Intern verslag 75


De voorgeschiedenis van het Keizershof

De geschiedenis van de bebouwing ter plaatse van het latere Keizershof (Keizerstraat 1-3) aan de hand van de schriftelijke bronnen is terug te volgen tot de eerste helft van de veertiende eeuw. Het oudst getraceerde gegeven is een oorkonde van 29 augustus 1330. Hierin doet de procurator van de kapelaans in de Sint-Janskerk namens die kapelaans ten behoeve van Christina van Broekhoven en haar zoon Jan afstand van alle cijnzen op één na die er rusten 'op het huis en erf van wijlen Arnoud van Diest bij het huis en erf van wijlen Jan van Son'.1 De gemaakte uitzondering was een cijns van tien schellingen per jaar, die we ook in latere gegevens nog tegenkomen en die een houvast biedt bij de nogal gecompliceerde vroege bebouwingsgeschiedenis.
De tweede getraceerde vermelding van de bebouwing ter plaatse is het testament van Hendrik van Moordrecht, ridder, en zijn vrouw, Katharina van der Aa, van 8 september 1367. Het echtpaar vermaakt daarin ten behoeve van hun zielenheil en dat van hun ouders, vrienden en weldoeners aan de Bossche Tafel van de Heilige Geest 20 pond 'uit zijn hele erf(goed), gelegen tegenover het woonhuis van Jan de Wapenkoning, tussen de Dieze aldaar stromend aan de ene kant en zekere vlakte aldaar liggend aan de andere kant'.2 Uit andere gegevens blijkt dat het huis van Jan van Steensel de wapenkoning (heraut), die in 1363 zijn testament had gemaakt,3 gelegen was aan de zuidzijde van de latere Keizerstraat. Het ging hierbij om het latere Hof van Zevenbergen.
Als belendingen van het perceel worden in het testament van Hendrik van Moordrecht en zijn vrouw de Dieze genoemd aan de ene kant en een vlakte (planum) aan de andere. Het lijkt er dus op dat het huis toen naast het water stond en dat er aan de andere kant - dus in de richting van de Sint-Jorisstraat - een open ruimte was. Uit andere gegevens, die hierna aan de orde zullen komen, valt echter af te leiden dat er in de veertiende eeuw al meer bebouwing op de plek van het latere Keizershof heeft gestaan.
Hoewel testamenten doorgaans gemaakt werden tijdens ziekte of op gevorderde leeftijd, zijn Hendrik van Moordrecht en zijn vrouw hierna nog verhuisd. In 1382 treffen we het echtpaar aan in een huis en erf genaamd die Cappel, gelegen over de Loefsbrug achterwaarts naast het woonhuis van wijlen Engelbrecht Luding van den Dijk, dit wil zeggen aan de noordkant van de Waterstraat ter plaatse van de tegenwoordige parkeergarage.4
Waarschijnlijk hebben zij hun huis tegenover de wapenkoning - dus in de Keizerstraat - verkocht aan de hertogelijke rentmeester Jan Gijsbrechtsz. Wrede van Herpen. Ofschoon hiervan geen oorkonde bewaard is gebleven, kunnen we dit afleiden uit een Bossche schepenakte van 30 juni 1389, waarin Arnoud Stamelart van de Kelder aan Philippus Jozello overdroeg 'een huis, erf en tuin, dat vroeger was van Arnoud van Diest en daarna van Christina Satsijns (?) en haar zoon Jan, gelegen in 's-Hertogenbosch bij het huis geheten Van Boxtel', welk goed aan Arnoud verkocht was door Jacob Jan Gijsbrechtsz.5 In Christina Satsijns (?) en haar zoon Jan herkennen we Christina van Broekhoven en zoon Jan uit de oorkonde uit 1330.
Op dezelfde dag verkocht Arnoud aan Philippus Jozello van Nano - de verkrijger van het huis dus - een cijns van 16 pond stadsgeld 'uit een huis, erf en tuin met al hun toebehoren, gelegen in 's-Hertogenbosch bij het huis geheten Van Boxtel recht tegenover het woonhuis van Jan geheten Coninc van Steensel de wapenkoning aan het water aldaar stromend', welke cijns aan Arnoud Stamelart verkocht was door Jacob zoon van wijlen Jan Gijsbrechtsz. alias Wrede van
1.RANB, Huis Stapelen (inventaris R. Wols), nr. 96: in domo et area quondam Arnoldi de Diest, sita in dicto loco de Buscho ducis iuxta domum et aream Iohannis quondam de Zonne bone memorie.
2.GAH, Heilige Geest, nr. 617: ex tota et universali sua hereditate, sita in opposito habitationis Iohannis regis Armorum, inter Dysam ibidem decurrentem ex uno latere ac quoddam planum ibidem consistens ex alio.
3.GAH, Heilige Geest, nr. 517 (1363 februari 18).
4.GAH, Loketkast II, Waterstraat (1382 juni 7). Zie ook Van der Vaart, 'Het Lombardje', 16 en 23-24.
5.GAH, R 1178, fol. 245: de cijns ex domo, area et orto atque eorum attinentiis universis, sitis in Buscoducis iuxta domum dictam de Bucstel recte in opposito domus habitationis Iohannis dicti coninc Jan van Steensel, regis armorum, supra aquam ibidem currentem; en verder: domum et aream ac ortum que antea fuerat Arnoldi dicti de Dyest et postea Cristine dicte Satsijns? et Iohannis filii sui, sitos in Buscoducis iuxta domum dictam de Bucstel.
1

Herpen.1 Ofschoon de omschrijvingen in de beide akten heel verschillend zijn, kunnen we uit de context van de overige gegevens concluderen dat het in beide gevallen om hetzelfde huis ging.
Uit een Bossche schepenakte van 20 december 1391, waarin de procurator van de Tafel van de Heilige Geest afstand deed van een cijns van 20 schellingen die de erfgenamen van wijlen Gerard Stierke bezaten ten behoeve van de gebroeders Hendrik en Iwan Stierke, komen we verder te weten dat het woonhuis van wijlen Hendrik van Moordrecht, 'gelegen in de straat strekkend vóór het woonhuis van wijlen Jan geheten coninc Jan van Steensel naar de straat Huls tussen het water aldaar stromend aan de ene kant en het erf van Jan van den Dijk aan de andere kant', toen toebehoorde aan de 'lombarden'.2 Hoogstwaarschijnlijk gaat het om deze cijns in het testament van Wendelmoed Stiers van 19 november 1382, toen zij 1/6 deel van een cijns van 20 schellingen vermaakte aan haar zuster Elizabet uit het erf van Jan Wrede bij de Conincs brugghe.3 Iwan Stierke droeg op 21 maart 1393 een cijns van 40 schellingen 'uit een huis en tuin met hun toebehoren die waren van wijlen Jan geheten Wrede van Herpen, gelegen in 's-Hertogenbosch bij de brug geheten des Conincs brugge', over aan Philippus Jozello.4 Hiermee had deze 'lombard' - een uit Lombardije afkomstige koopman -5 niet alleen het huis verworven, maar tevens enkele daarop rustende cijnzen afgelost.

