Intern verslag 93b


Aanvullend onderzoek Boerenmouw

In juni 2002 is het onderzoeksrapport 'Voormalige bebouwing In den Boerenmouw (intern rapport nr. 93a) uitgebracht. Om meer inzicht te krijgen in de ontwikkeling van de behouwing in de zestiende en zeventiende eeuw is in juli 2002 aanvullend onderzoek verricht naar de eigenaars, bewoners en gebruikers in die periode. Het betreft de percelen V-A, V-B en V-C op onderstaande schematische weergave. Met name perceel V-A, waar de opgravingen hebben plaatsgevonden, wordt in dit aanvullend rapport uitvoerig behandeld.


1

V-A. Westelijk deel achter In den Boerenmouw over het water

Perceel V-A werd in 1589 omschreven en gesitueerd als 'huis, erf, tuin en leeg erf en achterhuis of brouwhuis (...) bij het Orthenklooster tussen erf van de allereerwaardigste heer bisschop van 's-Hertogenbosch aan de ene zijde en tussen de straat of het leeg erf aldaar aan de andere zijde, strekkende van het openbare water tot het erf van het genoemde Orthenklooster, en een tuintje aldaar over het water geheten de Dieze achter de verblijfplaats (mansio) of het huis van Jan Heym'. Tot het complex behoorde ook de inventaris van de brouwerij.1
Het erf van de bisschop lag ten westen van het huis en de straat of het lege erf elders meestal een plaatsje genoemd - aan de oostzijde ervan. Vanaf het water strekte het complex zich uit tot aan bezit van het Orthenklooster. De ligging van het tuintje is niet geheel duidelijk. Met het huis van Jan Heym zal het hierna te behandelen perceel V-C bedoeld zijn.

Bezitters van complex V-A waren in 1589 Adriaan zoon van wijlen Peter van Acht, die gehuwd was met Marie dochter van wijlen Jan van Rijsingen. Laatstgenoemde was al in 1563 in het bezit van het goed, zoals blijkt uit een schepenakte betreffende Hinthamerstraat 74.2 Op 18 december 1589 werd het door Adriaan van Acht als man van Marie van Rijsingen tegen erfelijke pacht uitgegeven aan Apollonia Ke(r)sselaers van Antwerpen. Apollonia gaf het op haar beurt op 5 augustus 1595 aan Hester dochter van wijlen Jan Maes,3 nadat zij - zoals we nog zullen zien - kort tevoren, op 26 januari van hetzelfde jaar, het tegenovergelegen huis V-C had verkregen. Apollonia behield hierbij het hiervóór genoemde tuintje achter het huis van Jan Heym.4
Hester Maes droeg het complex op 26 januari 1615 over aan haar broer Thomas Maes, collecteur van de licenten in het kwartier van 's-Hertogenbosch. De omschrijving luidde bij die gelegenheid: huys, erve, hoff, ledighe plaetsche ende achterhuijs ofte brouwhuijs mit allen zijnen rechten ende toebehoertten gestaen ende gelegen binnen der stadt van 's Hertogenbossche inde Hinthamerstraet in een straetken aldaer tegenover het Heijlich Cruijs staende op den kerckhoff van Sint Jans kercke, gemeijnlick genoempt den Boerenmouwe, bij het convent vande sustere van Orthen, tusschen erffenisse toecoemende tot het bisdom deser stadt ex uno ende tusschen zeeckere ledighe erffenisse aldaer aen d'ander zijde, streckende van den gemeijnen water tot op erffenisse des voirschreven convents der susteren van Orthen.5 De Nederlandse omschrijving komt overeen met die in de Latijnse akten van 1589 en 1595. Als erfdienstbaarheid werd het onderhoud van de brug pro rata genoemd; in latere akten blijkt dit voor het
1.Gemeentearchief 's-Hertogenbosch, Rechterlijk archief 's-Hertogenbosch, Bosch' protocol (hierna: R) 1406, f 340v-341 (18 december 1589): domum, aream, ortum et vacuam hereditatem et domum posteriorem seu domum braxatoriam cum omnibus suis iuribus et attinentiis, simul etiam cum omnibus supellectilibus in eadem domo consistentibus et instrumentis braxatoriis dictis communiter een brauwegetauwe, sitis in Buscoducis circa vicum Hijntamensem in viculo quodam ex opposito sancte Crucis vulgo appellato den Boerenmauwe iuxta monasterium de Orthen inter hereditatem domini reverendissimi episcopi Buscoducensis ex uno et inter vicum seu vacuam hereditatem ibidem ex alio, tendentibus a communi aqua ad hereditatem dicti monasterii de Orthen, et quandam ortulum ibidem ultra aquam dicta die Diese retro mansionem seu domum domicelli Iohannis Heym.
2.R 1385, f 574-574v (28 augustus 1563): tegen sint Jans kercke over, tussen den huysen ende erven van wijlen Everarden van Doern, Jans Boeyens alias van Rysingen ende den convent vanden susteren van Orthen aen d'een zijde ende den huysen ende erven vanden Heijligen Gheest binnen der voirs. stadt ende van Henricxken Colen aen d'ander zijde.
3.R 1422, f 380v-381v.
4.reservato tamen dicte Apollonie alio orto ibidem ultra aquam retro mansionem olim domicelli Iohannis Heym consistente.
5.R 1490, f 183-184.
2

