rectores et gubernatores capelle sancte Barbare in Buscoducis, potentes ad infrascripta ut dicebant, quandam hereditatem quondam Henrici Goyarts, sitam in Buscoducis in vico dicto Audehuls inter hereditatem Iohannis Machiels ex uno et inter hereditatem Gertrudis relicte quondam Iohannis vander Heyden ex alio, quam hereditatem predictam Martinus filius quondam Mathei die Decker erga Philippum Boden ad censum acquisierat, prout in litteris, hereditarie supportaverunt Iohanni vanden Hoernic, filio quondam Hermanni ---. Datum supra (= viii marcii, quinta post Oculi). Ook op 12 januari 1443 werden Joost en Jan als kapelmeesters vermeld (R. 1213, f. 169v.). Jan Keelbreker verder op 17 mei 1448 (R. 1218, f. 149) en op 19 februari 1459, toen Aart van Hedel, zoon van Matheus Graeuwe, zijn collega-kapelmeester was (R. 1229, f. 261v.). Deze beide laatsten ook op 10 maart 1460 (R. 1230, f. 198v.).
6.R. 1244, f. 335-335v.: Arnoldus de Kelre?, filius quondam Danielis, Wolterus vander Stappen, filius Henrici vander Stappen, Theodericus filius quondam Ghijselberti Marcelis soen, Daniel de Baerle, filius quondam Henrici, Willelmus filius quondam Andree vuyten Bogaert et Theodericus Bruystens, tamquam confratres gulde sancte Barbare in Buscoducis, promiserunt super omnia et habenda Elizabeth filie quondam Henrici de Moll quod ipsi dabunt et solvent dicte Elizabeth hereditarium censum quatuor florenorum renensium, viginti stuvers vel valorem computando pro quolibet, hereditarie mediatim Purificationis et mediatim nativitatis Iohannis Baptiste --- de et ex domo, area et orto dicti Arnoldi, sitis in Buscoducis prope capellam sancte Barbare inter hereditatem Godefridi die Ridder ex uno et inter hereditatem Anthonii Zeris ex alio, tendentibus a communi platea ad commumem aquam ibidem currentem dictam die Meer; insuper de et ex domo, area et orto dicti Wolteri, sitis in Buscoducis iuxta dictam cappellam inter hereditatem Bernardi Jans soen ex uno et inter hereditatem Henrici Oems ex alio, tendentibus a communi platea ad hereditatem dictam die Mortel en uit andere huizen. ---. Datum xix iulii.
7.R. 1252, f. 243: Dominus Iohannes Serijs, presbiter, tamquam rector pro tempore altaris pro prima sua fundacione siti in capella sancte Barbare site in Buscoducis ad vicum dictum Buerde versus aquilonem consecrate ad honorem sanctorum
3

kapel verbonden.1

Het erf waarop de Sint-Barbarakapel gebouwd werd
Op 17 januari 1425 maakten Hendrik Kraen, zoon van wijlen Jan Kranenborch, mede voor zijn afwezige zoon Jan, en Aart Cnode, zoon van Rutger Cnode, een erfdeling van een huis met zijn ondergrond bij of in de Beurdsestraat op de hoek aldaar tussen erf van Jan Oem en een steeg strekkend naar het erf van wijlen heer Adam. Van het noordelijk deel vielen twee gebinten ten deel aan Hendrik Kraen en zijn zoon Jan en het overig deel naar het zuiden toe, bestaande uit drie gebinten, aan Aart.2 Hoogstwaarschijnlijk gaat het hier om het complex waarop het noordelijk deel van de Sint-Barbarakapel gebouwd is. Nog geen twee maanden later, op 15 maart 1425 maakten Hendrik en zijn zoon hun deel over aan Jan Geritsz. van den Boghart.3 Het andere deel transporteerde
 Trium regum, Georgii militis et martiris et Margarete virginis, potens ad infrascripta vigore certe et specialis commissionis sibi auctoritate domini Leodiensis desuper concesse, ut apparebat, in presentie tamen et cum expressis consensu et voluntate Egidii Zecker, filii quondam Godefridi, et Anthonii Zerijs, magistrorum et rectorum pro tempore fabrice capelle pretacte, domum et aream olim Bertoldi dicti Henricx soen fullonis, sitam in Buscoducis ad vicum dictum Buerde inter hereditatem Iohannis Bathensoen ex uno et inter hereditatem Nycolai Molners ex alio, quam domum et aream predictam Iohannes filius quondam Rutgeri van Demen? erga Bartholomeum van Wickenvoert acquisierat, prout in litteris, et quam domum et aream predic­tam dictus quondam Iohannes filius quondam Rutgeri et Katerina eius uxor legitima, filia quondam Henrici Wouten in eorum testamento ac ultima voluntate inter quamque? plurima inibi contenta et ordinata prefato domino Iohanni tamquam rectori pro tempore dicti altaris pro sua fundacione predicta legaverant et in vigore testamenti reliquaverant, ut videbatur in quodam instrumento publico desuper confecto latius contineri; et que domus et area predicta! unacum quodam orto nunc siti sunt ibidem inter heredita­tem Henrici Oems, filii Iohannis Oems, ex uno et inter hereditatem dicti domini Iohannis Seris, quodam muro lapideo steenen gevel communiter vocato interiacente, ex alio, et tendent a communi vico retrorsum usqua ad quandam vacuam hereditatem den Mortel vocatam, simul cum medietate dicti muri lapidei intersticialis, den steenen gevel vocati, et reliquis suis iuribus et attinentiis, prout et quemadmodum premissa ibidem sita sunt et ad dictum eundem Iohannem Rutgeri spectare consueverant et pronunc ad rectorem altaris predictum pertinere dinoscuntur, ut dicebat, hereditarie suppor­tavit dicto Henrico Oems Jans soen ---. Datum xv februarii.
1.R. 1259, f. 37 (5 april 1490): Petrus filius quondam Iohannis Lu, maritus et tutor legitimus ut dicebat Margarete sue uxoris, filie quondam Nicolai filii quondam Henrici Lyevens, hereditarium censum duarum librarum monete, quem Elizabeth filiam quondam Henrici filii quondam Willelmi vanden Brekelen pertinere consueverat in hereditario censu trium librarum dicte monete, solvendum hereditarie mediatim nativitatis Domini et mediatim nativitatis Iohannis Baptiste ex quodam domistadio sito in Buscoducis in viculo tendente ab hereditate Gerardi metten Koyen versus hereditatem Ade de Myerde inter domum habitationis Willelmi de Os textoris linearum? ex uno et inter hereditatem Iohannis Arnts? vanden Plack ex alio, quas duas libras hereditarii census Nicolaus filius quondam Henrici Lievens erga Willelmum Nijs, filium quondam Willelmi Nijs, acquisierat, prout in litteris, hereditarie supportavit michi ad opus pauperum in opido de Buscoducis prope capellam sancte Barbare ad locum dictum den block prope dictam capellam decubentium ---. Datum quinta aprilis, 2a post Palmarum.
2.R. 1195, f. 78v.: Henricus Kraen, filius quondam Iohannis Kranenborch, nomine sui et Iohannis sui filii absentis, atque Arnoldus Cnode, filius quondam Rutgeri Cnode, palam recognoverunt se quandam divisionem hereditariam mutuo fecisse de quadam domo cum eius fundo, sita in Buscoducis apud vicum dictum Buerde supra conum ibidem inter hereditatem Iohannis Oem ex uno et inter viculum quendam? ibidem tendentem versus hereditatem quondam domini Ade ibidem? sitam ex alio, mediante qua divisione pars huiusmodi domus et fundi que sita est ibidem in cono duorum vicorum versus vicum predictum et versus aquilonem, que pars duas ..dd... ligaturas continet, ut dicebat, dicto Henrico Kraen et Iohanni eius filio cessit in partem ---; et mediante qua divisione reliqua pars domus et fundi predictorum, illa scilicet que est sita versus austrum et versus hereditatem quondam domini Ade de Mierde et continet tres ..dd..a.. ligaturas dictas gebonden in longitudine dicto Arnoldo cessit in partem ---. Datum xvii ianuarii.
3.R. 1195, f. 88: Notum sit universis quod cum Henricus Kraen, filius quondam Iohannis Kranenborch, atque Arnoldus Cnode, filius quondam Rutgeri Knode, palam recognovissent se quandam divisionem hereditariam mutuo fecisse de quadam domo cum eius fundo, sita in Buscoducis apud vicum dictum Buerde supra conum ibidem inter hereditatem Iohannis Oem ex uno et inter viculum quendam ibidem tendentem versus hereditatem quondam domini Ade de Mierde ex alio; et cum mediante eandem divisionem pars seu portio eiusdem domus et fundi, illa scilicet que sita est ibidem in cono duorum vicorum versus vicum predictum et versus aquilonem, que pars duas ..dd..a.. ligaturas dictas gebunde continet, dicto Henrico Kraen et Iohanni eius filio cessisset in partem, et alia pars cum eius fundo tres ..dd..a.. ligaturas in longitudine continens dicto Arnoldo cessisset in partem, prout in litteris, constitutus igitur coram scabinis infrascriptis Henricus Kraen et Iohannes eius filius predicti portionem seu partem domus predicte cum fundo eiusdem pariter predicto, prout eisdem mediante dicta divisione in partem cessit, ut dicebant, hereditarie vendiderunt Iohanni filio Gerardi vanden
4