Alvorens we de geschiedenis vervolgen, houden we ons eerst nog even bezig met de zojuist gegeven omschrijvingen van het complex en de oudst getraceerde bezitters. In de beide schepenakten van 30 juni 1389 wordt gezegd dat het huis stond iuxta domum dictam de Bucstel, 'bij het huis geheten Van Boxtel'. Nu sproot de echtgenote van Hendrik van Moordrecht, Katharina van der Aa, hoogstwaarschijnlijk voort uit de tak van dit geslacht die zich Van der Aa noemde.6 Een Gerardus dictus van der Aa de Boxtele, 'Gerard van der Aa van Boxtel' komen we tegen in oorkonden vanaf 1312.7 Ik acht hem identiek met de Gerard van der Aa die in dat jaar als getuige optrad in het befaamde Charter van Kortenberg, dat een aantal rechten waarborgde van de ingezetenen van het hertogdom Brabant.8 Onder andere op grond van zijn zegel is aangetoond dat Gerard van der Aa uit een zijtak of bastaardtak van het geslacht Van Randerode-Van Boxtel stamde.9 Waarschijnlijk is Katharina van der Aa een dochter van Gerard van Boxtel gezegd van der Aa, op zijn beurt een zoon van genoemde Gerard van der Aa van Boxtel. Deze Gerard junior komt voor in oorkonden van 1314 tot 1336.10
Hier komt nog bij dat we Katharina's echtgenoot Hendrik van Moordrecht meerderemalen aantreffen in de entourage van de Boxtels en de met hen verwante Van Diests. Zo is een
1.R 1178, fol. 245: ex domo, area et orto atque eorum attinentiis universis, sitis in Buscoducis iuxta domum dictam de Bucstel recte in opposito domus habitationis Iohannis dicti coninc Jan van Steensel, regis armorum, supra aquam ibidem currentem, venditum sibi a Iacobo filio quondam Iohannis dicti Ghijsbrechts zoen alias dicti Wrede de Herpen.
2.R 1178, fol. 206: habitatione quondam domini Henrici de Mordrecht, militis, nunc ad lombardos [spectante].
3.GAH, Groot Begijnhof, nr. 74.
4.GAH, R 1179, blz. 655: ex domo et orto cum eius attinentiis que fuerant quondam Iohannis dicti Wrede de Herpen, sitis in Buscoducis iuxta pontem dictum des Conincs brugge.
5.Zie Pirenne, Koopmansgeest, 13.
6.Op 22 september 1390 was zij als getuige aanwezig bij het verlijden van het testament van Dirk van der Aa, die bij een ongeluk gewond was geraakt. Het testament werd opgemaakt in het huis van Dirks broer Gerard. Ook aanwezig was vrouwe Elizabet, echtgenote van Gozewijn van der Aa, ridder (GAH, Heilige Geest, nr. 1069). Een Dirk, Gerard en Gozewijn van der Aa waren tussen 1364 en 1437 schepen van 's-Hertogenbosch (zie Jacobs, Justitie en politie, 259-264). Zie voorts Van Sasse van Ysselt, 'Genealogie van het geslacht van Randerode genaamd van der Aa', 110-111. Deze gegevens, ontleend aan een handschrift van de zeventiende-eeuwer Arnoud van Buchel, lijken overigens niet erg betrouwbaar.
7.Oorkondenboek Noord-Brabant I, nr. 864 (1312 februari 11); en nr. 884 (1312 oktober 14).
8.A.w., nr. 883 (1312 september 27).
9.Zie hierover: Hardenberg, 'Het ontstaan van de vrijheid Tilburg', 46-49.
10.Hardenberg, a.w., 47-48, foto tussen 64 en 65, en 75.
11.Willem heer van Boxtel, overleden vóór 17 juni 1331, was gehuwd met Maria van Diest (Hardenberg, a.w., 75).
2

oorkonde van Arnoud van Rummen, drossaard van Brabant, uit 1357 mede bezegeld door Hendrik van Moordrecht.1 Deze Arnoud van Rummen was een broer van de Utrechtse bisschop Jan van Diest (1322-1340) en een neef van Willem heer van Boxtel. Op 2 april 1325 verklaarde de bisschop dat zijn broers Thomas van Diest en Arnoud van Rummen en zijn neef Willem van Boxtel voor hem borg gebleven waren bij de lombarden van Den Bosch voor een lening van 1740 pond Tourse zwarten. Willem van Boxtel ontving daarvoor het kasteel van Goor en het schoutambt van Twente in pand.2 Opmerkelijk is ten slotte dat de genoemde oorkonde uit 1330 zich bevindt in het huisarchief van Stapelen, het kasteel van de heren van Boxtel.
Misschien is het niet te gewaagd te veronderstellen dat de Arnoud van Diest die in dat stuk genoemd wordt geïdentificeerd mag worden met Arnoud van Diest genaamd van Westfalen, die op 10 januari 1323 medebezegelaar was van een oorkonde van zijn broer Gerard heer van Diest. Ook zijn broers Jan, elect van Utrecht, Thomas van Diest, heer van Woudenberg, en Arnoud van Diest, heer van Rummen, waren hierbij als getuigen en zegelaars betrokken.3 Laatstgenoemde Arnoud, die later drossaard van Brabant werd,4 kan niet als bezitter van het huis bedoeld zijn, omdat hij pas lang na 1330 is overleden.
Ofschoon een sluitend bewijs op basis van deze gegevens niet te leveren is, is het gezien dit alles allerminst ondenkbaar dat het terrein waarop later het Keizershof zou verrijzen, in de eerste helft van de veertiende eeuw toebehoorde aan verschillende leden van het geslacht Van Boxtel-Van Diest.