vierde deel te zijn geweest.1
De kinderen van Thomas Maes en zijn echtgenote Gervasia Grauwers droegen het huis na zijn overlijden over aan Laurens van den Eynde, licentiaat in de rechten en rentmeester van de koning in de Bommeler- en Tielenwaard. Dit gebeurde op 7 april 1625. Die kinderen waren: 1. Johan Masius, licentiaat in de theologie, kanunnik van de Sint-Jan en zegelaar van het bisdom; 2. Catharina, gehuwd met mr. Gielis van Elshout, raad en rentmeester van de koninklijke rekenkamer in Gelderland; 3. Hester, gehuwd met jonkheer Peter van Gestel, licentiaat in de rechten en president-schepen van 's-Hertogenbosch; 4. Helena; 5. Maria. Hun vader Thomas was rentmeester geweest van de koninklijke domeinen en contributies. Het ging dus om een koningsgezinde familie van hoge ambtenaren en functionarissen.
In de overdrachtsakte uit 1625 is geen sprake meer van een brouwerij. Mogelijk is het huis in deze periode verbouwd tot een herenhuis. De akte spreekt van eene huysinge met allen haeren appendentien, rechten ende toebehoorten van dyen, in alsulcker vuegen ende manieren deselve geheele huysinge met alle haere dependentien gelegen is binnen deser stadt 's Hartogenbossche ontrent de Hinthamerstraet ter plaetssen genoemt In den Boerenmauwe tussen den waeterstroom aldaer vlietende ex uno ende tussen erve des susteren convents van Orten ex alio, streckende van de gemeyne plaetsse aldaer tot aen erffenisser der huysinge des bisdoms deser stadt, ende gelyckerwys dese voorschreven geheele huysinge by den voorschreven sr. Thomas Maes is aftergelaeten ende op den voorschreven comparanten by successie is gedevolveert.2
Mr. Laurens van den Eynde droeg het complex vervolgens op 31 augustus 1632 over aan Johan van den Hovel, schout van Hogeloon.3 Laurens was rentmeester van de koninklijke contributie in Zuid-Holland, het Land van Altena, de Bommeler- en de Tielerwaard, welke functie overigens door de inname van de stad door de Staatsen in 1629 wel - verder - aan betekenis zal hebben ingeboet.
Johan van den Hovel transporteerde het huis op 6 december 1640 aan de koopman Willem Jansz. van den Velde, die het op zijn beurt op 24 september 1664 overdroeg aan Aart van Schijndel voor de som van 1950 gulden.4 Hierna is het complex 'uitgewonnen' voor een schuld, en hierbij in handen gekomen van Johan van Rijnshoven bij schepenvonnis van 9 oktober 1668. Op 15 februari 1670 werd het vervolgens van zijn weduwe, Geertruid van Drongelen, voor 1985 gulden aangekocht door Frederik Hendrik Sweerts. De omschrijving kwam in verkorte vorm nog steeds overeen met die uit 1625: eene huysinge met henne gronden, rechten ende toebehoorten, gestaen ende gelegen binnen deser stadt inde Hinthamerstraet tegens over Sint Jans evangeliste kercke nevens 't gemeyne waeter aldaer lopende, die Diese geheyten, ex uno ende nevens erve des convents vande susteren van Orten ex alio, streckende van de gemeyne straete tot op erve des bisdomme deser stadt.5
Frederik Sweerts de Landas, heer van Baarschot en schepen van 's-Hertogenbosch, droeg het huis op 5 mei 1698 over aan Aldegonda van der Vliert, weduwe van Johan van Grinsven, en Catherina van Nieuwenhuijs voor de koopsom van 1000 gulden.6 Eerstgenoemde koopster is kort hierna overleden: haar erfgenamen transporteerden hun helft op 3 december 1699 aan hun mede-erfgename Johanna Elisabeth van Beughem, weduwe van Anthony van der Vliert, voor de som van 650 gulden.7 Zij verkreeg op 12 december 1701 voor 800 gulden de andere helft van Catharina van Nieuwenhuijs.8
Het huis bleef lange tijd in handen van de familie Van der Vliert. Op 23 maart 1747 trans-
1.Zie bv. R 1525, f 246-247 (7 april 1625).
2.R 1525, f 246-247.
3.R 1552, f 402-403.
4.R 1640, f 406-407.
5.R 1645, f 140-142.
6.R 1698, f 42-42v.
7.R 1658, f 166v.
8.R 1659, f 57v-58.
3