Aart Rutgersz. Cnode op 12 november 1426 onder voorwaarden aan Aart van Oss, zoon van wijlen Aart van Oss. Er is sprake van aanbouwen van Aart Cnode die mochten blijven staan tot ze teniet zouden gaan.1
Dat Aart Cnode hier nog bebouwing behield, kan worden afgeleid uit een akte van 16 oktober 1459, waarin Jacob zoon van wijlen Aart Cnode, zoon van wijlen Rutger Cnode, aan de Sint-Barbarakapel, zijn recht over op twee kameren en hun ondergrond van wijlen Aart Cnode overdroeg aan de fabriek van genoemde kapel. Deze kameren werden gesitueerd in de Beurdsestraat tussen erf van de kapel aan één zijde en één eind en aan de straat aan de andere zijde.2 Op 1 april 1460 deden de erfgenamen van wijlen Andries van Lennenshovel afstand van hun recht op het erf dat van Aart Knode, dat later van Heilwig weduwe van Andries was, op welk erf het koor van de kapel was gebouwd, ten behoeve van de kapelfabriek.3

Bezitters:
Hendrik en Heilwig kinderen van wijlen Lambrecht Priker >
Klaas Jansz. Loyen en Aart Cnode >
deel van Klaas Loyen > Hendrik Jansz. Kraen
1425.01.17 deling:

noordelijk deel:
Aart Cnode 1426.11.12 >
Aart z.w. Aart van Oss

zuidelijk deel:
Hendrik Jansz. de Kraen en zoon Jan 1425.03.15 >
Jan Geritsz. van den Boghart

Naast de kapel in de Beurdsestraat
Een perceel naast de kapel was waarschijnlijk van Jan van Hedel. Op 17 mei 1448 droeg deze
 Boghart ---. Datum xv martii, quinta post Oculi.
1.R. 1196, f. 79v: Arnoldus Cnode, filius quondam Rutgeri Cnoden, partem seu portionem domus et aree sitarum in Buscoducis apud vicum dictum Buerde supra conum ibidem inter hereditatem Iohannis Oem ex uno et inter viculum quoddam ibidem tendentem versus hereditatem quondam domini Ade ibidem sitam ex alio, quam domum et aream Nycolaus Loyen, filius Iohannis Loyen, et Arnoldus Cnoden predictus erga Henricum et Heilwigem liberos quondam Lamberti Priker acquisierat, prout in litteris, scilicet illam portionem seu partem domus et aree predicte que sita est versus austrum et versus hereditatem quondam domini Ade de Mierde, prout illa portio dicto Arnoldo Cnode mediante quadam divisione hereditaria inter ipsos et Henricum Kraen facta cessit in partem, ut dicebat, hereditarie supportavit Arnoldo de Os, filio quondam Arnoldi de Os ---, exceptis oneribus ---, que onera ad summam medietatis sex librarum monete taxata seu ...? idem Arnoldus de Os exnunc deinceps perpetue sic solvet quod dicto Arnoldo Cnode ad et supra se et bona sua reliqua dampna exinde non eveniant in futurum ---. Quo facto consensit Arnoldus de Os predictus quod Arnoldus Cnode predictus reliqua edificia sua dicte domui seu porcioni eiusdem domus ad presens annexa coedificata eo assistencia? seu comm..ta? maneant eidem parti annexa seu adiuncta prout nunc annexa stant eidem quousque per vetustatem seu ruinam non perierunt, ita tamen postquam sic perierunt vel inveterata fuerunt, quod extunc postea Arnoldus Cnode predictus deinceps nullum ius annectendi seu iniugendi sua edificia in eadem parte domus optinebit, proviso eciam in premissis quod Arnoldus Cnode deinceps dicta sua edificia primodicte parti domus annexa ut premittitur non poterit reparare per aliqua nova ligna eiusdem annectenda quam dumtaxat per tecta straminea quibus durantibus et non ultra dictus consensus stabit, et si Arnoldus de ...? intento? dampna sustinerit? occasione dictorum edificiorum, illa dampna Arnoldus Cnode predictus sibi refundet? ---. Testes Lu et Arnoldus. Datum xii novembris.
2.R. 1230, f. 268: Iacobus filius quondam Arnoldi Cnode, filii quondam Rutgeri Cnode, totam partem et omne ius ad ipsum ut dicebat spectantes in duabus cameris et earum fundis quondam Arnoldi Cnode predicti, sitis in Buscoducis ad vicum dictum Buerde inter hereditatem spectantem ad capellam sancte Barbare ibidem sitam ex uno latere et utroque fine et inter dictum vicum ex alio latere, ut dicebat, hereditarie supportavit michi ad opus fabrice capelle predicte, cum iure sibi competenti aut competituro in quibuscumque litteris mentionem inde facientibus ---. Datum xvi octobris.
3.R. 1230, f. 66: Iohannes et Elisabeth, liberi quondam Andree de Lennenshovel, et Iacobus filius quondam Andree de Cloechoven, ab eodem quondam Andrea et Katherina filia dicti quondam Andree de Lennenshovel pariter genitus, cum tutore, super hereditate que fuerat quondam Arnoldi Knode, postea Heilwigis relicte dicti quondam Andree de Lennenshovel, sita in Buscoducis in loco dicto Buerde, in qua hereditate chorus capelle sancte Barbare constructus est; atque super hereditario censu xx? solidorum monete, quem dictus quondam Heilwigis exinde solvere habebat, ut dicebant, atque super toto iure ad opus fabrice dicte ecclesie hereditarie renunciaverunt ---. Datum prima aprilis, 3a post Iudica.
5

huis, erf en tuin aan de Huls tussen erf van Hendrik de Zecker en erf van de Sint-Barbarakapel, strekkend van de openbare straat tot Dirk Tielkens voller aan de kapel. Uit dit goed had Hendrik de Zecker een cijns van 40 schellingen ofwel twee pond,1 die Hendrik op 10 maart 1460 overdroeg aan de kapel.2 Zijn zoon Gielis bezat echter in 1468 het huis, tuin en erf naast de kapel. Op 22 november 1468 verkocht hij daaruit een cijns aan Volkert zoon van wijlen Hendrik van den Dijk. Het huis met erf en tuin werd hierbij gesitueerd tussen erf van de erfgenamen van Hendrik Rovers aan de ene zijde en erf van de kapel aan de andere zijde en het ene eind.3 Die situering luidde op 16 mei 1469: ‘in de Beurdsestraat tussen de kapel en een tot de kapel behorend erf aan de ene zijde en tussen erf van wijlen Hendrik Rovers aan de andere zijde, strekkend van de genoemde straat tot erf aan de kapel toebehorend’. Op die datum verkocht Gielis een cijns aan Hubert Roelofsz. van Hees.4 In of kort vóór 1480 werd dit goed bij schepenvonnis gekocht door Roelof Benne. Op 4 februari van dat jaar transporteerde deze het aan Willem zoon van wijlen Willen van Mughoevel.5 Willem verkocht op 15 januari 1481 uit het goed een cijns aan Luitgard dochter van Willem van Heze, weduwe van Klaas Hesken,6 die zij op 3 augustus 1482 overdroeg aan Jan Aartsz. van den Steen. Het complex werd nu gesitueerd tussen de kapel en erf van Godschalk Petersz.7
Op 30 juli 1484 beloofde Albrecht Dirksz. van Berze onder meer dat hij Willem Willemsz. van
1.R. 1218, f. 149: Iohannes de Hedel tinctor domum, aream et ortum, sitos in Buscoducis ad locum dictum die Huls inter hereditatem Henrici die Zecker ex uno et inter hereditatem capelle sancte Barbare, site ibidem, et hereditatem dicti Henrici die Zecker ex alio, tendentes a communi vico ad hereditatem Theoderici Tielkens fullonis, ut dicebat, hereditarie supportavit Iohanni Keelbreker ad opus fabrice dicte capelle ---, excepto hereditario censu xl solidorum monete dicto Henrico die Zecker exinde e iure solvendo, ut dicebat. Testes Buck et Waerloes. Datum supra (= xvii maii).
2.R. 1230, f. 198-198v.: annuum et hereditarium censum duarum librarum monete, quem dictus quondam Egidius (= Egidius dictus die Zecker senior) eorum pater solvendum habere consueverat ex domo et area olim Iohannis de Heel, nunc dicte capelle, sita contigue iuxta dictam capellam, ut dicebant, hereditarie supportaverunt michi ad opus dicte capelle ---. Testes, datum supra (= decima marcii, 2a post Reminiscere).
3.R. 1238, f. 173v.: Egidius die Zecker, filius quondam Henrici die Zecker, hereditarie vendidit Volcardo vanden Dijc, filio quondam Henrici, hereditarium censum septem librarum monete, solvendum hereditarie Remigii de et ex domo, area et orto eiusdem venditoris, sitis in Buscoducis iuxta capellam sancte Barbare inter hereditatem heredum quondam Henrici Rovers ex uno et inter hereditatem capelle predicte ex alio et fine uno ---. Datum xxii novembris.
4.R. 1238, f. 339v.: Egidius filius quondam Henrici Zecker hereditarie vendidit Huberto filio quondam Rodolphi de Hees hereditarium censum sex librarum monete, solvendum hereditarie nativitatis Domini de et ex domo, area et orto dicti venditoris, sitis in Buscoducis in vico dicto de Boerdschestraet inter capellam sancte Barbare et hereditatem ad eandem capellam spectantem ex uno et inter hereditatem quondam Henrici Rovers ex alio, tendentibus a dicto vico ad hereditatem ad dictam capellam spectantem ---. Datum supra (= xvi maii, 3a post Exaudi).
5.R. 1249, f. 337: Rodolphus Benne domum aream er ortum Egidii dicti die Zecker, filii quondam Henrici dicti die Zecker, sitos in Buscoducis iuxta cappellam sancte Barbare inter hereditatem heredum quondam Henrici dicti Rovers ex uno et inter hereditatem cappelle predicte ex alio, quos domum, aream et ortum dictus Rodolphus erga Henricum Bredebaert per iudicem mediante sententia scabinorum in Buscoducis emendo acquisierat, prout in litteris, hereditarie supportavit Willelmo de Mughoevel, filio quondam Willelmi, cum litteris et iure, promittens ---, exceptis censu fundi domino duci, hereditario censu septem librarum monete Folcardo? vanden Dijck, hereditario censu sex librarum monete Huberto Rolofs soen, hereditario censu duarum et dimidie librarum monete Willelmo Zecker, hereditario censu viginti solidorum monete fabrice ecclesie de Orthen, hereditario censu viginti solidorum eiusdem monete domui de Eyndonck, hereditario censu viginti solidorum dicte monete domino Willelmo Hals, presbitero, et aliis diversis personis exinde e iure solvendis, ut dicebat. Testes Dicbier et Hals. Datum supra (= quarta februarii).
6.R. 1250, f. 227v.: Willelmus van Mughoevel, filius quondam Willelmi Mughoevel, hereditarie vendidit Luytgardi filie quondam Willelmi van Heze, relicte quondam Nycolai Hesken, hereditarium censum octo librarum monete, solvendum anno quolibet hereditarie Remigii confessoris de et ex domo, area et orto ac domo posteriori eiusdem Willelmi venditoris, sitis in Buscoducis prope capellam sancte Barbare ibidem inter eandem capellam ex uno et inter hereditatem Godescalci Peterssoen ex alio, tendentibus a communi vico retrorsum usque ad hereditatem fabrice capelle predicte, ut dicebat ---. Testes Uden et Ham. Datum xv ianuarii.
7.R. 1251, f. 471-471v.: Luytgardis filia quondam Willelmi van Heze, relicta quondam Nicolai Hesken, cum tutore, hereditarium censum octo librarum monete, solvendum anno quolibet hereditarie Remigii confessoris de et ex domo, area et orto ac domo posteriori Willelmi van Mughoevel, filii quondam Willelmi van Mughoevel, sitis in Buscoducis prope capellam sancte Barbare ibidem inter eandem capellam ex uno et inter hereditatem Godscalci Peters soen ex alio, quem censum dicta Luytgardis erga dictum Willelmum van Mughoevel emendo acquisierat, prout in litteris, hereditarie supportavit Iohannis vanden Steen, filio quondam Arnoldi ---. Datum 3a augusti.
6