Waarschijnlijk is het huis van Hendrik van Moordrecht tussen 8 september 1367 en 7 juni 1382, mogelijk door verkoop, in handen gekomen van Jan Gijsbrechtsz. Wrede van Herpen, rentmeester van de hertog in stad en meierij van Den Bosch.5 Diens zoon Jacob verhuurde het complex voor zes jaar aan Philippus Asinarius en Philippus Jozello 'ten behoeve van Thomas Asinarius en zijn collega-kooplieden in 's-Hertogenbosch'. In een niet nader dateerbare schepenakte van circa 1390 verleende hij namelijk kwijting voor de volledige huursom.6 De verhuur zal dus omstreeks 1384 hebben plaatsgevonden.
Kort na het verlenen van deze kwitantie moet het huis verkocht zijn aan de Bossche schepen Arnoud Stamelart van de Kelder, die het op 30 juni 1389 heeft doorverkocht aan Philippus Jozello van Nano. Zoals we gezien hebben, kocht deze tegelijkertijd een cijns van 16 pond uit he huis aan. Op 21 maart 1393 droeg Iwan Stierke hem een cijns van 40 schellingen stadsgeld over. Zo werd het complex kennelijk van lasten bevrijd.
Dat het huis niet aan één persoon behoorde, kan men onder meer opmaken uit een
1.GAH, Charters Sassen, nr. 130 (1357 juli 13).
2.RA Utrecht, Bissch. arch., nr. 370, fol. 46v-47. Zie ook Muller, 'Het middelpunt in de geschiedenis der Nederlandsche gewesten', 17-18.
3.Berkelbach van der Sprenkel, Regesten van oorkonden, nr. 544. De oorkonde bevindt zich in het stadsarchief van Diest, nr. 24.
4.Zie bv. GAH, Charters Sassen, nr. 130 (1357 juli 13), waarin ook Hendrik van Moordrecht optreedt.
5.Zie GAH, Van Gulik-Luyckx, nr. 7 (1376 juli 8): Ic Jan Ghisebrechts zoen geheiten Wrede, rentmeester ons heren hertogen ende onser vrouwen der hertoginnen van Lucemborch ende van Brabant in der stad ende meyerien van Den Bossch op desen tijt, ---.
6.GAH, R 1175, fol. 131v: Notum sit universis quod cum Iacobus filius quondam Iohannis Wrede quandam habitatione ...?1 dicti quondam Iohannis sui patris, nunc ad se specrantem, sitam in Buscoducis in opposito domus habitacionis quondam Iohannis de Steensel regis armorum, locasset Philippo Asinario et Philippo Jozello ad opus Thome Asinarii et eius sociorum mercatorum in Buscoducis, ab eisdem ad spacium sex annorum libere possidendam pro censu domini nostri ducis ipso domino nostro duci et pro XXXta solidis monete aliis hominibus inde solvendis, atque pro quadraginta denariis aureis antiquis communiter scilde vocatis?, dandis dicto Iacobo a dictis mercatoribus ante? quolibet dictorum sex annorum, mediatim Domini et mediatim Iohannis, prout in litteris quas vidimus, constitutus igitur dictus Iacobus palam recognovit sibi? dictum Philippum Jozello ex parte dictorum mercatorum plenarie persolvisse integram pecuniam? locationis? dictorum sex annorum, clamans inde quitain?. Testes Aa et Ghiselbertus?. Datum quinta post Lucie. De transcriptie is gemaakt aan de hand van de microfiches in GAH, omdat het origineel na 'restauratie' niet meer leesbaar is. Voor de datering zie Spierings, Het schepenprotocol, 120-121.
7.R 1179, blz. 655.
3

schepenakte van 20 december 1391, waain sprake is van 'het woonhuis van wijlen Hendrik van Moordrecht, ridder, nu aan de lombarden toebehorend'.1 Een schepenakte van 10 december 1406 verschaft meer duidelijkheid over de werkelijke rechtstoestand. Op die datum verkocht Stephanus Merlingus alle recht toekomend aan Rasonius van Asinariis en zijn broer Willem, kinderen van wijlen Michael van Asinariis, uit hoofde van hun erfrecht op het huis, benevens het twaalfde deel in alle gebruiksvoorwerpen en kleinodiën in het huis en in alle opbrengsten uit schepenbrieven en privileges 'aan het genoemde huis' verleend door welke persoon dan ook en op het genoemde huis gebruikelijk. Dit recht was aan Stephanus Merlingus overgedragen door Andreas van Drodis. De conclusie is dat er sprake was van een compagnie van lombarden, waar ook het betreffende huis deel van uitmaakte. De term domus Lombardorum of Lombardenhuis in de bronnen zal daarom zeer toepasselijk zijn geweest.2

Zoals bekend waren in Den Bosch al relatief vroeg lombarden - geldschieters, vooral op onderpand, uit Lombardije - aanwezig. De bekendste onder hen was Thadeus Cavenzonus alias Willem van Den Bosch, die in 1282 voor het eerst wordt vermeld en die door de Brabantse hertog 'onze lombard' werd genoemd. Mogelijk kreeg deze lombard van de hertog het oude hertogelijk paleis aan de Markt in cijns nadat deze net buiten de Gevangenpoort aan de Hinthamerstraat een nieuw hof had gevestigd. In de loop van de veertiende eeuw - in ieder geval vóór het laatste kwart van die eeuw - zijn de lombarden echter weer uit het oude hertogshuis vertrokken. Het zuidelijk deel ervan was toen in het bezit van de Bossche schepen Gevard van Eindhoven en het noordelijk in dat van Dirk Buc en Hendrik Steenweg, zoon van Gerrit Monic.3
Of de lombarden vanuit het oude hertogelijk paleis naar het pand in de latere Keizerstraat zijn vertrokken of dat zij al eerder elders gevestigd waren, is niet duidelijk. Zeker is dat zij sinds de veertiende eeuw op verschillende plekken in de stad hebben gewoond. Het zou de moeite waard zijn hun verschillende vestigingen eens nader te onderzoeken.