porteerde juffrouw Maria Johanna van der Vliert het — na scheiding en deling met haar broers en zwager van de nalatenschap van haar ouders - aan juffrouw Alijda Maria van der Putten, weduwe van Mathhias de Meele. De koopsom bedroeg 1061 gulden. Uit de omschrijving blijkt dat het (nog steeds) om een kapitaal pand ging: eene groote, schoone en welgeleege huysinge met nog een huijsje daar nevens aan en verdere regten en toebehoorten van dien, gestaan en geleegen binne deese stad agter den Boeren Mouw, ex uno de Dies, ex alio d'heer president Massing, strekkende voor van de straat tot op erve van de huysinge bewoont werdende by den heere commandeur.1 De familie Van der Vliert komen we ook tegen in de hierna te behandelen kavels V-B en V-C.
Opeenvolgende bezitters van V-A:
Jan Boeyens genaamd van Rijsingen (in 1563)
dochter Maria, gehuwd met Adriaan Petersz. van Acht, 18 december 1589 »
Apollonia Jansdr. van Ke(r)sselaer, 5 augustus 1595 »
Hesther Maes Jansdr., 26 januari 1615 »
haar broer Thomas Maes, gehuwd met Gervasia Grauwers
hun kinderen 5/6 deel op 7 april 1625 »
dochter Anna, gehuwd met Laurens van den Eynde, 31 augustus 1632 »
Johan van den Hovel, schout van Hogeloon, 6 december 1640 »
Willem Jansz. van de Velde, 24 september 1664 »
Aart van Schijndel
uitwinningsvonnis 9 oktober 1668 »
Geertruid van Drongelen, weduwe van Johan van Rijnshoven, 15 februari 1670 »
Frederik Hendrik Sweerts de Landas, heer van Baarschot, schepen van 's-Hertogenbosch, 5 mei 1698 »
Aldegonda van der Vliert, weduwe van Johan van Grinsven, en Catharina van Nieuwenhuijs
erfgenamen van Aldegonda van der Vliert ½ op 3 december 1699 »
Catharina van Nieuwenhuijs ½ op 12 december 1701 »
Johanna Elisabeth van Beughem, weduwe van Anthony van der Vliert
hun erfgenamen scheiding en deling »
Maria Johanna van der Vliert, 23 maart 1747 »
Alijda Maria van der Putten, weduwe van Matthias de Meele