Mughoevel tot een bedrag van 150 petersgulden schadeloos zou houden van cijnzen en pachten die nog op het huis zouden rusten wegens schulden van Roelof Benne.1

Bezitters:
Jan van Hedel
Hendrik de Zecker
zijn zoon Gielis Hendriksz. de Zecker
bij schepenvonnis in of kort vóór 1480 >
Roelof Benne 1480.02.04 >
Willem Willemsz. van Mughoevel
??
Roelof Broosz. (1520)

Het huis hiernaast in de Beurdsestraat
Op 14 maart 1468 verkocht Hendrik Rovers, zoon van wijlen Hendrik Rovers, aan Thomas de Poorter een cijns van 30 schellingen uit zijn huis, erf en tuin in die Boertschestraet. Het goed werd gesitueerd tussen erf van wijlen Hendrik Zeckers en erf van Lambrecht van der Stegen. Het strekte zich uit van de straat tot erf van Antonis Zerijs.2 Dit huis werd door Aleid weduwe van Hendrik Rovers verkocht aan Melis zoon van wijlen Peter Melisz. Op 31 oktober 1476 erkende Hendrik zoon van wijlen Jan van Dordrecht 28 peters te hebben ontvangen van Godschalk zoon van wijlen Peter Melisz. terzake van de verkoop van dit huis.3 Op 22 oktober 1482 verkochten Godschalk en zijn vrouw Liesbet een cijns hieruit aan Herman Coenen. Het goed, dat nu ook een achterhuis omvatte, werd gesitueerd tussen erf van Willem van Mughoevel en en erf van Joris van den Steen.4
1.R. 1253, f. 329-329v.: Also Aelbrecht van Berze Dirx soen in tijden voirleden naden rechten deser stad ende overmids gebreck van talinge eens erfchijns van acht ponden payments mids coop van rechte gesleten heeft een hoeve voirtijts Rolof Benne, gelegen tot Bucstel, ende welken coop aen handen vanden voirscreven Aelbrecht onverbuet gebleven es, dair nae dat zekere erfpachten ende chijnzen soe van rogge soe van penningen aen diverse personen uutgesloten zijn, soe die voirscreven Aelbrecht syden, soe es gestaen voir scepenen hier onder bescreven die voirscreven Aelbrecht, ende heeft oepenbairlijc bekent ende als sculder principael op hem ende op allen zijn gueden Willemen van Mughoevel Willems soen als besitter eens huys ende erfs wilneer Rolof Benne voirschreven, gelegen bynnen deser stad aen die Weverplaetze bij sinte Barbairen capelle, aldair, inden gevalle oft die voirscreven Willem Mughoevel als besitter des huys ende erfs voirscreven namaels met recht belast worde van ennigen partijen ter cause van wairscappen oft waldogentscap alsulckenen uutgeslotenen erfpachten oft chijnsen voirscreven, dat hij Aelbrecht voirscreven den voirscreven Willemen dair aff quijten ende ontheffen zall ter sommen toe van hondert ende vijftich peters tstuck gerekent tot xviii stuvers, ende behalven dat soe sal Aelbrecht den voirscreven Willemen noch quijten ende ontheffen van allen commer ende aensprake die hem gebueren mochten ten ocsuyn eens erfchijns van sess ponden payments die die voirscreven Roloff tanderen tijden vercoft hadde Arnden Willems Heymans soen uut enen huyze ende erve des voirscreven Rolofs int Ortenstraet gelegen, ende welken chijns daer nae mids opdrachten comen es tott Aelbrecht voirscreven, nae innehoude den brieven dair op gemaict, alle fraude ende argelist dair inne uutgesceiden. Testes Rode et Dachverlies. Datum penultima iulii.
2.R. 1237, f. 245v.: Henricus Rovers, filius quondam Henrici Rovers, hereditarie vendidit Thome die Poirter hereditarium censum triginta solidorum monete, solvendum hereditarie nativitatis Iohannis de et ex domo, area et orto, sitis in Buscoducis in vico dicto die Boertschestraet inter hereditatem quondam Henrici Seckers ex uno et inter hereditatem Lamberti vander Steghen, tendentibus a dicto vico ad hereditatem Anthonii Seris, ut dicebat, ab eodem, promittens super omnia et habenda warandiam et satisfacere. Testes Spijker et Drueten. Datum xiiii marcii, alteram post dominicam Reminiscere. Op 19 september 1470 droeg Thomas de cijns over aan Jan de Wit timmerman, zoon van wijlen Jan (R. 1239, f. 514).
3.R. 1246, f. 293: Henricus filius quondam Iohannis de Dordraco palam recognovit se recepisse a Godescalco filio quondam Petri Melis soen viginti octo peters, xviii stuvers vel valorem computando pro quolibet, qui provenerunt solvendi dicto Henrico occasione venditionis domus, aree et orti, siti in Buscoducis iuxta cappellam sancte Barbare, quos domum, aream et ortum Aleydis relicta quondam Henrici Roevers pridem Amelio filio quondam Petri Melis soen vendiderat, ut dicebat, clamans dictos Godescalcum et Amelium et omnes alios quitos ---. Datum supra (= ultima decembris).
4.R. 1252, f. 176: Godescalcus filius quondam Petri Melissoen et Elisabeth eius uxor legitima, cum eodem Godescalco suo marito tamquam cum tutore, hereditarie vendidit Hermanno Coenen hereditarium censum decem librarum monete, solvendum anno quolibet hereditarie Remigii confessoris de et ex domo, area et orto ac domo posteriori dictorum venditorum, sitis in Buscoducis in vico dicto die Buerdschestraet iuxta capellam sancte Barbare ibidem inter hereditatem Willelmi van Mughoevel ex uno et inter hereditatem Georgii vanden Steen ex alio, tendentibus a communi vico ad
7

Hierna is het complex in het bezit gekomen van Jan de Haze, zoon van wijlen Hendrik de Haze. Deze verkocht het op 19 januari 1487 aan Hendrik van Dordrecht, zoon van wijlen Jan.1 Hendrik verkocht op 21 april 1498 een cijns van 10 pond uit onder meer dit goed aan Jacob zoon van Wouter Dirksz.2

Bezitters:
Hendrik Hendriksz. Rovers
Aleid zijn weduwe >
Melis Peter Melisz.
zijn zoon Godschalk Peter Melisz.
Jan Hendriksz. de Haze (1485) 1487.01.19 >
Hendrik Jansz. van Dordrecht (1498)
zijn zoon Jan Hendriksz. van Dordrecht (1520)

Het huis hiernaast in de Beurdsestraat
Blijkens belending van het vorige huis was dit huis in 1498 in het bezit van Joris van den Steen. Aldus waarschijnlijk nog in 1520.3

Bezitters:
Lambrecht van der Stegen (1468)
Joris van den Steen (1482, 1520)

Een kamer aan de Weversplaats achter de Sint-Barbarakapel
Op 9 november 1475 droegen de kinderen van wijlen Wouter Scheenkens een kamer met haar ondergrond en tuin aan de Weversplaats achter de Sint-Barbarakapel tussen erf van Reise weduwe van Hendrik Scheenken (?) en haar kinderen aan de ene zijde en tussen erf van Willem van Rode en andere buren aldaar aan de andere zijde, strekkend van erf van Gerit Bollens (?) tot de stadsmuur, aan Gerit zoon van wijlen Hendrik ’s Rodenz.4 Uit de begrenzing aan de stadsmuur valt af te leiden dat deze kamer aan de zuidzijde van de Weversplaats stond. De precieze plaats kon niet worden achterhaald.