Dat de lombarden niet altijd goed van betalen waren, kan worden afgeleid dat het huis in de Keizerstraat in betrekkelijk korte tijd is 'uitgewonnen' wegens het niet betalen van de cijns van 10 schellingen aan de kapelaans van de Sint-Jan. Op 22 mei 1420 werd aan Arnoud van Beek Jan Jacobsz. als beurzedrager (rector bursarum) van deken en kapittel gerechtelijk toegewezen 'het erf van wijlen Arnoud van Diest, later van Wrede, nu van de lombarden, gelegen in 's-Hertogenbosch ter plaatse geheten Zyle bij de brug geheten Coninc Cupers brugge'.4
De gerechtelijke verkoop vond vervolgens plaats aan Anthonius Jansz. Tonsus. Ofschoon deze wellicht uit Genua afkomstige koopman vaak optrad als procureur voor de lombarden, was hij, zoals we zullen zien, zelf vennoot en een vermogend man. Hij was bezitter van 't goet ten Nuwenhuys in Sint-Oedenrode. Een dochter van hem trouwde met de zoon van de Bossche koopman en schepen Zebrecht van Heukelom.5 In 1422 liet hij zich alle goederen toeëigenen van de heren Otto van Byland, ridder, jonker Otto van der Lek, jonker Jan van Megen en Haps en jonker Jan van Herlaar, heer van Meerwijk, voor een schuld van 220 oude schilden, die zij schuldig waren aan Philippus Jozello ten behoeve van Thomas Asinarius en zijn 'collega-kooplie-
1.R 1178, fol. 206: habitatione quondam domini Henrici de Mordrecht militis, nunc ad lombardos [spectante].
2.Voor een soortgelijk huis, dat in Utrecht gebouwd werd in de dertiende eeuw, zie De Bruijn, 'Boterstraat 20: het Lombardenhuis'. Bijzonderheid van dit gebouw was dat het, net als De Moriaan in Den Bosch, een overwelfde achterkamer bezat.
3.Zie voor dit alles: M. de Bruijn, Verslag archiefonderzoek minderbroedersklooster (intern rapport gemeenteljk oudheidkundig bodemonderzoek 's-Hertogenbosch, nr. 36; september 1996), 8-12.
4.R 1800, fol. 15v. Met de Zijl werd doorgaans het tracé van de Snellestraat, Achter het Verguld Harnas, Achter het Wild Varken en de Wolvenhoek aangeduid. Interessant is hier ook de benaming Coninc Cupers brugge, die men vaker in de bronnen tegenkomt. Of deze aanduiding verwijst naar de wapenkoning Jan van Steensel of naar een Cuper geheten persoon die een dergelijke functie heeft uitgeoefend, is mij niet duidelijk geworden. De benaming Conincs brugge zal toch wel ontleend zijn aan eerstgenoemde. Al snel nadat de lombarden het huis naast de brug betrokken hebben, is ook de aanduiding pons Lombardorum of Lombardsbrug in gebruik geraakt. De eerste aangetroffen vermelding van deze naam is van 1418/19 (R 1191, fol. 454).
5.Pirenne en Formsma, Koopmansgeest te 's-Hertogenboch, 14-15.
4

den' in 's-Hertogenbosch (et sociorum eius mercatorum in Buscoducis).'1
Op 9 september 1430 droeg Anthonius Tonsus het complex over aan Anthonius van Montefeya en zijn vennoten. Montefeya gaf in de eerste decennia van de vijftiende eeuw de toon aan onder de uitheemse kooplieden in Den Bosch.2 De omschrijving van het complex luidde in 1430: 'zeker erf geheten der Lombart erve, gelegen in 's-Hertogenbosch bij de Sint-Joriskapel tussen het erf van genoemde kapel aan de ene zijde en tussen de openbare weg en het openbare water elders aan alle kanten omsloten, zoals het gelegen is tegenover het erf van wijlen Heimerik Groy en van Heilwig van Uden, met al zijn toebehoren'. Opmerkelijk is dat er in deze akte niet gesproken wordt over bebouwing, maar dit hoeft niet te betekenen dat die niet op het Lombardserf gestaan heeft. Zeer bemerkenswaardig is verder dat Anthonius Jansz. Tonsus zichzelf het recht voorbehield dat hem toekwam occasione mense lombardorum, 'terzake van de lombardentafel'.3 Hij bleef dus deel uitmaken van de vennootschap.
Al twee jaar later, in 1432, kwamen de Italiaanse woekeraars in de problemen met hun huisvesting. Op 12 juli van dat jaar werd heer Hendrik Muysken, kanunnik van de Sint-Jan, geëigend aan het Lombardenhuis voor de achterstallige betaling van de hiervóór genoemde cijns en na de drie gebruikelijke afkondigingen werd het verkocht aan Hubrecht van Herwijnen, die het op zijn beurt drie dagen later, op 15 juli 1432, overdroeg aan Mathijs Back.4
Hiermee was het complex in het bezit gekomen van een Bossche koopman en schepen. Op 27 mei 1433 beloofde deze een losbare cijns van 10 schellinaagen aan de Sint-Joriskapel 'van en uit zijn erf gelegen in 's-Hertogenbosch tegenover wijlen Heimerik Groy bij de Lombardsbrug bij het water aldaar stromend, welk erf eertijds aan de lombarden toebehoorde en welk erf zoals men vaststelt nu aan Mathijs toebehoort'.5 De Sint-Joriskapel behoorde aan het schuttersgilde van de Oude Voetboog en grensde aan de westzijde aan het complex. De oudste teruggevonden vermelding is van 22 juli 1409.6
In de tijd dat Mathijs Back bezitter van het Lombardenhuis was, grensde de kapel aan de noordzijde aan het erf van de Bossche schepen Willem Brant Rover. Ten noorden van dit perceel lag het erf van Reinier van Langel. Beide erven grensden aan het oosteinde aan het perceel van het Lombardenhuis. Op 2 november 1435 droeg Mathijs Back aan Willem Brant Rover een stukje erf van vijf voet breed over om een weg aan te leggen. Het was gelegen tussen de dakdrup van het achterhuis van Reinier van Langel aan de ene kant en tussen het overige erf van Mathijs aan de andere, en strekte vanaf het erf van Willem Brant Rover tot aan de Dieze.7 Waarschijnlijk ging
1.GAH, R 1800, fol. 46v.
2.Pirenne, Koopmansgeest, 14.
3.GAH, R 1200, fol. 268v: Anthonius Iohannis Tonsus hereditatem quandam dictam der Lombart erve, sitam in Buscoducis apud capellam sancti Georgii inter hereditatem dicte capelle ex uno et inter communem vicum et aquam alias undique adiacentem, prout ibidem sitam est in opposito hereditatis quondain Heymerici Groy et Heilwigis de Uden, cum omnibus suis attinentiis, ut dicebat, hereditarie supportavit mihi Martino ad opus Anthonii de Montefeya et sociorum eius mercatorum in Buscoducis, cum omnibus litteris et iure, promittens super omnia ratum servare et onnem obligationem exparte sui deponere, salvo eidem Anthonio suo iure sibi in premissis competente occasione mense lombardorum.
4.R 1800, fol. 116v.
5.R 1203, fol. 197v: Mathias Back promisit mihi - d.w.z. aan de secretaris - ad opus fabrice capelle sancti Georgii in Buscoducis quod daret dicte fabrice et solvet hereditarium censum decem solidorum monete hereditarie XXa, maii de et ex hereditate sita in Buscoducis in opposito quondam Heymerici Groy iuxa pontem Lombardorum iuxta aquam ibidem fluentem, que hereditas dudum ad lombardos pertinere consueverat et nunc ad dictum Mathiam pertinere dinoscitur, ut dicebat, tali condicione apposita quod dictus Mathias supradictum censum redimere et acquitare poterit perpetuis temporibus futuris cum quatuor antiquis cronen semel? vel valorem et cum censu anni redemptionis et arrestadiis, si que protunc exinde restituerint solvendum.
6.R 1186, fol. 207.
7.R 1208, fol. 14: Mathias dictus Back quandam particulam hereditatis, sumptam pro quadam via de hereditate eiusdem Mathie, sita in Buscoducis iuxta pontem Lombardorum inter aquam ibidem ex uno et inter cimitherium capelle sancti Georgii, hereditatem Willelmi Brant Rover et hereditatem Reyneri de Langel ex alio, tendente a communi vico ad aquam ibidem fluentem, illam scilicet particulam hereditatis que sita est ibidem inter stillicidium domus posterioris Reyneri de Langel ex uno et inter hereditatem reliquam dicti
5