V-B. Hoofdbebouwing achter In den Boerenmouw over het water

In de tweede helft van de zestiende eeuw was zowel dit complex als de hierna onder V-C te behandelen bebouwing in het bezit van Hendrik de Heusch als echtgenoot van Martha dochter van Zeger Jan Goiarts (van Hedel).2 Op 15 juni 1573 werden de bezittingen van dit echtpaar gerechtelijk gedeeld. De twee huizen vielen ten deel aan hun dochter Elisabeth, gehuwd met Everard van de Water. Het huis was toen verhuurd aan mr. Goiart van der Voort, kanunnnik van de Sint-Jan. De omschrijving luidde: een poirte, een huijs, ledige erffenisse gemeijnlick genoempt een plaetssche, hoff, afterhuijs mit allen zijnen rechten ende toehehoorten gestaen ende gelegen binnen der stadt van t's Hartogenbossche inne der Hinthamerstraet in een straet aldaer als men gaet naer den susteren van Orthen tegen heijlich Cruijs over naest de woninge des pater van den susteren van Orthen, welcke voorscreven poerte ende woeninge mit sijnen
1.R 1739, f 174-174v.
2.Zeger Jan Goiarts van Hedel komt voor in het cijnsregister van 1520 als latere bezitter. In 1520 stond het complex op naam van mr. Willem van den Bosch, die 19 schellingen betaalde voor zijn poort (ARA Brussel, Rekenkamers 45067, f 18): Magister Willelmus de Busco de area Gerlaci Cnode pro poirte sua XIX d. Bovengeschreven: Segerus filius Iohannis de Hedel alias Goyarts
4

rechten ende toebehoorten voors. een genoempt heer ende meester Goyart vander Voort, canonick der kercken van sinte Johan evangelist binnen der voors. stadt, tegenwoerdelick inne zijne hueringe is hebbende.1
Al op 7 oktober 1573 deed Everard van de Water het huis van de hand aan Leonard Roelofsz. van Erp, priester en beneficiaat van de Sint-Jan, waarbij de omschrijving luidde: 'huis, erf, tuin, achterhuis, poort (...) tussen erf van (...) het Orthenklooster aan de ene zijde en tussen het openbare water de Dieze genoemd en erf van heer en meester Cornelis Eimberts, priester en kanunnik van de kathedrale kerk van Sint-Jan, aan de andere zijde, strekkende van de openbare straat tot erf van de broederschap van de heilige maagd Maria in 's-Hertogenbosch'.2 Cornelis Eimberts was, zoals we zullen zien, inmiddels bezitter geworden van het huis V-C.
Via de erfgename van Leonard van Erp, namelijk Franske dochter van wijlen Hendrik Roelofsz. van Uden alias van Erp, gehuwd met Peter Anthonisz. van Gemert, kwam het huis op 30 mei 1587 in handen van Willem Hendriksz. van Veghel.3 De volgende bezitter werd op 8 februari 1596 de genoemde Peter Anthonisz. van Gemert,4 die het op 4 januari 1600 transporteerde aan mr. Reinier Colve, priester, in ruil voor een huis in de Korte Kerkstraat. Zijn erfgenamen hij was inmiddels ook kanunnik van de Sint-Jan geweest - gaven het goed op 24 december 1613 ten erfelijke cijns aan mr. Pauwels Havens, priester en kanunnik van de Sint-Jan. De cijns naast de grondcijns en een oudere cijns aan Goiart Goiartsz. van der Donk de klompenmaker -, ten bedrage van 18 gulden per jaar aan het kapittel, werd op 20 juni 1624 afgelost.6