Bezitters:
 hereditatem Anthonii Seris, ut dicebat ---. Datum xxii octobris. Herman Coenen droeg de cijns op 22 januari 1485 over aan Jan Hendriksz. de Haze (R. 1254, f. 195).
1.R. 1256, f. 186v.: Iohannes die Haze, filius quondam Henrici die Haze, domum, aream ac domum posteriorem olim Godescalci filii quondam Petri Melis soen, sitos in Buscoducis ad vicum dictum die Boertschestraet inter hereditatem Georgii vanden Steen ex uno et inter hereditatem Willelmi Mughoevel ex alio, tendentibus a communi platea ad hereditatem Anthonii Serijs, prout et quemadmodum premissa nunc ibidem constructa et sita sunt, ut dicebat, hereditarie vendidit Henrico de Dordrecht, filio quondam Iohannis, promittens super omnia et habenda warandiam, obligationem et impetitionem deponere, exceptis uno grosso antiquo census fundi, hereditario censu trium librarum monete rectori altaris beati Iohannis Baptiste siti in ecclesia sancti Iohannis in Buscoducis; hereditario censu unius libre monete communibus capellanis in eadem ecclesia, atque hereditario censu quadragintaquatuor solidorum monete predicte olim magistro Iohanno Monix seniori, nunc eius heredibus, annuatim exinde e iure solvendis, ut dicebat. Testes Busco et Kuyst. Datum xix ianuarii.
2.R. 1266, f. 338: Henricus filius quondam Iohannis de Dordraco hereditarie vendidit Iacopo filio Wolteri Derixssoen hereditarium censum decem librarum monete solvendum hereditarie Passche de et ex domo, area, orto ac domo posteriori sibi adiacente, sitis in Buscoducis in vico dicto die Boertsche straet prope capellam beate Barbare ibidem inter hereditatem Georgii vanden Steen ex uno et inter hereditatem Willelmi Mughoevel ex alio, tendentibus a dicto vico ad hereditatem Anthonii Zerijs; insuper ex domo, area et orto, sitis in Buscoducis in dicto vico inter hereditatem Iacobi Hubertszoen ex uno et inter hereditatem Gerardi Broessen ex alio, tendentibus a dicto vico retrorsum ad quendam locum ibidem dictum den Bogart, ut dicebat ---. Datum xxi aprilis, sabbato post Pasche.
3.ARA Brussel, Rekenkamers 45067, f. 64v.: Georgius vanden Steen xiii½ d.
4.R. 1245, f. 7v.: Iohannes et Henricus, filii quondam Wolteri Scheentkens, Lambertus filius Iohannis die Co...? tamquam maritus Heylwigis sue uxoris, filie dicti quondam Wolteri, unam cameram cum suo fundo et orto, sitam in Buscoducis ad locum dictum die Weverplaets retro capellam sancte Barbare inter hereditatem Reyse relicte quondam Henrici Scenken? et eius liberorum ex uno et inter hereditatem Willelmi de Rode et aliorum vicinorum ibidem ex alio, tendentem ab hereditate Gerardi Bollens? ad murum opidi de Buscoducis, ut dicebat, hereditarie vendidit Gerardo filio quondam Henrici sRoden soen ---. Datum supra (= nona novembris).
8

kinderen Wouter Scheenkens 09.11.1475 >
Gerit Hendrik ’s Rodenz.

Een huis, erf en tuin achter de kapel
Op 27 oktober 1472 droegen Klaas zoon van wijlen Dirk Aartsz. en zijn vrouw Katelijn weduwe van Jan Zecker het vruchtgebruik in een huis, erf en tuin achter de kapel over aan Willem, Gielis en Liesbet, kinderen van wijlen Hendrik Zecker, en aan Gielis, Hendrik en Margriet, kinderen van wijlen Hendrik Zecker de jonge, zoon van de eerdergenoemde Hendrik Zecker. Het goed was gelegen tussen erf van Liesbet weduwe van Jan Roelofsz., dochter van eerstgenoemde Hendrik Zecker en erf van de kapel, en strekte zich uit tot erf van Antonis Zerijs. Vervolgens droegen Gielis en Hendrik, zonen van Hendrik Zecker de jonge, en Jan zoon van wijlen Aart Moeykens als man van Mechteld dochter van Hendrik Zecker de jonge het vierde deel in het goed over aan Willem, Gielis en Liesbet, kinderen van eerstgenoemde Hendrik Zecker. Willem, Gielis en Liesbet, de gebroeders Gielis en Hendrik en hun zwager Jan droegen hierna de roerende goederen en het huisraad hun aangeërfd van Jan Zecker en aan te erven van zijn vrouw Katelijn over aan Klaas Dirk Aartsz. en zijn vrouw Katelijn.1 Gielis zoon van wijlen Hendrik Zecker en van zijn vrouw Liesbet dochter van Alard van Emmichoven droeg op 26 augustus 1474 het derde deel van het huis, erf en tuin van wijlen Jan de Zecker over aan zijn broer Willem uit het eerste huwelijk van Hendrik de Zecker.2 Op 10 september 1474 deed dit ook zijn zuster Liesbet, weduwe van Jan Roelof Lodenz. van der Sporct.3 Hiermee was het goed kennelijk in het bezit gekomen van Willem zoon van wijlen Hendrik de Zecker de oude.

Bezitters:
Katelijn weduwe van Jan Zecker en haar man Klaas Dirk Aartsz. 1472.10.27 vruchtgebruik >
Willem, Gielis en Liesbet, kinderen van wijlen Hendrik Zecker, en Gielis, Hendrik en Margriet, kinderen van wijlen Hendrik Zecker de jonge, zoon van de eerdergenoemde Hendrik Zecker
1.R. 1242, f. 9v.-10: Nicolaus filius quondam Theoderici Arts soen, maritus et tutor legitimus ut dicebat Katherine sue uxoris, relicte quondam Iohannis Zecker, et ipsa cum eodem tamquam cum suo marito et tutore, usufructum sibi ut dicebat competentem in domo, area et orto, sitis in Buscoducis ad locum dictum Wever plaets retro cappellam sancte Barbare, ibidem inter hereditatem Elisabeth relicte quondam Iohannis Roelofs soen, filie quondam Henrici Zecker, ex uno et inter hereditatem dicte cappelle ex alio, tendentibus a dicto loco ad hereditatem Anthonii Zerijs, ut dicebat, legitime supportaverunt Willelmo et Egidio fratribus et Elisabeth eorum sorori, liberis quondam Henrici Zecker predicti, Egidio et Henrico fratribus, liberis quondam Henrici Zecker iunioris, filii quondam Henrici Zecker predicti, ad opus eorum et ad opus Mechteldis eorum sororis, filie dicti quondam Henrici Zecker iunioris ---.
 Notum sit universis quod cum ita actum esset, constituti igitur coram scabinis infrascriptis Egidius et Henricus fratres 2o dicti et Iohannes filius quondam Arnoldi Moeykens, maritus et tutor legitimus ut dicebat dicte Mechteldis, sue uxoris, filie dicti quondam Henrici Zecker iunioris, quartam partem ad ipsos ut dicebant spectantem in premissis hereditarie supportaverunt Willelmo et Egidio fratribus primodictis et Elisabeth eorum sorori primodicte ---. Testes, datum supra.
 Willelmus et Egidius fratres et Elisabeth eorum soror, Egidius et Henricus fratres et Iohannes eorum sororius predicti, cum tutore, quecumque bona mobilia et parata, haeffelijke guede communiter vocata, ac domus utensilia, ipsis de morte quondam Iohannis Zecker iure successionis hereditarie advolute ac eciam de morte dicte Katherine relicte dicti quondam Iohannis Zecker iure successionis hereditarie advolvende, quocumque locorum reperienda, ut dicebant, hereditarie supportaverunt Nicolao filio quondam Theoderici Arts soen, marito et tutori legitimo dicte Katherine ---. Testes, datum supra.
2.R. 1243, f. 299v.: Egidius Zecker, filius quondam Henrici Zecker, ab eodem quondam Henrico et Elisabeth eius ultima uxore, filia quondam Alardi de Emmichoven, pariter genitus, terciam partem ac omne ius ad ipsum ut dicebat spectantes in domo, area et orto olim Iohannis Zecker, filii dicti quondam Henrici Zecker, sitis in Buscoducis ad locum dictum Weversplaitze retro capellam sancte Barbare, ibidem iuxta hereditatem Elizabeth filie dicti quondam Henrici Zecker ex uno et inter hereditatem dicte capelle ex alio, tendentibus a communi vico ad hereditatem Anthonii Zerijs, ut dicebat, hereditarie supportavit Willelmo suo fratri, filio dicti quondam Henrici Zecker de primo eius thoro ---. Testes, datum supra (= xxvi augusti).
3.R. 1243, f. 305v.: Elisabeth filia quondam Henrici Zecker senioris, relicta quondam Iohannis filii quondam Rodolphi Loden soen vander Sporct, cum tutore, terciam partem ac totam partem et omne ius ad ipsam ut dicebat spectantes in domo, area et orto sitis in Buscoducis ad locum dictum Wever plaetse retro capellam sancte Barbare, ibidem inter hereditatem dicte Elisabeth ex uno et inter hereditatem dicte capelle ex alio, tendentibus a communi vico ad hereditatem Anthonii Serijs, ut dicebat, hereditarie supportavit Willelmo Zecker suo fratri, filio dicti quondam Henrici Zecker senioris ---. Datum supra (= x septembris).
9