het hierbij dus om het achterste, noordelijkste, deel van het erf van de Lombarden. Brant Rover zal aldus een doorgang naar het water hebben gekregen. Op 9 maart 1435 was het Lombardenhuis door Back nog mede tot onderpand gesteld voor een pacht van 150 mud rogge.1
Al vóór 12 december 1441 is het weer in handen van de lombarden gekomen; hoe dit is gebeurd, kon nog niet getraceerd worden. Op die datum beloofde Anthonius Caudraris ten behoeve van Bartholomeus en Matheus Caudraris, zonen van wijlen Jacobus Caudraris, een cijns van 200 gouden Engelse nobels 'uit huis, erf en tuin met zijn toebehoren van genoemde Anthonius, gelegen in 's-Hertogenbosch bij de Lombardsbrug tussen het openbare water aldaar aan de ene kant en het erf toebehorend aan de Sint-Joriskapel aldaar en het erf van Willem Brant de Rover aan de andere kant, strekkend vanaf de openbare straat tot het erf van genoemde Willem Brant Rover en het openbare water'. Anthonius droeg hierbij tevens al zijn haeflike guede, alsook zijn kleinodiën en huiselijke gebruiksvoorwerpen (domusutensilia), aan Bartholomeus en Matheus over.2 Enkele maanden later, op 30 april 1442, transporteerde hij ten behoeve van Jacobus en Matheus, zonen van wijlen Thomenus de Baudranis, het vierde deel van het complex en van alle rechten, panden, privileges en overige toebehoren - waarschijnlijk dus zijn aandeel in het compagnonschap van deze lombarden.3 Op 2 mei beloofden Jacob en Matheus aan Anthonius een cijns van 1120 gouden rijders uit het complex.4
Ook nu toonden de lombarden zich weer slechte debiteuren. Dat ondervond Arnoud van Vladeracken, die via zijn vrouw Sophie, dochter van Gerard die Wael, de cijns van 14 Rijnsgulden geërfd had die in 1433 door Mathijs Back op het complex gevestigd was. Op 2 januari 1454 verklaarde Gerard dat hij alle achterstallige bedragen terzake van deze cijns had ontvangen;5 op 3 januari 1457 opnieuw.6 In 1458 en 1459 werd de cijns op tijd betaald,7 maar pas op 12 februari 1462 kon Arnoud van Vladeracken opnieuw de achterstallen in ontvangst nemen.8

De hiervan bewaard gebleven schepenakten geven ons trouwens wel enig inzicht in wat er met het huis gebeurde. In 1454 werden de openstaande bedragen betaald door Matheus de Boudranijs, in 1457, 1458, 1459 en 1460 door Bartholomeus de Caudraris. Deze laatste maakte sinds 22 januari 1449 deel uit van de Bossche lombardentafel.9 Uit de akten blijkt dat deze ook voor andere personen gekwiteerd werd. Het lijkt er dus op dat na 1454 het huis weer in handen van een vennootschap van lombarden is gekomen.
In deze periode hadden de lombarden het niet makkelijk. In 1451 had hertog Filips de Goede hun vestigingsmogelijkheden beperkt en de maximumrente op de derde penning, dus 33 1/3 %, per jaar gesteld. Kennelijk was dit een te lage vergoeding! Dat de heren zich niet aan deze
 Mathie ex alio, et tendit ab hereditate Willelmi Brant Rover ad aquam predictam et continet undiquaque latitudine quinque pedatarum, mensurando eandem latitudinem ab extremitate stillicidii predicti usque hereditatem dicti Mathie, ut dicebat, hereditarie supportavit Willelmo Brant Rover.
1.R 1205, fol. 281.
2.R 1212, fol. 12: Anthonius Couderarii promisit mihi Ghiselberto ad opus Bartholomei et Mathei fratrum, liberorum quondam Iacobi Coudrerarii! se daturum et soluturum dictis Bartholomeo et Matheo hereditarium censum ducentorum aureorum denariorum communiter nobelen vocatorum monete quondam regis Anglie, boni auri et iusti ponderis vel valorem eorundem in alio pagamento, hereditarie nativitatis Domini, et pro primo termino nativitatis Domini proxime futuro, de et ex domo, area et orto cum suis attinentiis dicti Anthonii, sitis in Buscoducis iuxta pontem Lombardorum inter communem aquam ibidem ex uno et inter hereditatem spectantem ad capellam sancti Georgii ibidem et hereditatem Willelmi Brant die Rover ex alio, tendentibus a communi platea ad hereditatem dicti Willelmi Brant die Rover et communem aquam ---.
3.R 1212, fol. 251v: Anthonius de Coudrarijs quartam partem domus et aree ac orti, sitorum in Buscoducis iuxta pontem Lombardorum et omnium et singulorum iurium, vadiorum, privilegiorum et ceterarum attinentium domus, aree et orti predictorum, ut dicebat, hereditarie supportavit mihi ad opus Iacobi et Mathei fratrum, liberorum quondam Thomeni de Baudranis, cum omnibus litteris et iure occasione.
4.R 1212, fol. 168.
5.R 1224, fol. 105.
6.R 1227, fol. 477v.
7.R 1228, fol. 24 en R 1229, fol. 60v.
8.R 1232, fol. 181.
9.Pirenne, Koopmansgeest, 15.
6