Op 17 februari 1628 gaven de erfgenamen van Pauwels het complex op hun beurt ten erfelijke cijns aan mr. Laurens Jansz. de Leeuw, licentiaat in de rechten en raad van de stad 's-Hertogenbosch. Bij die gelegenheid luidde de omschrijving: huijs met eenen schoonen nieuwen sadel ende carmerken daeraen gemaect, afterhuijs, poorte ende twee hoven met allen zijnen rechten ende toebehoortten, gestaen ende gelegen binnen deser voorschreven stadt in de Hinthamerstraet tegenover den heijligen cruijs in eene plaetse daer men gaet nae de wooninge des paters van den convente der susteren van Orthen, tusschen erffenisse des voorschreven convents ex uno ende tusschen 't gemeyn water die Diese genoempt ende den erve der weduwe joncker Johans van Campen ex alio, streckende voor van de gemeijn plaetse oft straete aldaer achterwaerts tot den erve der huijsinge van d'eerwerdige broederschap van onser liever Vrouwe in Sint Jans kercke voorschreven. De weduwe Van Campen bewoonde het complex V-C, zoals we hierna nog zullen zien. Uit het goed ging toen ook nog een cijns van 15 gulden aan de cantorij van het Sint-Janskapittel. De cijns waartegen het huis door de erfgenamen van Pauwels Havens werd uitgegeven, bedroeg 50 gulden en werd op 29 maart 1640 afgelost.7
Zoals wel met meer koningsgezinde Bossche regenten het geval was, zal mr. Laurens de Leeuw na de inname van de stad door Frederik Hendrik naar het nog Spaanse Breda verhuisd
1.R 1848, f 285-294v. nw.
2.R 1397, f 329-329v: domum, aream, ortum, domum posteriorem, portam cum omnibus suis iuribus et attinentiis, sitos in Buscoducis in vico Hijnthamensi ex opposito sancte Crucis in quodam loco quo itur versus habitationen patris conventus Orthensium in Buscoducis, inter hereditatem dicti conventus Orthensium ex uno et inter communem aquam die Diese dicta et hereditatem domini et magistri Cornelii Eimberti presbiteri et canonici ecclesie cathedralis sancti Iohannis in Buscoducis ex alio, tendentes a communi vico sue platea ad hereditatem conventus! confraternitatis beate Marie virginis in Buscoducis.
3.Nadat eerst Roelof zoon wijlen Hendrik van Uden alias van Erp, weduwnaar van Jutte dochter van wijlen Leonard van Aalst, afstand had gedaan van zijn vruchtgebruik ten behoeve van Franske. R 1406, f 140-141.
4.R 1468, f 179-180.
5.R 1438, f 195v-196.
6.R 1489, f 70-72v.
7.R 1505, f 137-141v.
5