Gielis en Hendrik zonen van Hendrik Zecker de jonge en Jan Aart Moeykens als zoon van Mechteld Hendriksdr. Zecker de jonge 1472.10.27 een vierde deel>
Willem, Gielis en Liesbet, kinderen van Hendrik Zecker (de oude)
Gielis Hendriksz. Zecker 1474.08.26 een derde deel >
zijn broer Willem
Liesbet Hendriksdr. Zecker 1474.09.10 een derde deel >
haar broer Willem Hendriksz. Zecker

Nog een huis, erf en tuin achter de kapel
Op 9 juli 1512 werd er een cijns verkocht uit een huis, erf en tuin achter de Sint-Barbarakapel tussen erf van Jan Aart Moeykens aan beide zijden, zich uitstrekkend van de straat tot an erf van Lambrecht de Volder.1

Achter de kapel in het Volderstraatje

Waarschijnlijk in de Beurdsestraat op de hoek van het Volderstraatje stond in de jaren zestig van de vijftiende eeuw een huis van Hendrik zoon van wijlen Hendrik Zecker. Het werd omschreven als huis, erf en tuin en gesitueerd tussen erf van Liesbet weduwe van Jan van der Sporct en haar kinderen aan de ene zijde en tussen een steegje geheten dat Engvolrestraetken aan de andere zijde, strekkend van de openbare straat tot erf van zijn broer Willem zoon van wijlen Hendrik Zecker. Op 29 november 1462 vestigde Hendrik Hendriksz. Zecker een cijns van een pond stadsgeld op dit goed ten behoeve van het door Reinier van Arkel gestichte Sint-Dympnagasthuis.2
Liesbet weduwe van Jan van der Sporct was de zuster van Hendrik en Willem en dochter van wijlen Hendrik Zecker. Haar zowel binnen als buiten de muren gelegen complex bij de Sint-Barbarakapel is beschreven in het eerste verslag.3

Het erf van Andries Hoernken, zoon van Andries Hoppenbrouwer (op de zuidoosthoek (?) van het Volderstraatje)
Op 5 november 1425 gaf Andries Hoernken, zoon van wijlen Andries Hoppenbrouwer, een aantal goederen in erfelijke cijns aan Gielis zoon van wijlen Jan de Cuper:
  • zijn voorhuis en erf aan de Weversplaats op de hoekje van een steegje van de Weversplaats naar het Van-Mierdensgasthuis, tussen het steegje en erf van Willem Wegen, strekkend van de Weversplaats over de brug over de Dieze tot aan het over die brug gelegen stenen achterhuis van Andries;
  • die stenen brug en het recht om daarop te bouwen;
1.GAHt, Van Mierdensmannengasthuis 4, f. 30v. Opschrift: Achter sunte Berbaren capel.
 Willelmus filius quondam Danielis Everartsz. legitime et hereditarie vendidit Petro filio Ioannis dicti Roestenborch annuum et hereditarium censum duorum denariorum peters communiter vocatorum, decem et octo denarios stuvers communiter vocatos vel valorem eorundam in moneta iam valuata pro quolibet huiusmodi peters computando op Maria Boodschap --- de et ex domo, area et orto, sitis in Buscoducis retro capellam beate Barbare virginis inter hereditatem Ioannis Aert Mijkens ex utroque latere, tendentibus a communi platea ad hereditatem Lamberti die Volder, ut dicebat, --- supportavit et effestucando resignavit ---, exceptis censu fundi domino duci et hereditario censu trium librarum pagamenti capitulo ecclesie sancti Iohannis evangeliste in Buscoducis atque vitali pensione unius floreni Renensis Iudoco de Loevenich prius annuatim exinde e iure solvendis ---. Datum nona die mensis iulii anno Domini millesimo quingentesimo duodecimo.
 ---.
 
Ende tgasthuijs heeft dit vercregen van Peter Jansz. van Roestenborch die, een vanden broeders synde, daer inne gestorven is.
2.GAHt, R. 1232, f. 436: Henricus Zecker, filius quondam Henrici Zecker, hereditarie vendidit michi ad opus hospitalis sancte Dympne quod pridem Reynerus de Arkel fundaverat hereditarium censum unius libre monete, solvendum hereditarie Purificationis et pro primo solucionis termino a Purificationis proxime ultra annum de et ex domo, area et orto eiusdem Henrici, sitis in Buscoducis inter hereditatem Elizabeth relicte quondam Iohannis vander Sporct et eius liberorum ex uno et inter quendam viculum dat Engvolrestraetken ex alio, tendentibus a communi platea ad hereditatem Willelmi Zecker, filii dicti quondam Henrici Zecker ---. Testes, datum supra (= xxix novembris).
3.Ald., 9-11.
10

  • het recht om te bouwen op de stenen muur van het stenen achterhuis tot de hoogte van het benedenste anker aan de laagste balk;
  • zijn bebouwing te ankeren in die muur ter breedte van de brug.
Andries behield de dakdrup van zijn achterhuis naar het voorhuis en de brug zoals die op dat moment was. Er volgden nog een aantal voorwaarden.1
Enkele jaren tevoren, en wel op 9 november 1418, had Andries zoon van wijlen Andries Hoppenbrouwer aan Lambert Priker, weduwnaar van Wendelmoed dochter van wijlen Aart zoon van wijlen Lambert Bakker, een lijfrente beloofd uit zijn huis, erf en tuin aan de Weversplaats tussen erf van Gosen Wegen en de openbare straat en verder uit al zijn goederen.2
Op 28 maart 1425 verkocht Andries Hoernken aan Hendrik Scheenken, zoon van wijlen Filips Scheenken van Lieshout een pacht van een mud rogge uit zijn stenen huis, zowel voorhuis als achterhuis, in het Hankoyen straetken - dit was het Volderstraatje - tussen die steeg aan de ene en tussen erf van Daneel Valkenborch aan de andere zijde, strekkend van de openbare straat over de Dieze tot erf van Willem de Haen.3 Waarschijnlijk gaat het hierbij om hetzelfde huis.
1.R. 1195, f. 141: Andreas Hoernken, filius quondam Andree Hoppenbrouwer, domum suam anteriorem et aream, sitas in Buscoducis apud locum dictum die Weverplaets supra conum cuiusdam viculi, tendentis a loco predicto Weverplaets vocato versus hospitale virorum quod dominus quondam Adam de Mierde fundasse dicitur, inter eundem viculum ex uno et inter hereditatem Willelmi Weghen ex alio, tendentes a communi vico die Weverplaets vocato retrorsum per pontem lapideum supra Diesam ibidem fluentem, situm usque ad domum lapideam posteriorem eiusdem Andree ultra eundem pontem situatum; insuper et dictum pontem lapideum cum iure pleno edificandi supra eundem pontem; insuper et ius edificandi in muro lapideo domus posterioris lapidee Andree predicti ultra dictum pontem situatum ad altitudinem inferioris anchore fixe in trabe inferiori stante (in)? eodem muro domus iamdicte et non altius; et edificia sua firmandi per anchoras et iniungendi alias in eodem muro ad latitudinem dicti pontis et non latius, salvo dicto Andree quod dicta sua domus posterior predicta proprie tenebit sua stillicidia versus domum anteriorem et pontem predictos quemadmodum? illa stillicidia pronunc? versus dictum pontem habere? dinoscitur de sua domo posteriori predicta, ut dicebat, dedit ad hereditarium censum Egidio filio quondam Iohannis des Cupers, ab eodem hereditario iure habendos et possidendos pro censu domini nostri ducis atque pro hereditario censu septem librarum monete ex premissis prius e iure solvendis, ut dicebat, dando ab anno terminis debitis?, atque pro hereditario censu triginta trium librarum et trium solidorum monete, dando sibi ab anno hereditarie et annuatim nativitatis Domini ---, talibus condicionibus annexis quod dictus Egidius nunquam poterit supra dictum pontem versus domum posteriorem eiusdem Andree altius sua edificia in muro lapideo dicti Andree firmare aut iungere quam ad altitudinem infime anchore fixe in trabe solarii domus posterioris predicte, sed bene? bassus si velit (bovengeschreven en in de kantlijn: pontem tum? absque usu muri Andree predicti sua edificia supra dictum pontem ibidem edificandi altius situare, salvum? dicto Andree quod ipse sua stillicidia de posteriori sua predicta proprie tenebit, habebit? ... ea ad presens? ... edificando habere dinoscitur .. quod idem Egidius dictas aquas versus dict.. ..tem de domo sua posteriori decendentes absque? dampnis eiusdem Andree deducet versus pontem predictum). Item condicionatum est, in casu quo domus anterior predicta imposterum per infortunam aut per incendium perierit, extunc in illo casu dictus Egidius et sui successores non poterunt unquam aliquas lapides a fundo domus anterioris predicte ammoveri sine et absque licentia Andree predicti, nec quovismodo deteriorare suo scitu et voluntate domum anteriorem predictam postquam tamen? census totus quem? dictus Andreas ex dicta domo anteriori acquitatus fuerit, tunc dictus Egidius poterit disponere cum domo antedicto? et suis attinentiis prout se visum fuerit expedire. Item condicionatum est quod idem Egidius sua edificia supra dictum pontem edificanda non poterit facere? tegi nisi dumtaxat in tecto duro non stramineo. Item condicionatum est, si dictus Egidius ad? fregerit in muro predicto, hoc suis expensis absque expensis eiusdem Ade reformabit. Testes Aa et Berze. Datum quinta novembris.
 Sed? Petrus de Best prebuit et reportavit. Testes, datum supra.
 Et poterit redimere --- anno Domini mo cccc xxv indictione 3a mensis novembris die quinta anno? m..? octavo.
2.R. 1191, f. 16v.: Dictus Andreas (= Andreas filius quondam Andree dicti Hoppenbrouwer) promisit se daturum et soluturum dicto Lamberto (= Lambertus Pryker, relictus quondam Weyndelmodis filie quondam Arnoldi filii quondam Lamberti Pistoris), vitalem pensionem dimidii modii siliginis mensure de Buscoducis anno quolibet quamdiu vixerit et non ultra nativitatis Domini et vitalem pensionem XL solidorum monete, solvendam ad eius vitam et non ultra Purificationis de et ex domo, area et orto eiusdem Andree, sitis in Buscoducis ad locum dictum aen die Weverplaetse inter hereditatem Goeswini Wegen ex uno et inter communem plateam ex alio; item ex aliis suis bonis, habitis et habendis; et cum mortuus fuerit, erit quitus. ---. Datum ix novembris.
3.R. 1195, f. 92: Andreas Hoernken, filius quondam Andree Hoppenbrouwer, (hereditarie vendidit)a Henrico Scheenken, filio quondam Philippi Sceenken de Lieshout, hereditariam pactionem unius modii siliginis mensure de Buscoducis hereditarie Purificationis et in Buscoducis tradendam ex domo lapidea tam anteriori quam posteriori dicti venditoris, sita in Buscoducis ad vicum dictum Hankoyen straetken inter dictum viculum ex uno et inter hereditatem Danielis Valkenborch
11