woekerrente hielden, blijkt uit enkele nadere ordonnanties, die gewag maken van een interest van zelfs 50%.1

Tussen 12 februari 1462 en 19 juli 1469 is het complex in bezit gekomen van de lombarden Thomas de Lavalle, afkomstig uit Chieri ten oosten van Asti,2 en Johannes van Druwa. Dat valt af te leiden uit een schepenakte van laatstgenoemde datum, waarin Willem zoon van wijlen Willem Brant Rover het stukje erf voor de weg waarvan hierboven sprake was over aan Thomas van Lavalle voor deze zelf en ten behoeve van Johannes van Druwa.3 Deze zullen dus op dat moment al bezitter van het complex zijn geweest.
In 1473 had hertog Karel de Stoute alle lombardentafels in de hem onderhorige gewesten verboden, maar dit besluit werd spoedig ingetrokken, deels omdat de hertog zelf niet buiten hen kon. Onder dwang moesten zij geld aan hem lenen.4

Op 24 februari 1476 droeg Jan van Druwa zijn helft 'op het huis, erf en tuin met al hun rechten en toebehoren, gelegen in 's-Hertogenbosch bij de Lombardsbrug tussen het openbare water de Dieze genaamd, aldaar stromend, aan de ene kant en het ene einde, en tussen het erf aan de Sint-Joriskapel toebehorend en het erf van wijlen Willem Brant de Rover aan de andere kant, strekkend met het ander eind aan de openbare straat', weer over aan Thomas de Lavalle. Uit de akte blijkt dat Jan van Druwa die helft verkregen had van Thomas van Robandis. Dat er ook nu weer van een vennootschap sprake was, blijkt uit het feit dat Jan van Druwa ook weer de helft in zijn roerende bezittingen, waaronder 'de panden en de geldsommen die hem uit hoofde van de panden in het genoemde huis berustende toekwamen en in alle rechten en privileges aan het genoemde huis zowel door onze heer de hertog van Brabant, de tegenwoordige en zijn voorgangers, alsook door de stad 's-Hertogenbosch of door anderen op welke manier dan ook verleend'. Jan van Druwa droeg aan Thomas de Lavalle ook zijn helft over in het huis van wijlen Willem Brant de Rover, dat zij samen van Willem Willemsz. Brant de Rover hadden gekocht. Voor de overdracht van zijn rechten ontving Jan van Druwa de som van 2.826 gouden Rijnsgulden.5
1.Pirenne, Koopmansgeest, 16.
2.Pirenne, Koopmansgeest, 15.
3.R 1238, fol. 116v-117.
4.Pirenne, Koopmansgeest, 16.
5.R 1245, fol. 219v-220: Iohannes de Druwa medietatem ad ipsum ut dicebat spectantem in domo, area et orto cum omnibus et singulis suis iuribus et attinentiis, sitis in Buscoducis iuxta pontem dictum die Lombarts brugge inter communem aquam die Dyese vocatam, ibidem fluentem, ex uno et fine uno et inter hereditatem ad capellam sancti Georgii spectantem et hereditatem olim Willelmi Brant die Rover ex alio, tendentibus cum alio fine ad communem plateam, prout dicti domus, area et ortus cum suis iuribus et attinentiis predictis ibidem siti sunt et dictus Iohannes de Druwa et Thomas de la Valle premissa ad presens possident, et quemadmodum dictus Iohannes de Druwa pretactan medietatem erga Thomam de Robandis olim acquisierat, ut dicebat in litteris de Buscoducis contineri; insuper medietatem ad ipsum ut ipsum! dicebat spectantem in omnibus et singulis domus utensilibus, clenodiis, pigneribus et pecuniarum summis sibi occasione pignerum in dicta domo existentibus quovismodo competentibus, necnon in omnibus et singulis iuribus et privilegiis dicto domui tam a domino nostro duce Brabantie moderno quam a suis predecessoribus quam eciam ab opido de Buscodcis seu alias quovismodo concessis, ut dicebat, hereditarie supportaverit dicto Thome de la Valle, cum iuribus dicto Iohanni ut dicebat competentibus in quibuscumque litteris, instrumentis, munimentis ac scripturis mentionem inde facientibus, promittens super omnia et habenda ratum servare, obligationem et impetitionem ex parte sui et quorumlibet suorum heredum et successorum deponere. Testes Ham et Os. Datum XXIIII februarii.
Dictus Iohannes de Druwa medietatem ad ipsum ut dicebat spectantem in domo, area et orto cum suis iuribus et attinentiis olim Willelmi die Roever, filii quondam Willelmi Brant die Roever, sitis in Buscoducis in vico dicto sunt Joris straet inter hereditatem ad capellam sancti Georgii ibidem sitam spectantem ex uno et inter hereditatem Iohannis de Maren carnificis ex alio, tendentibus a communi platea ad hereditatem spectantem ad domum Lombardorum in Buscoducis, prout dicti domus, area ortus cum suis iuribus et attinentiis ibidem siti sunt et ad dictum Iohannem de Druwe necnon Thomain de la Valle ad presens pertinere dinoscuntur et prout dicti Iohannes de Druwa et Thomas premissa erga Willelmum die Roever, filium dicti quondam Willelmi Brant die Roever, acquisierant, ut dicebat in litteris de Buscoducis contineri, hereditarie supportavit