zijn, waar hij stadhouder van de drossaard werd. Met de helft in een huis in de Verwerstraat had het echtpaar De Leeuw het hier behandelde complex al in 1631 overgedragen aan Petronella Creeft in ruil voor een hoeve land in Velp in het Land van Ravenstein. Petronella op haar beurt droeg het huis op 28 maart 1640 over aan Catharina dochter van wijlen Jan Geritsz.1
In zijn Voorname huizen en gebouwen van 's-Hertogenbosch, deel III, blz. 170-173 ('s-Hertogenbosch 1914), vertelt A.F.O van Sasse van Ysselt hoe het huis verbouwd werd tot schuilkerk, waarbij de bezitters zullen zijn opgetreden als stromannen voor de katholieke Gemeente. In 1669 kwam het aldus in handen van Hendrik van Susteren, wiens dochter Johanna trouwde met Johan van Beughem. Dit echtpaar kreeg een dochter Johanna Elisabeth, die trouwde met Anthony van der Vliert. Het huis zal aan haar vererfd zijn. Als weduwe verwierf Johanna Elisabeth in 1699 en 1701 ook het hiervóór behandelde perceel V-A. De erfgenamen van haar zoon Anthony van der Vliert droegen het kerkgebouw en de daarnaast gelegen pastorie ingevolge resolutie van de Staten-Generaal van 10 juni 1773 op 9 juli van dat jaar over aan de roomsche gemeente der voornoemde kerkenhuysinge. De koopsom bedroeg volgens taxatie 2200 gulden. Als medetransportant trad op Arnoldus Costerius, die eigenaar zal zijn geweest van de naastgelegen pastorie (zie perceel V-C). Het gehele complex V-B en V-C werd omschreven als: de roomsche kerkenhuysinge mitsgaders de wooninge en erve door J.F. Potters, roomsch priester, gebruykt wordende, staande ende gelegen binnen deese hooftstad 's Hertogenbosch ter plaatse genaamt achter den Boeremouw, te samen neffens huys en erve van Jan van Esch ex uno ende neffens de riViere de Dieze ex alio, strekkende voor van de straet of plaats den Boerenmouw genaamt achtenwaarts tegens erve van de L.V. Broedenschap.2
Opeenvolgende bezitters van V-B:
Hendrik de Heusch, gehuwd met Marta Zeger Jan Goiarts (van Hedel)
hun kinderen 15 juni 1573 »
dochter Elisabeth, gehuwd met Evert Jan Everts van de Water, 7 oktober 1573 »
mr. Leonard Roelofsz, van Erp, priester en beneficiaat van Sint-Jan »
zijn erfgenaam Roelof Hendriksz van Uden alias van Erp, weduwnaar van Jutte dochter
Leonards van Aalst, vruchtgebruik op 30 mei 1587 »
Franske dochter wijlen Hendrik Roelof Hendriksz. van Uden alias van Erp, gehuwd met Peter
Anthonisz van Gemert, 30 mei 1587 »
Willem Hendriksz, van Veghel, 8 februari 1596 »
Peter Anthonisz. van Gemert, 4 januari 1600 »
Reinier Colve, priester, 24 december 1613 »
Pauwels Havens, priester en kanunnik
zijn erfgenamen 17 februari 1628 »
mr. Laurens Jansz. de Leeuw, gehuwd met Franchelein van der Borcht, 15 juli 1631 »
Petronella Creeft, dochter van Ofto Creeft, 28 maart 1640 »
Catharina Jan Geritsdochter, weduwe van Hendrik Aartsz, de Roij
haar erfgenaam mr. Hendrik Aart Hendriksz. (of: Lucasz.?) de Roij, volmacht aan oom Cornelis Hendriksz Zierneels
Jan Zierneels, gehuwd met Beatrix dochter Hendrik Aart Lucas de Roij, 24 juli 1669 »
dochter Geertruid Zierneels ½ en kleinkinderen Jan en Beatrix kinderen van Mathijs Zierneels ½ 24 juli 1669 »
Hendrik van Susteren, gehuwd met Elisabeth van Zutphen »
dochter Johanna, gehuwd met Johan van Beughem »
dochter Johanna Elisabeth, gehuwd met Anthony van der Vliert, »
zoon mr. Anthony Joseph van der Vliert, griffier van Brugge, gehuwd met Marja Gertrudis
1.R 1558, f 28.
2.R 1767, f 55-55v.
6