In een schepenakte van 25 oktober 1443 wordt gezegd dat Gielis Cuper aan Andries Hoernken een erfelijke cijns had beloofd van 33 pond en 3 schellingen uit het eerder genoemde huis, erf, brug enzovoorts en dat Gielis de helft van die cijns had afgelost. Na de dood van Katelijn weduwe van Gielis zou die helft vererven op hun kinderen Hubert, Katelijn en Bela. Gedurende het leven van Katelijn zou Andries slechts 10 Arnoldusgulden per jaar vragen van de andere helft van de cijns.1
De halve cijns van 16½ pond - aldus de akte; in werkelijkheid plus 1½ schelling - vererfde aan Liesbet dochter van Andries Hoernkens, begijn. Zij vermaakte hem aan de beneficianten van de Sint-Janskerk en het groot begijnhof. Deze droegen hem op 8 oktober 1471 over aan Heilwig weduwe van Jacob Knoyen.2

Bezitters:
 ex alio, tendente a communi vico ultra Diesam ad hereditatem Willelmi die Haen, ut dicebat ---, tali condicione annexa postquam idem Andreas dicto emptori firmam bonam de medietate hereditarie pactionis duorum modiorum siliginis, quam pactio duorum modiorum siliginis dictus emptor ex domo, area et orto suo Rutgero Berwout et Thome de Mameren solvere consueverat, contentetur? fecerit talem quod hoc sibi semper fuerit ratum atque firmum, quod extunc idem venditor eiusque bona pro solutione predicte pactionis impignerata seu obligata deinceps perpetue erunt quiti et omnino absoluti, prout alter recognovit et super omnia repromisit. Testes Iacobus et Reeuwe. Datum xxviii martii, 4a post Iudica.
 a Deze woorden ontbreken.
1.R. 1214, f. 122bis oud, 132 nw.: Notum sit universis quod cum Egidius filius quondam Iohannis des Cupers promissiset se daturum et soluturum Andree Hoernken, filio quondam Andree Hoppenbrouwer, hereditarium censum trigintatrium librarum ac trium solidorum monete hereditarie nativitatis Domini ex domo et area sitis in Buscoducis apud locum dictum die Weverplaets supra conum cuiusdam viculi, tendentis a dicto loco versus hospitale quondam domini Ade de Mierde inter eundem viculum ex uno et inter hereditatem Willelmi Wedigen ex alio, tendentis a loco predicto per pontem lapideum ibidem situm supra Diesam usque ad domum posteriorem eiusdem Andree, et ex dicto ponte, et ex iure edificandi supra eundem pontem atque ex iure edificandi in muro lapideo domus posterioris iamdicte, quos domum, aream, pontem et iura edificandi idem Egidius erga dictum Andream pro censu predicto et quibusdam aliis censibus exinde prius solvendis ad censum acquisierat, prout in litteris; et cum idem Andreas recognovisset quod dictus Egidius et suis successores poterunt perpetuis temporibus futuris acquitare et redimere prout in instrumento publico desuper confecto plenius videbatur contineri, constitutus igitur coram scabinis infrascriptis dictus Andreas Hoernken palam recognovit quod idem Egidius redemit et acquitavit medietatem supradicti census iuxta formam instrumenti predicti, quapropter idem Andreas eandem medietatem census supradicti hereditarie supportavit Katherine relicte quondam Egidii filii quondam Iohannis des Cupers ---, tali condicione annexa quod eadem medietas post obitum dicte Katherine ad Hubertum, Katherinam et Belam, liberos Katherine et quondam Egidii predictorum hereditarie iure succedet et devolvetur. ---. Datum xxv octobris. Notum sit universis quod cum ita actum esset, constitutus igitur coram scabinis infrascriptis dictus Andreas palam recognovit et super omnia et habenda dicte Katherine promisit quod ipse quamdiu vixerit in humanis de reliqua medietate dicti census non plus petet, monebit nec via iuris prosequitur annuatim quam decem Arnoldus gulden, computando x stuyvers vel valorem pro quolibet floreno. Testes, datum supra.
2.R. 1241, f. 2-2v.: Domini Gerardus Hyem et Thomas de Borken, presbiteri, cappellani beneficiati in ecclesia sancti Iohannis evangeliste in Buscoducis, et Elisabeth de Helmont, begina maioris curie beginarum in Buscoducis, potentes ad infrascriptas vigore testamentu seu ultime voluntatis quondam Elisabeth filie quondam Andree Hoerkens!, begine dum vixit dicte maiorisa curie, ut dicebant, hereditarium censum decem et sex et dimidie librarum monete de hereditario censu triginta trium librarum et decem solidorum dicte monete, quem censum iamdictum Egidius filius Iohannis dicti Cupers promiserat se daturum et soluturum Andree dicto Hoernken, filio quondam Andree dicto! Hoppenbrouwer, nativitatis Domini ex domo anteriori dicti Andree et area, sitis in Buscoducis apud locum dictum die Weverplaets supra conum cuiusdam viculi tendentis a loco predicto Weverplaets vocato versus hospitale virorum quod dominus quondam Adam de Myerde fundasse dicitur inter eundem viculum ex uno et inter hereditatem Willelmi dicti Wegen ex alio, tendentibus a communi vico Weverplaets vocato retrorsum per pontem lapideum supra Diesam ibidem fluentem, situm usque ad domum lapideam posteriorem eiusdem Andree ultra pontem situatam; insuper ex dicto ponte lapideo et pleno iure edificandi supra eundem pontem; insuper et et! iure edificandi in muro lapideo domus posterioris lapidee Andree predicti ultra dictum pontem stantem ad latitudinem inferioris anchore fixe in trabe inferiori stante in eodem muro domus iamdicte et non altius, et edificia sua firmandi per anchoras et iniungendi alias in eodem muro ad latitudinem dicti pontis et non latius, salvo dicto Andree quod dicta sua domus posterior perpetue tenebit sua stillicidia usque domum anteriorem et pontem predictum quemadmodum illa stillicidia pro tunc versus dictum pontem habere dinoscitur, quas domum, aream, pontem, iura edificandi dictus Egidius ergo primodictum Andream pro primodicto censu triginta trium librarum et trium solidorum et quibusdam aliis oneribus ad censum acquisierat, prout in litteris, hereditarie supportaverunt Hadewigi relicte quondam Iacobi Knoyen ---. Datum octava octobris.
 a Er staat annorum.
12

Andries Hoernken, zoon van Andries Hoppenbrouwer 1425.11.05 >
Gielis Jansz. de Cuper
zijn weduwe Katelijn
hun kinderen