7

Het complex vererfde vervolgens aan Thomas' broer Pagant de Lavalle. Deze had in 1477 van Maria van Bourgondië octrooi verkregen voor het houden van een lombardentafel. Hij lijkt de enige Bossche lombard te zijn geweest in de laatste twee decennia van de vijftiende eeuw en geraakte desalniettemin in financiële moeilijkheden.1 Op 22 juni 1492 machtigde Willelmus van Ferrara een drietal personen van sijnen wegen met recht te vervolgen alsulke procedure ende richtinge als hij begonst ende gedaen heeft op 't huys hiervoermaels toebehoerende Pagant de Lavall, staende bynnen deser stadt aen die Lombaerts brugge, dan t'zelve huys voert van sijnen twegen te vercoepen, guedinge ende vestinge daeraff te doen ende voert allet daerin te doen dat die voerscreven Willem zelve zoude moegen doen off hij tegenwordich ende present weer.2 Op 15 september van hetzelfde jaar werd het complex na de drie gebruikelijke procolamaties wegens de bekende schuld van 14 Rijnsgulden gerechtelijk verkocht aan Govert van den Aalsvoort, die het vervolgens op 4 oktober overdroeg aan Willem zoon van Jacob van Ferrara.3 Op 20 februari 1493 droeg deze het over ten behoeve van heer Willem van Egmond.
Het Bosch'schepenprotocol bevat de volgende akte van 5 maart 1493:
Wij Goessen vanden Hezeacker ende Adam Roempot, scepenen in 's Hertogenbosch, doen kont enen ygeljken hoe dat Willem van Os ende Arnt Monix, soen wilner meester Jans Monix des ouden, bij ons comen sijn, seggende dat die edele ende waelgeboeren heren Willem brueder tot Egmond, here tot Haeps, tot Meer etc., een huys, erve ende hoff, geheiten der Lombart huys, staende in der voirscreven stat van 's Hertogenbosch bij der Lombartsbruggen, gecoft ende vercregen hadde tegen enen geheiten Willem van Ferraras, wellic huys wat in wanwerk leegt ende vervallen is, soedat van grote node were dat te repareren omme vorderen scade die daeraf gescapen were te comen te verhueden, ons biddende ende begerende dat wij met hem gaen wouden in den voirscreven huyse ende erve om dat te besien ende visiteren, d'wellic wij gedaen hebben. Ende daer wesende hebben wij 't voirscreven huys oversien ende gevisiteert ende hebben bevonden dat in sommige plaetsen in muren, vensteren, doeren ende andersins in wanwerke leegt ende vervallen is, soedat van groeten [node] were dat te repareren ende op te maken. Ende hebben daerom den voirscreven Willemen ende Arnden geconsenteert dat sij in naem ende vanwegen des voirscreven heren Willems 't voirscreven huys bij tymmerlieden ende metseren van allen noitljcke reparacien, hetsij in muren, vensteren, doeren ende andersins, souden doen maken ende behoeffeljke repareren ten meesten orbair ende ten mijnsten costen, om te verhueden ende te scouwen den meerderen scade die bij gebreke van gueder reparacien daerofwere gescapen te comen, bijalsoe ende hyerinne versien dat sij alle die costen die men totter voirscreven reparacien behoeren sal, van lymmerlude ende metseren, sullen doen scrjven ende met goede declaracien in gescrijte doen stellen om mergen of overmergen rekeninge ende bewijs daerof te doen den genen ende voir diegeen daer dat behoeren sal ende sculdich sal sijn te gescien, sonder argelist.
In kennisse der wairheyt hebben wij scepenen voirscreven onser segelen aen desen brief doen hangen.
Gegeven opten Vten dach der maent van meert anno Domini etc. XCII.

 dicto Thome de la Valle, cum iure sibi ut dicebat competente in quibuscumque litteris, instrumentis, munimentis ac scripturis mentionem inde facientibus, promittens super omnia et habenda ratum servarte, obligationem et impetitionem ex parte sui et quorumlibet suorum heredum et successorum deponere.
Notum sit universis quod cum ita actum fuisset prout in ambabus contractibus iamdictis dictum est, constitutus igitur coram scabinis infrascriptis dictus Iohannes de Druwa palam recognovit sibi premissorum occasione per dictum Thomam realiter? fore satisfactum de summa duorum milium octingentorum et viginti sex aureorum florenorum Renensium, XXti stuvers aut valorem pro quolibet computando, clamas igitur dictum Thomam eiusque heredes et successores ac eorum bona necnon possessores pro tempore hereditatum et bonorum predictarum! ac omnes alios de premissis quitantiam? indigentes inde quitos, promittens super omnia et habenda dictum Thomam et omnes alios quorum opus fuerit pronunc aut quandolibet? in futurum inde quitare, relevare? ac penitus indempnes observare, omni dolo in hiis seclusis. Testes, datum supra.
(in margine bij de drie akten: scabini noluerunt. Non solvit.)
1.Pirenne, Koopmansgeest, 16-17.
2.R 1261, fol. 558v.
3.R 1804, fol. 229.
8

Het huis heeft dus een grondige opknapbeurt ondergaan alvorens het in het bezit kwam van heer Willem van Egmond. Kennelijk rustten er na de overdracht door Willem van Ferrara nog andere rechten op het complex. Deze werden op 12 december 1496 overgedragen aan vrouwe Margriet van Boxmeer, weduwe van Willem van Egmond, door de daartoe gemachtigde heer Lambrecht Cupers, kanunnik van Bergen, Jan Raes, kanunnik in Lier, meester Steven van Berlende en Jan de Lavalle, zoon van Pagant. Zij beloofden te verwaarborgen onder verband van alle goederen van wijlen Pagant de Lavalle, van Andries van Dijle (?), zijn broer Peter en van meester Simon de Lavalle en al hun kinderen en erfgenamen.