Vercamp »
erfgenamen 9 juli 1773 »
de rooms-katholieke gemeente

V-C. Het huis achter In den Boerenmouw aan de brug

Op 9 september 1573 verkochten Evert van de Water en zijn vrouw Elizabet dochter van Zeger van Hedel dit huis aan mr. Cornelis Eimbertsz., priester en kanunnik van de St-Jan. De omschrijving luidde bij die gelegenheid: een huijs, erve mit allen sijnen rechten ende toebehoirten gestaen ende gelegen binnen der stadt van t's Artogenbossche inne die straet daer men gaet van der Hijnthamerstraet nae den cloester ofte convente van den susteren van Orthen, ruerlincx bij ende aene die steenen brugge aldair tusschen erffenisse des voorscreven vercoopers d'een sijde ende 't gemeijn water aldair lopende d'ander zijde, streckende voor van de straet ofte plaetsse tot aen de erffenisse des voirscreven vercoopers, inne sulcker vueghen gelijck heer Jan van den Horrick, priestere ende beneficiaet der cathedrale kercke van sint Jan evangelisten binnen der voirscreven stadt 'tselve huijs tegenwoirdelijcken inne hueringe ende gebruijck is hebbende.1 Het echtpaar had dit complex met het hiervoor behandelde huis V-B verkregen bij erfdeling van 15 juni 1573 van de nalatenschap van Hendrik de Heusch en zijn echtgenote Martha dochter van Zeger Goiarts van Hedel.2 Bij de verkoop op 9 september 1573 werd bepaald: des oijck die voorscreven coper allen die gelaesen ende vensteren op die zijde van den erffenisse des voirscreven vercopers moeten stoppen ende toemaecken ende egeen lochtgaters moegen maken. Ende of die voorscreven copere inne toecomenden tijde 't voirscreven huijs, erve hoger oft anderssins timmerden ende vermaicten, sal moeten blijven op sijnen tegenwoirdelijcken ouwen grontslach, zonde des wijder te timmeren oft metssen, ende en sal sijn druppe alsdan nijet vordere moegen extenderen noch vuijtsteken gelijck dit all die voorscreven coper openbairlicken heeft bekent.
De uitvoerders van het testament van Cornelis Eimbertsz. verkochten het huis op 26 januari 1595 aan Apollonia Jansdochter Ke(r)sselaers van Antwerpen,3 die 1589 eigenaresse was geworden van het tegenover dit huis staande huis V-A.4 Op 5 augustus 1595 heeft zij laatstgenoemd huis weer verkocht,5 zodat aangenomen mag worden dat zij V-C is gaan bewonen. Opmerkelijk is verder dat zij op 11 september van hetzelfde jaar met haar nicht Maria Hendriksdochter van den Bogart voor de som van 1100 carolusgulden het gebruik van een kelderkamer en zolder kocht in het klooster van de arme clarissen in de Papenhulst met de verplichting tot verzorging wanneer zij ziek zouden worden.6
Hoe het Apollonia verder vergaan is, heb ik niet kunnen achterhalen. In ieder geval was het huis, zoals uit een belending blijk, in 1613 in het bezit van de weduwe van jonker Johan van Campen.7 Pas op 10 december 1642 droeg heer Arnoud Jan Arnoudsz. van Campen het complex over aan Guilliam Donckers, terwijl op diezelfde datum zijn vrouw, Maria Sedlnitsky, afstand had gedaan van het beslag dat zij op het huis had gelegd uijt crachte van haere alimentatie.8 De weduwe van Guilliam Donckers, bij zijn leven notaris en klerk ter secretarie van Den Bosch, Hester van Kessel, transporteerde het huis op 28 november 1654 aan Arnoldus Costerius, licentiaat in de rechten, en zijn zuster Elisabeth, kinderen van mr. Johan Costerius, ook
1.R 1396, f 435-435v.
2.R 1848, f 229-237 oud, 285-294 nw.
3.R 1467, f 119-121.
4.R 1406, f 340v-341 (18 december 1589).
5.R 1422, f 380v-381v.
6.Van Sasse van Ysselt, a.w., II, 500-501
7.R 1489, f 70-72v (24 december 1613).
8.R 1562, f 598-599v.
7

licentiaat in de rechten. De omschrijving luidde: voorschreven Catharina van Roij tot aende gemeijne straete achter den Boerenmouw voorschreven.1
Vanaf het midden van de zeventiende eeuw zal het huis gefungeerd hebben als pastorie van de naastgelegen schuilkerk. Het moet lange tijd in handen van de familie Costerius zijn gebleven. Op 9 juli 1773 transporteerde Arnoldus Costerius samen met de erfgenamen van Anthonie Joseph van der Vliert het kerkgebouw (V-B) en de pastorie aan de rooms-katholieke gemeente.2
Opeenvolgende bezitters van V-C:
Elisabeth dochter van Hendrik die Heusch, gehuwd met Evert Jan Everts van de Water, 9 september 1573 »
mr. Cornelis Eymbertsz., priester en kanunnik van Sint-Jan
zijn erfgenamen 26 januari 1595 »
Apollonia Jansdr. van Ke(r)sselaer »
haar erfgenamen »
Johan van Campen Aartsz.
zijn zoon Arnoud 10 december 1642 »
Guiliam Donckers
zijn weduwe Hester van Kessel 28 november 1654 »
mr. Arnold Costerius en Elisabeth Costerius, kinderen van mr. Jan Costerius
hun erfgenamen
Arnold Costerius, 9 juli 1773 »
de rooms-katholieke gemeente
1.R 1582, f 10-10v.
2.R 1767, f 55-55v.


Martin W.J. de Bruijn, Utrecht juni 2002
8