In de straat (= het steegje naar het hospitaal = Het Volderstraatje)
De volgende kameren bevonden zich waarschijnlijk aan de westzijde van het Volderstraatje; langs de oostzijde strekte zich het complex van Andries Hoppenbrouwer uit.
Op 6 augustus 1405 gaf Jan Groot van Herlaar, als echtgenoot van Hille dochter van Adam van Mierde, in erfelijke cijns aan Jan Willemsz. van Berze de helft in twee kamers in het straatje langs het erf van Andries Hoppenbrouwer naar het woonhuis - de mansio - van wijlen heer Adam van Mierde tussen het erf van wijlen Mathijs van Loet en de openbare steeg naar de stadsmuur, strekkende van het straatje achter tot aan het erf van wijlen Frank Lubergen, nu van Jan van Haren wolwever.1
Achter de Weversplaats, waarschijnlijk ook in het Volderstraatje, werden in 1423 zes kameren gesitueerd in een niet afgewerkte schepenakte die staat tussen akten van 8 en 9 juni van dat jaar. Volgens de ontwerp-akte zouden Mechteld weduwe van Hendrik Keelbrekers en haar kinderen Jan en Liesbet, gehuwd met Jacob van Kessel, een beëdigde verklaring afleggen over hun bezit van die kameren en over een cijns in verband met het verloren gaan van de daarop betrekking hebbende schepenakten bij de stadsbrand van begin mei 1419. Er is sprake van zes kameren met hun ondergrond achter de Weversplaats onder de lakenramen aldaar tussen de steeg geheten Beurde (!) aan de ene en een openbare weg aan de andere kant naast erf van wijlen Andries Hoppenbrouwer, nu van zijn zoon Andries, naar het zuiden toe aan de andere zijde, strekkend van het erf van Frank Luben tot erf van Willem de Haen. Wijlen Jan Vrancken had 25 jaar tevoren een cijns van 8 pond uit die kameren, terwijl wijlen Daneel Schuerman 16 jaar later die cijns van Jan Vrancken verkregen had. Voorts had Daneel of een ander in zijn naam twee van die kameren wegens een gebrek van betaling van de cijns door schepenvonnis verkregen en verkocht waarna zij ten slotte aan wijlen Hendrik Keelbrekers en zijn vrouw Mechteld waren gekomen. Tot die kameren behoorde een recht van weg - over een weg van vier voet breed - van de openbare straat langs het huis van wijlen voornoemde Andries naar achteren. Ook Frank Huben en Peter zoon van wijlen Gerit Zerijs zouden hierover een eed afleggen.2 Frank Luben is waarschijnlijk identiek met de hiervóór genoemde Frank Lubergen.
1.R. 1184, f. 173v.: Iohannes Groet de Herlaer, maritus et tutor legitimus Hille sue uxoris, filie legitime domini quondam Ade de Mierde, medietatem ad se spectantem in duabus cameris cum suis fundis, sitis in Buscoducis in viculo tendente iuxta hereditatem Andree Hoppenbrouwer versus mansionem dicti quondam domini Ade de Mierde inter hereditatem quondam Mathye de Loet ex uno et inter communem viculum tendentem versus murum opidi de Busdocucis ex alio, tendentem a dicto viculo retrorsum ad hereditatem quondam Franconis Lubergen, nunc ad Iohannem de Haren textorem laneorum spectantem, ut dicebat, dedit ad hereditarium censum Iohanni de Berze, filio Willelmi de Berze, ab eodem hereditarie possidendam pro hereditario censu xxx solidorum monete, dando sibi ab anno nativitatis Iohannis ex medietate predicta ---. Datum supra (= in die Sixti).
2.R. 1193, f. 450v.: Mechtildis relicta quondam Henrici Keelbrekers atque Iohannes Keelbreker eius filius, Iacobus de Kessel, maritus et tutor Elisabeth sue uxoris, filie Mechtildis et quondam Henrici predictorum, suam possessionem declaraverunt de sex cameris cum earum fundis, sitis in Buscoducis retro locum dictum Weverplaets sub pannitensoriis ibidem inter viculum dictum Buerde ex uno et inter quandam viam communem ibidem tendentem iuxta hereditatem Andree quondam Hoppenbrouwer, nunc Andree sui filii, versus austrum ex alio, tendentem ab hereditate Franconis Luben ad hereditatem Willelmi die Haen, unde? iurant? quod quondam Iohannes Vrancken ex premissis cameris hereditarium censum octo librarum monete solvendum habuerat ultra xxv annos elapsos et quod quondam Daniel Schuerman eundem censum erga quondam Iohannem Vrancken predicti postmodum ultra xvi annos elapsos acquisierat et quod idem quondam Daniel aut alter nomine sui duas cameras pro defectu solutionis dicti census per sententiam scabinorum de Buscoducis per iudicem vendiderat, ita quod dicte due camere tandem ad quondam Henricum Keelbreker cum dicta Mechtilde devenerant, ut dicebant, quodque dicte camere atque? ius viandi per viam quandam ibidem tendentem a communi vico proxime iuxta domum quondam Andree predicti retrorsum, que via communis? quatuor pedatas in latitudine continet, ut dicebant; quodque de premissis sex cameris et eius fundo et de dicto censu fuerunt littere scabinorum que sunt combuste in incendio magno quod contigerat anno Domini mo cccc xix circa principium? maii. Quo facto Franco Huben et Petrus filius quondam Gerardi Serijs conferunt? iuramentum predictum. Testes (niet afgewerkt; tussen akten van 8 en 9 juni).
13

Een huisplaats in de straat strekkende van Beurde vóór erven van Adam van Mierde naar erf van wijlen Herman van Zonne
Aan de straat strekkend van Beurde vóór erven van Adam van Mierde naar erf van wijlen Herman van Zonne lag een huisplaats die zowel vóór als achter 22 voet breed was. Dirk van der Heze had deze huisplaats met de daarop staande bebouwing verkocht aan Bela van Oss, begijn. Deze had de helft van de van de helft van deze huisplaats verkocht aan Liesbeth van Oss, weduwe van Dirk van der Heze. Deze helft van de helft was gelegen naast erf van Heilwig van Emmerik en erf van Liesbeth van Caudekerke. Dit deel had de breedte van de erven van Heilwig en Liesbeth en was gelegen naar het erf van genoemde Heilwig en Liesbeth toe. Op 12 maart 1407 verkocht Liesbeth van Oss dit deel aan Egbert van der Boydonc, zoon van wijlen Dirk van der Boydonc.1

Een kamer uit een andere huisplaats in de straat strekkende van Beurde naar erf van Herman van Zonne
Er waren nog meer huisplaatsen in de straat strekkende van Beurde vóór erf van Adam van Mierde naar erf van Herman van Zonne. Op 3 augustus 1457 droeg Liesbet dochter van wijlen Hendrik van Geffen molenaar een van die kamers over aan Gerit Scheenken, zoon van wijlen Hendrik Scheenken smid. Zij werd omschreven als een kamer uit een huisplaats in de straat van Beurde vóór erf van Adam van Mierde naar erf van Herman van Zonne tussen erf Dirk van Heze en erf van Dirk van den Venne. Heilwig dochter van wijlen Gielis van Ghisenrode had deze huisplaats met het recht van weg over een weg aldaar strekkend van het Engstraatje - dit wil zeggen het Volderstraatje - door een poort aldaar, van haar moeder Margriet verkregen. In 1457 was deze kamer gelegen tussen erf van Jan Keelbreker en erf van Gerit Scheenken en strekte zich uit van de genoemde straat tot aan de tussengevel aldaar. De overdracht vond plaats met de helft van die gevel en het recht van weg door de genoemde straat samen met andere rechthebbenden. Liesbeth had de kamer verkregen van Heilwig dochter van wijlen Gielis van Ghisenrode.2

Bezitters huisplaats:
Margriet weduwe (?) van Gielis van Ghisenrode >
haar dochter Heilwig

Bezitters kamer:
1.R. 1185, f. 94v.: Notum sit universis quod cum Theodericus vander Heze domistadium situm in Buscoducis ad vicum tendentem a vico dicto Boerde ante hereditates Ade de Mierde versus hereditatem quondam Hermanni de Zonne, quod domistadium continet ubique? tam ante quam retro xxii pedatas in latitudine, cum edificiis in dicto domistadio consistentibus hereditarie vendidisset Ade de Mierde ad opus Bele de Os beghine; et deinde dicta Bela medietatem cuiusdam partis dicti domistadii, scilicet illam medietatem illius partis dicti domistadii que pars sita est contigue iuxta hereditatem Heylwigis de Eymeric et hereditatem Elizabeth de Caudekerke, que pars habet longitudinem, scilicet ad latitudinem dicte hereditatis dicte quondam Heylwigis de Eymeric et hereditatem dicte Elizabeth de Caudekerke, scilicet illam medietatem dicte partis que sita est versus hereditatem dictarum quondam Heylwigis et Elizabeth, hereditarie vendidisset Elizabeth de Os, relicte dicti quondam Theoderici vander Heze, prout in litteris, constitutus igitur coram scabinis infrascriptis dicta Elizabeth de Os cum tutore dictam medietatem dicte partis dicti domistadii hereditarie supportavit Engberto vander Boydonc, filio quondam Theoderici vander Boydonc ---. Datum supra (= in sabbato post Letare).
2.R. 1227, f. 280v.: Elizabeth filia quondam Henrici dicti de Geffen multoris cum tutore quandam cameram cum suis fundo et edificiis, sumptam de quodam domistadio sito in Buscoducis in vico tendente a loco dicto Boerde ante hereditatem Ade de Myerde versus hereditatem quondam Hermanni dicti de Zonne inter hereditatem Theoderici dicti vander Heze ex uno et inter hereditatem Theoderici dicti vanden Venne ex alio, quod domistadium cum iure viandi per quandam viam ibidem tendentem a vico dicto dat Engstraetken per quandam portam ibidem consistentem Heilwigis filia quondam Egidii dicti de Ghisenrode erga Margaretam suam matrem acquisierat et que camera nunc sita est inter hereditatem Iohannis dicti Keelbreker ex uno et inter hereditatem Gerardi dicti Scheenken ex alio, tendens a communi vico predicto ad parietem interstitialem ibidem, simul cum medietate dicti parietis interstitialis ac iure viandi per dictum vicum similiter aliis hominibus ius ad hoc habentibus, quam cameram cum medietate parietis interstitialis et iure viandi predictam dicta Elizabeth erga Heilwigem filiam quondam Egidii dicti de Ghisenrode predictam acquisierat, prout in litteris, hereditarie supportavit Gerardo Scheenken, filio quondam Henrici Scheenken, fabro ---, exceptis oneribus in dictis litteris contentis. ---. Datum 3a augusti.
14

Heilwig Gielisdr. van Ghisenrode >
Liesbet Hendriksdr. van Geffen 1457.08.03 >
Gerit Hendriksz. Scheenken