Op grond van het bovenstaande kunnen we de volgende lijst van bezitters samenstellen:

  • Arnoud van Diest (overleden vóór 29 augustus 1330);
  • Christina van Broekhoven (Satsijns?) en haar zoon Jan (op de zojuist genoemde datum);
  • Hendrik van Moordrecht en zijn echtgenote Katerina van der Aa (nog op 8 september 1367, maar niet meer op 7 juni 1382);
  • Jan Gijsbrechtsz. Wrede van Herpen (overleden vóór 30 juni 1389);
  • diens zoon Jacob;
  • Arnoud Stamelart van de Kelder; overdracht op 30 juni 1389 aan
  • Philippus Jozello van Nano.
  • op 24 mei 1420 aan Anthonius Jansz. Tonsus. Deze op 9 september 1430 aan
  • Anthonius van Montefeya en zijn vennoten.
  • Het kapittel van Sint-Jan na een gerechtelijke procedure wegens achterstallige betaling op 12 juli 1432 aan
  • Hubrecht van Herwijnen. Deze op 15 juli 1432 aan
  • Mathijs Back. Deze tussen 9 maart 1435 en 12 december 1441 aan
  • Anthonius Caudraris. In 1442 aan
  • Jacobus en Matheus zonen wijlen Thomenus de Baudranis. Tussen 1454 en 1457 aan
  • Bartholomeus de Caudraris. Tussen 12 februari 1462 en 19juli 1469 aan
  • Thomas de Robandis en Thomas de Lavalle. De helft van Thomas vervolgens aan Johannes van Druwa. Deze helft op 24 februari 1476 eveneens aan Thomas de Lavalle.
  • Pagant de Lavalle, broer van Thomas. Op 15 september 1492 door gerechtelijke verkoop aan
  • Govert van den Aalsvoort. Deze op 4 oktober 1492 aan
  • Willem Jacobsz. van Ferrara. Deze op 20 februari 1493 aan
  • heer Willem van Egmond, heer van Haps, Meer etc.
  • zijn weduwe Margriet van Boxmeer.

Met de overdracht van het Lombardshuis aan Willem van Egmond en zijn weduwe Margriet van Boxmeer, is het complex een nieuwe fase ingegaan, die geleid heeft tot het Keizershof. De geschiedenis hiervan is in grote lijnen beschreven door Van Sasse van Ysselt in zijn werk De voorname huizen en gebouwen van 's-Hertogenbosch.2

Wat opvalt bij de voorgeschiedenis is dat de omschrijvingen van het complex nogal summier zijn. Dat is juist bij grote huizen van aanzienlijken vaak het geval. Het ging hierbij om algemeen bekende huizen op uitgestrekte terreinen, waarvan een uitgebreide beschrijving kennelijk niet nodig werd geacht. Opmerkelijk is dat in dit geval niet gesproken werd van een mansio - de benaming van een groot huis - of van een stenen huis (domus lapidea). Waarschijnlijk dient men onder een stenen huis een huis te verstaan dat aan alle zijden van steen was. Een huis met een houten vóórgevel gold namelijk, al was het nog zo imposant, met zekerheid in Utrecht niet als een 'steenhuis'. Het huis van Arnoud van Diest, later het Lombardenhuis, heeft dus mogelijk - ook al was het gezien de sociale en economische status van de opeenvolgende bezitters van allure - ten minste één houten gevel gehad.

Martin W.J. de Bruijn, Utrecht 21 augustus 2000

1.R 1265, fol. 402v-403.
2.Dl. 2, 3-23.
3.Zie hierover De Bruijn, Husinghe ende hofstede, 255-256.
9

Literatuur
Berkelbach van der Sprenkel, J.W., Regesten van oorkonden betreffende de bisschoppen van Utrecht uit de jaren 1301-1340, Werken van het Historisch Genootschap, 3de serie, nr. 66 (Utrecht 1937)
Bruijn, M.W.J. de, 'Boterstraat 20: het Lombardenhuis', Maandblad Oud-Utrecht, jrg. 62 (1989) 117-123
Bruijn, M.W.J. de, Husinghe ende hofstede. Een institutioneel-geografische studie van de rechtspraak over onroerend goedx in de stad Utrecht in de middeleeuwen (Utrecht 1994)
Camps, H.P.H., ed., Oorkondenboek van Noord-Brabant tot 1312, dl. I, De meierij van Hertogenbosch ('s-Gravenhage 1979)
Hardenberg, H., 'Het ontstaan van de vrijheid Tilburg', in: Van heidorp tot industriestad. Verkenningen in het verleden van Tilburg, red. H.J.A.M. Schurink en J.H. van Mosselveld, Bijdragen tot de Studie van het Brabantse Heem V (Tilburg 1955) 29-76
Jacobs, B.C.M., Justitie en politie in 's-Hertogenbosch voor 1629, Brabantse Rechtshistorische Reeks 1 (Assen-Maastricht 1986)
Muller Fz., S., 'Het middelpunt in de geschiedenis der Nederlandsche gewesten', in: Schetsen uit de Middeleeuwen (Amsterdam 1900) 1-25
Pirenne, L.P.L., en W.J. Formsma, Koopmansgeest te 's-Hertogenbosch in de vijftiende en zestiende eeuw, Bijdragen tot de sociale en economische geschiedenis van het zuiden van Nederland, X (Nijmegen 1962)
Sasse van Ysselt, A.F.O., De voorname huizen en gebouwen van 's-Hertogenbosch ('s-Hertogenbosch 1910-1914)
Sasse van Ysselt, A., 'Genealogie van het geslacht van Randerode genaamd van der Aa en der daarvan afstammende familiën', Taxandria. Tijdschrift voor Noordbrabantsche Geschiedenis en Volkskunde, 3 (1896) 110-116, 179-185
Spierings, M.H.M., Het schepenprotocol van -Hertogenbosch 1367-1400, Bijdragen tot de Geschiedenis van het Zuiden van Nederland LIX (Tilburg 1984)
Uytven, R. van, 'De lombarden in Brabant in de middeleeuwen', in: H.F.J.M. van den Eerenbeemt red., Bankieren in Brabant in de loop der eeuwen, Bijdragen tot de Geschiedenis van het Zuiden van Nederland LXXIII (Tilburg 1987), 21-36
Vaart, J. van der, 'Het Lombardje', Boschboombladeren 28 (december 1982) 1-27
Wols, R., Inventaris van het huisarchief Stapelen 1294-20e eeuw ('s-Hertogenbosch 1997)
10