Nog een kamer uit die huisplaats
Een andere kamer uit die huisplaats verwierf Heilwig dochter van Gielis van Ghisenrode (Ghyzenrode) van haar moeder Margriet. Heilwig droeg die kamer op 9 juli 1459 over aan Geertruid dochter van Zweder(ik) zoon van wijlen Wouter Berck. De nadere situering luidde: tussen erf van Jan Keelbreker en erf van wijlen Gerit Scheenken en zich uitstrekkend van de straat tot aan de stadsmuur.1 Op 11 maart 1461 transporteerde Geertruid de kamer aan Willem van Rode Jansz.2 en deze laatste op 4 december 1462 aan Gerit zoon van wijlen Hendrik de Rode.3

Bezitters:
Margriet weduwe (?) van Gielis van Ghisenrode >
haar dochter Heilwig 1459.07.09 >
Geertruid Zweder(ik)sdr. Woutersz. Berck 1461.03.11 >
Willem van Rode Jansz. 1462.12.04 >
Gerit Hendriksz. van Rode
1.R. 1229, f. 288v.: Heilwigis filia quondam Egidii de Ghyzenrode cum tutore quandam cameram cum suis fundo et edificiis, sumptam de quodam domistadio sito in Buscoducis in vico tendente a loco dicto Boerde ante hereditatem Ade de Mierde versus hereditatem quondam Hermanni de Zonne inter hereditatem Theo[derici ...] vander Heze ex uno et inter hereditatem Theoderici vanden Venne ex alio, simul cum iure viandi per quamdam viam ibidem tendentem a quodam vico dicto dat Engstraetken [...] per quamdam portam ibidem consistentem, quod domistadium cum iure viandi predicto dicta Heilwigis erga Margaretam eius matrem acquisierat, prout in litteris, illam scilicet cameram cum suis fundo et attinentiis que sita est ibidem inter hereditatem Iohannis Keelbreker ex uno et inter hereditatem olim Gerardi Scheenken [ex alio ...] pariete interstitiali interiacente ex alio, et tendit a vico ad murum opidi de Buscoducis, simul cum medietate dicte parietis interstitialis et iure viandi p[er] dictum vicum similiter aliis hominibus ius in eodem vico habentibus, ut dicebat, hereditarie vendidit Gertrudi filie Zwederici filii quondam Wolteri de Berck, supportavit ---, tali condicione annexa quod dicta Gertrudis medietatem dicte parietis interstitialis tenebit et conservabit in bona et laudabili dispositione absque dampnis et expensis dicte Heilwigis, atque quod ipsa Gertrudis ex dicta camera cum suis fundo et edificiis hereditarium censum viginti solidorum monete in abbreviationem hereditarii census duarum librarum monete predicte Theoderico die Coster ex dicto domistadio e iure solvendi, ut dicebat, exnunc deinceps perpetue sic et taliter dabit et solvet quod dicte Heilwigis ad et supra se et bona sua dampna exinde non eveniant quovis modo infuturum, prout dicta Gertrudis cum suo tutore hoc palam recognovit et super omnia et habenda dicte Heilwigi repromisit. Testes Spierinc et Vucht. Datum nona iulii.
2.R. 1231, f. 86v.: Gertrudis filia Swederi filii quondam Wolteri dicti de Berck, cum tutore, quandam cameram cum suis fundo et edificiis, sumptam de quodam domistadio sito in Buscoducis in vico tendente a loco Boerde ante hereditatem Ade de Myerde versus hereditatem quondam Harmanni dicti de Zonne inter hereditatem Theoderici dicti vander Heze ex uno et inter hereditatem Theoderici dicti vanden Venne ex alio, simul cum iure viandi per quandam viam ibidem tendentem a quodam vico dicto dat Engstraetken per quandam portam ibidem consistentem, illam scilicet cameram cum suis fundo et attinentiis que sita est ibidem inter hereditatis Iohannis Keelbreker ex uno et inter hereditatem olim Gerardi dicti Scheenken, pariete intersticiali interiacente, ex alio, et tendit a vico ad murum opidi de Buscoducis, simul cum medietate dicte parietis intersticialis et iure viandi per dictum vicum similiter aliis hominibus ius in eodem vico habentibus, quam cameram cum iure viandi ac pariete intersticiali dicta Gertrudis erga Heilwigem filiam quondam Egidii dicti de Ghisenrode emendo acquisierat, prout in litteris, hereditarie supportavit Willelmo dicto de Rode Jans soen ---. Testes, datum supra (= xia marcii, quarta post Oculi).
3.R. 1232, f. 437: Willelmus de Rode Jans soen quandam cameram cum suis fundo et edificiis, sumptam de quodam domistadio, sitam in Buscoducis in vico tendente a loco dicto Boerde ante hereditatem Ade de Myerde versus hereditatem quondam Hermanni dicti de Zonne inter hereditatem Theoderici vander Heze ex uno et inter hereditatem Theoderici vanden Venne ex alio, simul cum iure viandi per quamdam viam ibidem tendentem a quodam vico dicto dat Engstraetken per quandam portam ibidem consistentem, illam scilicet cameram cum suis fundo et edificiis que sita est ibidem inter hereditatem Iohannis Keelbreker ex uno et inter hereditatem olim Gerardi Scheenken, pariete intersticiali interiacente, ex alio, et tendit a vico ad murum opidi de Buscoducis, simul cum medietate dicte parietis intersticialis er iure viandi predictum vicum similiter aliis hominibus ius in eodem vico habentibus, quam cameram cum iure viandi ac pariete intersticiali dictus Willelmus erga Gertrudem filiam Zwederi filii quondam Wolteri de Berck acquisierat, prout in litteris, hereditarie supportavit Gerardo die Rode, filio quondam Henrici die Rode ---. Datum quarta decembris.
15

In de steeg achter het woonhuis van Gerit mitten Koyen (het Volderstraatje)
Op 17 maart 1440 werd Roelof Hals geëigend aan een huis en erf in de steeg achter het woonhuis van Gerit metten Koyen naar de woning van Hendrik van Mierde tussen erf van Jacob Scuebel en erf van Luppen de Oude wegens achterstalligheid van de betaling van een cijns. Frank van Bladel had in 1364 beloofd die cijns te betalen aan Dirk van Oss de lakensnijder. Het complex werd op genoemde datum verkocht aan Peter van Lieshout.1 Op 12 januari 1463 droeg diens weduwe Hadewig het over aan Roelof van den Dungen, zoon van wijlen Roelof Geritsz.,2 en deze laatste op 27 mei 1467 aan Hendrik Peter Broesz.3

Bezitters:
schepenvonnis >
Gerit Mol van Driel 1440.03.17 >
Peter van Lieshout
zijn weduwe Hadewig 1463.01.12 >
Roelof Roelof Geritsz. van den Dungen 1467.05.27 >
Hendrik Peter Broesz.

Drie kamers met achtergelegen tuin in een straatje van de Beurdsestraat naar de stadsmuur (het Volderstraatje)
Op 5 juli 1460 deden de gebroeders Hendrik en Wouter en hun zuster Ermgard, gehuwd met Tielman van Engelen, kinderen van wijlen Hendrik Scheenken afstand ten behoeve van Jordaan en Jan van den Broeck van onder meer drie kamers met achtergelegen tuin in straatje van de Beurdsestraat naar de oude stadsmuur. Zij hadden die kamers verkregen bij erfdeling.4

Bezitters:
Hendrik Scheenken
zijn kinderen 1460.07.05 >
Jordaan en Jan van den Broek
1.R. 1800, f. 181v.: Rodolphus Hals fuit adiusticiatus ad domum et aream sitam in Buscoducis in viculo tendente retro habitacionem Gerardi dicti metten Koyen versus habitacionem Henrici dicti de Myerde inter hereditatem Iacobi Scuebel ex uno et inter hereditatem Luppini Senioris ex alio, occasione defectus solucionis annui et hereditarii census trium librarum et quatuor solidorum monete, quem censum Franco de Bladel promiserat se daturum et soluturum Theoderico de Os pannicide hereditarie Bartolomei apostoli ex premissis, prout in litteris quarum data continet feria quinta post diem beati Valentini anno Domini millesimo CCCo sexagesimoquarto, et supportavit Gerardo Mol de Dryel, et proclamavit primo, 2o, 3o, et vendidit Petro van Lyeshout. Testes omnes preter Uden et Balyart. Datum supra (= xvii marcii, sabbato post Letare). Et solvit iiii libras monete et onera.
2.R. 1232, f. 441v.
3.R. 1236, f. 283.
4.R. 1230, f. 325v.: Henricus et Wolterus fratres, liberi quondam Henrici Scheenken, et Tielmannus de Engelen, maritus et tutor legitimus ut dicebat Ermgardis sue uxoris, filie dicti quondam Henrici, super uno modio siliginis ---; insuper super hereditario censu ---; insuper tribus cameris sibi coadiacentibus, sitis in Buscoducis in viculo tendente a vico dicto die Boertschestraet versus antiquum murum opidi de Buscoducis et super orto retro easdem cameras situato; insuper super medietate medietatis campi ---; qui --- dictis Henrico et Woltero fratribus et Tielmanno de Engelen Iordano filio quondam Alberti filii dicti quondam Henrici Scheenken et Iohanni vanden Broeck nomine et ex parte sui et Henrici vander Rennen? mariti et tutoris legitimi Heilwigis sue uxoris, filie dicti quondam Aelberti, mediante quadam divisione hereditaria, inter ipsos et inter Theodericum, Arnoldum et Iohannem fratres, libros quondam Theoderici vander Capellen, dudum habita, simul cum quibusdam aliis bonis cesserunt in partem, prout in litteris divisionis, atque super iure ad opus dictorum Iordani et Iohannis vanden Broeck hereditarie renunciaverunt ---. Datum quinta iulii.

Martin W.J. De Bruijn, februari 2006
16